Citaten over GOD, KOSMOS, MENS uit het geschenkboekje van Pentagram boekwinkel

 

DOWNLOAD DIT GESCHENKBOEKJE GOD-KOSMOS-MENS (PDF)

GOD

‘Indien ik overdenk, wat God is, zo zeg ik: Hij is het ene, bij de creatuur vergeleken, als een eeuwig niets. Hij heeft grond, aanvang noch plaats en bezit niets dan slechts zichzelf. Hij is de wil van de ongrond, Hij is in zichzelf slechts één. Hij behoeft ruimte noch plaats. Hij baart van eeuwigheid tot eeuwigheid zichzelf in zich. Hij is geen ding gelijk of gelijkend en heeft geen bijzondere plaats, waarin hij wonen zou: de eeuwige wijsheid of verstand is zijn woning, hij is de wil van de wijsheid, de wijsheid is zijn openbaring.’
Jakob Böhme, Levend in de eenvoud van Christus

‘Twee machten heersen over d’aard:
het eeuwig zijn, het steeds vergaan.
De schepselen verdwijnen,
‘schoon de rots van ’t eeuwig zijn blijft staan.
Daar is een and’re, hoogste macht, die opperzelf geheten wordt:
’t is d’eeuwige, de Heer, die al dewerelden vervult en schraagt.
En daar ik alles wat verdwijnt en niet verdwijnt te boven ga,
heet ik het opperwezen in de schriften en in mensenmond.
Voorwaar, hij dwaalt niet die mij kent als opperwezen, Arjuna;
Hij kent de waarheid en … aanbidt. Zijn ganse wezen huldigt mij.
Held zonder blaam, ik leerd’u daar een groot en diep geheimenis:
die ’t kan begrijpen is verlicht en heeft een levenstaak vervuld.’

Bhagavad Gita

‘Hij bestaat als de onzichtbare die onbevattelijk is voor hen allen. Hij omvat ze allen in zichzelf want zij allen bestaan dankzij hem. Hij is volmaakt, en hij is meer dan volmaakt, en hij is gezegend. Hij is altijd één en hij bestaat in hen allen. Toch is hij onuitsprekelijk, onnoembaar, Hij is een die door hen allen heen bestaat.’
Allogenes. In: J. Slavenburg, W. Glaudemans, Nag Hammadi-geschriften

‘Is de Logos uitgeroeid? Is de oerknal voor niets geweest? Nee, de Logos is niet uit te roeien. Net als de Geest is hij. Altijd en eeuwig. De Logos ‘is vlees geworden’, maar de duisternis kon het Licht niet aan. De Logos is nooit weggeweest, maar versluierd. Dus is de oerknal niet voor niets geweest. Altijd zijn er mensen geweest in wie de Logos bewust werd. Die mensen hebben het in de loop van de christelijke geschiedenis heel moeilijk gehad. Voor authentieke ervaringen kwam steeds minder plaats, mystici werden met wantrouwen bejegend en de gnostici werden met het zwaard uitgeroeid, zoals de trieste geschiedenis van de Katharen ons laat zien.
De Lichtkracht die vrijkwam bij de oerknal is geïmplodeerd en heeft zich tijdelijk teruggetrokken in de kern. Velen hebben hem in de loop der geschiedenis ervaren in hun eigen hart… Meester Eckhart, Christiaan Rosencreutz, Jacob Böhme, William Blake, om er maar enkele te noemen, hebben de herinnering eraan wakker gehouden. Die stille kracht zal zich andermaal ontvouwen en tot een nieuwe impuls, een explosie, leiden. Om de doodeenvoudige reden dat de mens nog niet ‘af’ is.’
Jacob Slavenburg, De oerknal van het christendom

 

‘Na de waarheid aan de vijf bhiksjoe’s te hebben getoond, sprak Boeddha: ‘Zo een mens, die besloten heeft de waarheid te gehoorzamen, alleen staat, kan de waarheid in hem zwak zijn en kan hij in zijn oude paden terugglijden. Houdt u daarom te zamen, staat elkander bij en versterkt elkanders pogingen.
Weest als broeders tot elkaar; één in liefde, één in heiligheid, en één in uw ijver voor de waarheid. Verbreidt de waarheid en predikt de leer in alle delen der wereld, zodat ten laatste alle levende schepselen burgers van het koninkrijk der gerechtigheid zullen zijn.
Dit is de heilige broederschap; dit is de kerk van Boeddha; dit is de sangha, die een gemeenschap vestigt tussen allen, die hun heil hebben gezocht in Boeddha.’
Paul Carus, Het Evangelie van Boeddha

 

‘De godsdienst van de troostende en reinigende Geest, die even oud is als de smart en het kwaad, waarvan zij de wonden wil genezen, gaat terug tot de eerste dagen van de wereld. Vóór Christus, aan wie zij als de dageraad voorafging, wierp zij haar stralen over de Brahmanen van India, de magiërs van Perzië, de Essenen van Judea en bij de Grieken over Pythagoras en Plato. Na Christus, alsmede alle gnostici, vloeit zij voort uit Plato wat betreft het denken en uit Pythagoras wat betreft de wijsheid van het hart. Aldus bewaart zij in het oosten, vanuit den hoge, haar maagdelijke straling: een hemelse straling in een Griekse lamp’.
Geïnspireerd vanuit Alexandrië, onderscheidt de zuivere godsdienst van de Geest zich van het neoplatonisme door alle mythologieën, alle tradities van Orpheus, Homerus en de Olympus te verwerpen, om zich door Johannes met Christus te verbinden! … Zij maakt zich los van de christelijke stam door de moedertak van Johannes te volgen, en vormt een waarachtig christendom door het scheppende dogma van de parakleet.’
Antoine Gadal, De triomf van de universele Gnosis

 

‘Wat is weinig? Wat is veel?
Ze zijn maar betrekkelijk.
Houd niet halsstarrig vast aan een doel,
Want dat verwijdert je van de Tao.’
Kristofer Schipper, Zhuang Zi, de volledige geschriften

 

‘Betekent dat dat wij de goddelijke essentie zullen bereiken en met Hem zullen samensmelten?’
‘Helemaal niet. Het christendom is geen pantheïstische filosofie waarin de individuele ziel samenvalt met de natuur of de ziel van de wereld. God zal, in zijn essentie, altijd onbereikbaar blijven voor de mens. Als wij God al kunnen kennen, naar hem kunnen verlangen en ons met hem verenigen, is dat in zijn energie.’
‘Wat wilt u daarmee zeggen?’
‘God is de Volkomen-Andere. In de diepte van zijn mysterie kan hij alleen door zichzelf worden gekend. Maar bewogen door de liefde, heeft deze absoluut transcendente God uit zichzelf willen komen, zich willen verspreiden, zich willen manifesteren en zich willen geven in de deelneming aan de wezens die hij vrijelijk tot leven heeft gebracht en die alleen in hem en door hem bestaan.
Die uitstraling van de essentie van God, die energie, vormt het beginsel en de voltooiing van de schepping. Alle levende wezens geschapen naar het beeld van God, dus begiftigd met rede en wilskracht, zijn voorbestemd in vrijheid deel te nemen aan de goddelijke emanatie en om vergoddelijkt te worden. Die vergoddelijking is echter een deelnemen aan het goddelijk leven dat het anders-zijn van God en de mens behoudt. Het is geen versmelting of absorptie. Dat is nu de subtiliteit van de christelijke leer, die zo weinig bekend is, of zo slecht begrepen wordt.’
Frédéric Lenoir, Het orakel van de maan

 

‘Streeft en strijdt, mijn geliefden, opdat ge schone paarlen zult worden, en door de duikers van het Licht ten hemel wordt geleid, zodat gij in een eeuwig Leven vrede zult mogen vinden.’
Christa Siegert, Mani’s Lichtschat

KOSMOS

‘De macrokosmos, de alopenbaring, duurt eeuwig. Ieder verschijnsel daarin zal wellicht aan verandering en wijziging onderhevig zijn, maar deze verandering of wijziging zal nooit terugkeren tot een aanvankelijk beginpunt. Er is daarin geen sprake van een van voren af aan beginnen, zoals wij dat ontdekken in ons beperkte levensgebied.
De alopenbaring progresseert, evolueert. Iedere wijziging is daarin een voortgang, een verbetering, een stijgen op een trap die voert tot een al hoger, al wijder. Alleen in de eeuwigheid is evolutie. Er is hierin kennelijk sprake van een onbekende wet, een absoluut goddelijke wet, een ons onbekende natuurwet, die geen wielwentelingen kent, maar spiralengang.
Een natuurwet stelt een orde, een samenhang van aanzichten en werkingen. Als men die orde bestudeert, de samenhang van de verschillende processen kent en daaraan voldoet, dan gaat die orde leven, dan wordt zij werkzaam. Als men zulk een orde binnengaat, door aan de wet van die orde te voldoen, gaat men deel uitmaken van die andere wet en verlaat men het systeem van de oude wet.
Als u dit begrijpt, is het duidelijk dat men onmiddellijk in elke staat-van-zijn van de ene natuurwet en haar orde in de andere kan overgaan en derhalve existentieel, in een fractie van een seconde, de eeuwigheid in de tijd kan ervaren. Dat is: uit het tijd-ruimtelijke in het eeuwige overgaan.’
J. van Rijckenborgh, De Egyptische Oergnosis en Haar Roep in het Eeuwige Nú

 

‘Toen Pymander dit gezegd had, vermengde hij zich voor mijn ogen met de Krachten. En ik, die nu met Kracht bekleed was, en onderricht over de aard van het Al en over het verheven visioen, dankte en prees de Vader aller dingen. Toen begon ik de mensen de schoonheid van het op-God-gerichte leven en van de Gnosis, de kennis die van en bij God is, te verkondigen:
‘O, volkeren, mensen die uit de aarde zijt geboren, en u aan de roes en de sluimer en aan de onwetendheid aangaande God hebt overgegeven, wordt toch nuchter, en houdt op u te wentelen in de liederlijkheid, betoverd als u bent door een dierlijke slaap.’
Toen zij dat hoorden, kwamen zij eenparig tot mij. En ik sprak verder: ‘O aard-geborenen, waarom heeft u zich aan de dood overgegeven, terwijl u macht hebt de onsterfelijkheid deelachtig te zijn? Komt tot inkeer, u die in dwaling wandelt, en de onwetendheid als leidsman hebt aanvaard! Bevrijdt u van het duistere licht, en neemt deel aan de onsterfelijkheid, door voor altijd afscheid te nemen van het verderf.’
Corpus Hermeticum eerste boek, vers 66-69

 

‘De ziel waar God in geboren zal gaan worden, moet zich zuiver houden en geheel en al uit zichzelf leven, geheel alleen en gans van binnen, en niet door de vijf zinnen uitgaan in de veelheid der schepselen, doch volledig van binnen en één zijn, in het reinste, edelste en zuiverste wat zij bezit.
Als de mens gewaar wordt dat de geest Gods niet in hem werkt, is het nodig dat de uiterlijke mens zich gewent aan de ware verinnerlijking en concentratie. Maar niet om zichzelf daaraan te goed te doen, maar opdat hij niet door het uiterlijke afgeleid en misleid wordt, doch zich veeleer zo dicht bij God ophoudt dat die hem vlakbij vindt wanneer Hij terug wil keren om Zijn werk in de ziel te volbrengen.
Wanneer de mens in zich de neiging tot de ware innerlijkheid bespeurt, laat hij dan moedig al het uiterlijke laten vallen – al waren het oefeningen waartoe hij zich door een gelofte verplicht had. Let meer op de vrucht en op de gezindheid, dan op het uiterlijke handelen. Verricht altijd datgene, wat u het dichtst bij de waarheid brengt.’
K.O. Schmidt, Meester Eckeharts weg tot kosmisch bewustzijn

 

‘In 1144 vertaalde Robert van Chester (hij is ook de eerste bekende vertaler van de Koran) voor het eerst een Arabisch werk over alchemie in het Latijn en introduceerde daarmee deze ars nova (nieuwe kunst) in Europa. Sindsdien is de alchemie niet meer weg te denken uit de traditie van West-Europa.
In de alchemie gaat het om verandering, bij voorkeur van onedele metalen in edele. ‘En alle dingen worden samengevlochten, en alle dingen worden opgelost, en alle dingen worden met elkaar gemengd, en alle dingen worden samengezet, en alle dingen worden weer uit elkaar gehaald’, zoals Zosimos het schrijft. En wanneer bijvoorbeeld in Dendera graan in goud veranderd werd, of bij het avondmaal wijn in bloed, dan gaat het in principe om dezelfde gebeurtenis.
Ook alle chemie is verandering, evenzo de moderne atoomsplitsing, waarbij ook volledig nieuwe elementen kunnen ontstaan en beslist bijzondere energieën nodig zijn. Maar de alchemie heeft daarbij nog een extra dimensie: zij zet mystieke ervaringen om in chemische taal en schetst daarmee een gnostische heilsweg naar de verlossing van de mens.’
Erich Hornung,  De verborgen kennis van het oude Egypte

 

‘Het religieuze leven van de mensheid cirkelt – al of niet expliciet – rond het uiteindelijke en ondoorgrondelijke numinosum [de huiveringwekkende ervaring opgenomen te zijn in iets groters dan ik-zelf-red.] dat op zijn minst in de theïstische religies op een bepaalde manier ‘God’ wordt genoemd. … In het bijbelse jodendom is er al in het begin sprake van dit bewustzijn van de onbeschrijfelijke heiligheid van het Aller-heiligste. … Karakteristiek voor kabbala is, dat hun vertegenwoordigers een fundamenteel onderscheid aanbrengen tussen het verborgene, het onverklaarbare van de verlichte ‘transcendente’ God enerzijds, en de ‘openbare’ God anderzijds. … Het begrip ‘En-Sof’ betekent dat God onvergelijkbaar is met alles wat men kent. … Met de tien Sefirot wordt de kloof overbrugd die er tussen de verborgen Godheid en de mensheid bestaat. De theorie over de Sefirot probeert te verklaren hoe de oneindige God zich verhoudt
tot iets eindigs en hoe de mens een niet zichtbare God kan kennen.’
Gerhard Wehr, Kabbala, joodse mystiek, een inleiding

 

‘De these van dit panpsychisme, die zegt dat alle dingen deel hebben aan een universeel bewustzijn, wil niet zeggen dat het soort bewustzijn dat ikzelf ervaar universeel zou zijn. Het betekent alleen dat de wortel en de potentiële mogelijkheden van het soort bewustzijn dat ik ervaar inherent zijn aan elk deeltje en atoom in de kosmos. Deze these zegt dat bewustzijn evolueert: bewustzijn neemt in complexe systemen complexe vormen aan. Het is een belangrijke these, aangezien zij het primaat van het stoffelijke aspect van de kosmos betwist. In laatste instantie dient de kosmos, zoals we in hoofdstuk 5 zullen bespreken, niet als louter materieel, noch als louter mentaal te worden gezien. We kunnen er het beste van uitgaan dat de kosmos zowel fundamentele stoffelijke als fundamentele geestelijke aspecten heeft.’
Ervin Laszlo, Bezielde kosmos

 

‘Het zijn de niet waarneembare en vluchtige virtuele fotonen, die de energie leveren om deze bladzijde bij elkaar te houden, zodat u dit kunt lezen. Als we overwegen dat de hele natuur in de wereld en de grote meerderheid van haar ruimte geactiveerd wordt door virtuele fotonen en als we daar het hele elektromagnetische spectrum van reële fotonen, die we met onze ogen kunnen zien of met instrumenten kunnen waarnemen, aan toevoegen, kunnen we dan niet zeggen dat alle elektromagnetisme in essentie bestaat uit fotonen, oftewel licht? … Het is in ieder geval juist dat licht, zoals we dat dagelijks kunnen zien in al zijn variaties van kleur en intensiteit – licht dat bestaat uit reële fotonen -, sinds het begin van het menselijk bewustzijn heeft gediend als een essentieel medium voor de spiritualiteit van de mens.
Verder is het licht gebruikt als een primaire getuige van de alomtegenwoordige vitaliteit van de natuur. Vandaag de dag associëren wij dat met de EMI. Anders gezegd, zonder ooit iets gehoord te hebben van elektromagnetisme, hebben mensen vanaf de vroegste tijden het licht gezien als een teken van de onderliggende en onzichtbare vibraties die ze voelden.’
Lawrence W. Fagg, Op de grens van geest en stof

 

‘Ik weet geloof ik waar het om draait. Het sleutelwoord in dit probleem is verandering. Verandering. Laat het goed tot je doordringen. Wij gaan eens kijken wat verandering impliceert. Stel, er is geen tijd. Er bestaat dus geen tijd. De tijd is altijd nul. Kan er dan wat veranderen of gebeuren? Nee, natuurlijk niet. Want voor een gebeurtenis of een verandering heb je altijd tijd nodig. Al is het maar een picoseconde.
Zelfs al heb je een bol van tijdlijnen, als de tijd op het middelpunt, nul, blijft staan dan kan er geen verandering zijn.
Okay?’
‘Nee, niet okay. Een bol van tijdlijnen. Dat moet je uitleggen.’
‘Ik bedoel dit. Grafisch wordt tijd gewoonlijk als een horizontale lijn uitgezet. Links bij het begin van de lijn is de tijd nul en hij loopt dan verder naar rechts langs de lijn. Een ééndimensionale tijd. Zo ervaren we dat ook. Er is maar één richting in de tijd en dat is steeds maar vooruit. We kunnen niet terug en we kunnen geen zijsprong maken. Maar je kunt je wel een voorstelling maken van meer dan één tijdlijn waarlangs veranderingen verlopen. Dus bijvoorbeeld zoals de stralen lopen uit het middelpunt van een bol. Al die stra-
len zijn tijdlijnen en wij bevinden ons op één ervan. Wij beleven de veranderingen op die ene tijdlijn. De veranderingen op al die andere tijdlijnen kennen wij niet. Als ze er al zijn natuurlijk.’
Dick Mesland, Het biologische misverstand

 

‘Evenals in het menselijke hoofd twee organen zijn om te horen, twee voor het gezicht en twee voor de reuk, maar slechts één voor de spraak en het tevergeefs zou zijn spraak van de oren of het horen van de ogen te verwachten, zo zijn er tijdperken geweest, die gezien hebben, andere, die gehoord hebben, weer andere die gesproken en geproefd hebben. Nu rest nog dat in korte tijd op gelijke wijze de tong eer zal ontvangen, en dat wat vroeger gezien, gehoord of geproefd is, ten slotte zal spreken, en, nadat zij de roes van haar giftige, bedwelmende beker zal hebben uitgeslapen, de wereld vroeg in de morgen en met geopend hart, ontbloot hoofd en ontschoeide voeten de opgaande zon vrolijk en jubelend tegemoet zal gaan.’
Confessio Fraternitatis 1615

 

‘Als in een spiegel des harten zie ik de geliefde, van wie zo veel ingewijden gesproken hebben. De wereld van de heilige andere wordt mij geopenbaard, als ogen die mij aanstaren. Ik zie hoe de rozenknop zeven bladeren heeft. Hoe het wonderatoom bestaat uit zeven atomen. En hoe dit zevengesternte op het machtige woord: ‘Er zij licht’ zal opengaan als een uitdijend heelal. Ik zie hoe deze zevenvoudige verstilde
openbaring omringd wordt in wijde omcirkeling door een eveneens latente dierenriem; een magnetische vuurkring.
En ik hoor in de heilige taal deze slapende, nog duistere dierenriem aanduiden als de troon, de goddelijke troon. En het zevenvoudige atoom, de zevenbladige roos, als de zeven heren voor de Troon. En ik zie hoe deze goddelijke microkosmos, die in mij besloten ligt en mij van alle zijden omringt, zeven velden van activiteit bezit. Hoe er zeven stralen zijn en zeven mogelijkheden en er zeven werken van wedergeboorte dienen te worden vervuld. Ik zie hoe kandelaar na kandelaar ontstoken kan worden en glanzen gaat met onzegbaar heerlijk licht.’
J. van Rijckenborgh, De gnostieke mysteriën van de Pistis Sophia

MENS

 

‘Indien ik daartoe waardig ben, ben ik-zelf de redelijke tempel van God. Jezus Christus, zijn zoon, is het levende beeld van een levende majesteit. Een door waarheid onderrichte ziel is zijn altaar. En de eerbewijzen en de offers die hem moeten worden gebracht, bestaan uitsluitend in eenvoudige en reine gebeden.’
Antoine Gadal, Op weg naar de Heilige Graal

 

‘Ik ben de Geest, die in der ziele diepte, in ieder wezen ondoorgrondelijk woont; het begin, het midden en het einde aller dingen, hun oorsprong, leven en hun ondergang. Leer nu van mij, o zoon van Khunti, hoe de volmaakte mens één is met Mij, het doel van alle wijsheid.
Wanneer geest en hart bevrijd zijn van begoocheling, verenigd met Brahma, wanneer de standvastige wil de zintuigen aan zich onderwerpt, wanneer hij afstand doet van wat gezien, gevoeld en gehoord wordt zonder spijt, zonder tegenzin, wanneer de mens afzondering zoekt, slechts weinig eet, zijn spreken beheerst, geest en lichaam beteugelt, altijd toegewijd aan de beschouwing van Brahma, de waarheid, en vol mededogen; wanneer hij ijdelheid en geweld, trots, begeerte en toorn en al zijn bezittingen van zich afwerpt, volkomen vrij van zelfzucht en vredig van hart, dan is die mens gereed voor eenheid met de Geest.’
Bhagavad Gita, Het lied des heren

 

‘Nadat de alleen-wijze en genadige God in deze laatste tijden zijn genade en zijn goedheid zo rijkelijk over het menselijk geslacht heeft uitgestort, dat het inzicht, zowel aangaande zijn zoon als met betrekking tot de natuur, meer en meer verdiept heeft, mogen wij met recht spreken van een gelukkige tijd, waarin hij ons niet alleen de helft van de onbekende en verborgen wereld heeft geopenbaard, en ons vele wonderbaarlijke en tevoren nimmer geziene werken en schepselen van de natuur heeft getoond, maar bovendien zeer verlichte, geniale mensen heeft doen opstaan, die de ontaarde en onvolkomen kunst ten dele weer hersteld hebben, opdat toch eindelijk de mens zijn adeldom en heerlijkheid zou inzien, en begrijpen om welke reden hij microkosmos wordt genoemd en hoever zijn kunst