Professor dr. Arnold Hendrik de Hartog (Nol), hoogleraar en predikant die Wim en Jan Leene inspireerde

Voordat de broers Wim Leene (1892-1938) en Jan Leene (1896-1968), stichters van de school van het Rozenkruis, de geestesverwantheid met de Rosicrucian Fellowship vonden, en lang voordat de bronnen van de gnosis direct konden worden verklaard, was de predikant en hoogleraar A.H. de Hartog (1869-1938) de belangrijkste factor in de vorming van hun denken. Het belang daarvan is beslissend geweest en kan nauwelijks worden overschat. Want zij toont aan: er is geest én natuur. En daarmee zet hij hen op weg en geeft ze een stevige duw in de rug.

A.H. de Hartog, hoogleraar apologie aan de theologische faculteit van de Rijksuniversiteit te Utrecht was tot 1917 predikant in de Grote of St. Bavokerk te Haarlem, die de broers vaak bezochten. Hij was een man met een uitzonderlijk redenaarstalent, een man met ‘bijzonder grote gaven en veel omvattende kennis’ zoals een krantenknipsel ten tijde van zijn benoeming te Utrecht wist te melden.

Hij was de vader van de bekende schrijver Jan de Hartog. In de jaren tien en twintig van de vorige eeuw wist hij met zijn voordrachten zo’n bijzonder veld te spreiden dat zelfs koningin-moeder Emma zijn diensten bijwoonde. Als predikant trad hij evenwel in het kerkelijk Nederland van vóór de Eerste wereldoorlog en ook ten tijde van het interbellum met zijn denkbeelden nogal buiten de gangbare orthodoxie. Zij geïnspireerde preken en toespraken waren een verkwikking, waaraan velen zich hebben gelaafd.

‘Hij was een gedrevene, een godsvriend, hij heeft vele verre staanden geholpen en die nabij stonden uit de verdorring gerukt. Het ging hem om de wedergeboorte door de geest, om een godsvriend te zijn en eeuwig te blijven,’ zegt J.W. Jongedijk over hem in ‘Geestelijke Leiders van ons Volk’.

In de tijd dat A.H. de Hartog predikant was in Haarlem misten de beide broers geen enkele dienst van hem, maar ook de debatten die hij aanging met bijvoorbeeld de leiders van de arbeidsbeweging en met anderen woonden zij bij. Maar De Hartog wilde geen volgelingen; ieder mens kon naar zijn inzicht een zelfstandige, weerbare christen zijn, met een vast geloof en een redelijke overtuiging. Opmerkelijk ook: De Hartog streefde de verzoening van religie en wetenschap na, een ideaal dat drie eeuwen eerder in de manifesten van de rozenkruisers een centrale plaats innam. Maar de Hartog wist dat nog niet.

Tijdens diens lezingen op de Lairessestraat in Amsterdam kon je de beide broers in de jaren twintig vinden, serieus en nauwgezet aantekeningen makend, elk woord indrinkend van deze dynamische dienaar van het Woord. De Hartogh preekte ook regelmatig in de Westerkerk en de Ronde Lutherse kerk aan de singel in Amsterdam. 

De Hartog, strijdbaar als hij is, deinst er niet voor terug in debat te gaan met de leiders en vertegenwoordigers van de arbeiderspartij. Hij staat bekend als een vrijzinnig predikant die met zijn gedachtegoed  een breed terrein bestrijkt. Hij is ook een van de mede-oprichters van de Internationale School voor Wijsbegeerte te Amersfoort, en instituut dat zich richtte op vergelijkende studies van godsdienst en cultuur.

In De Hartogs visie vinden de jonge Jan en Wim Leene de sleutel tot het mensheidsdrama, waarin iedereen partij is. En wat is die visie dan? In 1924 vat de professor het zelf samen in een bijdrage aan de bundel ‘Muziek en Religie’. Daarin tekent de predikant bezwaar aan tegen een eenzijdige verheerlijking van Darwins evolutieleer. Tegelijk ontwikkelt hij een eigen en esoterisch gezien interessante gedachtegang over de evolutie van de wereld en de aarde. Hij zegt, in de typische bloemrijke en soms wel omslachtige taal van de jaren twintig:

‘Ontwikkelen kan het wezen slechts hetgeen kiemmatig in dit wezen zelf verborgen ligt. Evolutie brengt dus nooit boven het eigen zelf uit; slechts hetgeen er eigen aan is kan worden uitgekeerd. Nu blijkt echter uit het algebeuren, dat er naast het beginsel der evolutie, der ontwikkeling of uitwikkeling nog een tweede beginsel openbaar wordt, namelijk het beginsel der regeneratie, der wedergeboorte, der vernieuwing, der verheffing in een hoger bestaanssfeer dan de reeds met het eigen zelf gegevene. […]

Dit is aan de dag waar het aardrijk (in zichzelf heerlijk en al zijn mogelijkheden in zich dragend wordt bezaaid met het plantenrijk (als een nieuw beginsel). Het plantenrijk daalt in het aarderijk en zet het wederbarend om van uit de hellevaart van de trek omlaag tot de hemelvaart van de trek omhoog.

De aarde in haar eentonigheid gaat thans kleuren en geuren in veelvormige pracht. Het dierenrijk voorts daalt in het plantenrijk, teert het op en zet het om in de grotere veelvuldigheid van eigen, vrije beweging. En tenslotte, het mensenrijk brengt het natuurrijk onder controle, te vuur en te zwaard en, als aldus het natuurrijk onderworpenen herboren is, dan rijst het cultuurrijk omhoog als een monument van de geest.

Moet het dan in de religie bij de mens blijven of moet ook de mens boven zichzelf uit? Zoeken wij niet het ‘Uebermenschliche‘ (Nietzche)? Zullen wij boven ons zelf uitkomen in het Godsrijk, dan kan ook de evolutie of uitwikkeling hier niet het enige beginsel zijn, al heeft het naast en met de regeneratie blijvende betekenis, telkens, in iedere bestaanssfeer.

Daar moet ook wezen een regeneratief, een wederbarend indalen van het godsrijk in het mensenrijk, zoals het mensenrijk het natuurrijk, het dierenrijk het plantenrijk, het plantenrijk het aarderijk regenereert. Menswording van de goddelijke liefdesuitgang is de centrale levenswaarheid van het christendom. In het christendom komt de mens zichzelf en het al te boven, aangezien de indaling van het Godsrijk wordt gevoerd.

In de zielegrond van de ontvankelijke, ontledigde mens groeit en bloeit de godheid aldus eeuwiglijk (Eckehart). Wie zo God ziet, sterft aan zichzelf en herleeft uit de doden. Want God wordt alleen door de dood der zelfontlediging ter zelfvervulling uit hem ten volle gekend. En zo rijst het mensenkind als godskind omhoog, door de dood tot het leven […].’

God in de mens! Dat probeert De Hartog in die dagen als een realistische theologie te introduceren. Gelovend in de realiteit wil hij die dan ook onder ogen zien. hij legt de nadruk op een redelijk geloof en een redelijke eredienst en baseert zich daarbij onder andere op een citaat uit het twaalfde hoofdstuk van de Brief aan de Romeinen. Daarin wordt gezegd dat ‘de ware offerande’ het leven uit het nieuwe beginsel is: ‘Ik bid u dan broeders. […] dat gij uw lichamen stelt tot een levende [offerande], en dit zij uw redelijke godsdienst’.

Op zijn beurt is De Hartog enigermate gevormd door de invloed van de filosoof Eduard von Hartmann (1842-1906), de schrijver van Philosophie des Unbewussten. Daaraan ontleent hij het inzicht dat er een werkelijkheid (het ‘Godsrijk’ uit het lange citaat hierboven) buiten de mens bestaat, die evenwel kenbaar is voor die mens. Deze is weliswaar een realiteit, maar de menselijke voorstelling ervan komt er niet mee overeen. De mens vormt zich derhalve een afwijkend beeld. De Hartog meent dan ook dat achter het waarneembaar bestaande een ‘oergrond’ ligt, een oerkracht, een beginkracht die onder al het bestaande rust. Oók in de menselijke geest.

Deze gedachte grijpt via Schellings Über das Wesen der menschlichen Freiheit uit 1809 terug op het begrip ‘Ungrund’ van de Duitse filosoof Jakob Boehme (1575 – 1625). de laatste heeft De Hartogs grote belangstelling; wellicht herkent hij zichzelf in de tegenstand die deze verkondiger van het woord heeft moeten ondervinden.

Jakob Boehme is een markante figuur op het kruispunt van de tijden. Hij staat bij de aanvang van de zeventiende eeuw midden tussen de belangrijke maatschappelijke stromen; tussen oude adel en nieuwe rijken, tussen de stadsregels en vrij ondernemerschap, tussen kerkelijke regels en vrije religieuze beleving – en alle hebben ze hem gehoord!

Boehme is vernieuwend, en professor De Hartog herkent dat. Net als hij probeert voor de mensen van zijn tijd (De Hartog had een uniek taalgebruik), ontwikkelde Boehme en nieuwe taal, een nieuwe filosofie en een nieuwe manier om abstracties uit te beelden die  vóór hem nooit zo zijn verwoord. Het is opmerkelijk hoe parallelle Jakob Boehmes lotgevallen lopen met die van de eerste broeders Rozenkruis, die zich tezelfdertijd in zuid-Duitsland manifesteren. Het is een bewijs voor de machtige impuls die dan wil doorbreken, waarin mensen de innerlijke wedergeboorte voor ieder binnen het bereik willen brengen, maar die toen hevig is gedwarsboomd.

In het jaar 1915 publiceert A.H. de Hartog een bloemlezing uit Boehmes werk bij de Hollandia-Drukkerij te Baarn. Het is een deel in de destijds populaire serie ‘Uren met …. Boeken van wijsheid en schoonheid’, waarin gerenommeerde schrijvers, zoals P.C. Boutens, J.D Bierens de Haan en P.N. van Eyck steeds een selectie bezorgen uit de werken van bekende of minder bekende denkers, musici of christelijke mystieken. In de serie verschenen delen over Montaigne, Kant, Novalis, St. Bernard, Ruusbroec, Plato, Luther en anderen.

Een enkel citaat een recensie die indertijd met ‘Uren met Boehme‘ werd gewijd, is hier wellicht op zijn plaats. In een christelijk tijdschrift ‘Opbouw‘ (1916) verdedigt Br. Elffers De Hartog tegen aantijgingen van ‘pantheïsme’: ‘Dit is een kostelijk boek. Het zet ons temidden van het wereldrumoer stil met ons zelf. ‘t heft ons uit boven de sleurgang van dit aarde-leven, ‘t daalt met ons af in duistere diepten, waar eeuwigheids-glanzen ons toelichten. Inderdaad, dit is een boek van wijsheid en schoonheid.’

Bron: Geroepen door het wereldhart van Peter Huijs 

Een gedachte over “Professor dr. Arnold Hendrik de Hartog (Nol), hoogleraar en predikant die Wim en Jan Leene inspireerde

  1. Trips Jacqueline

    Zeer inspirerende en vreugdevolle teksten .Een initiatief dat zeer waardevol is. Hopelijk kent het nog veel vervolg🌺🌺🌺

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *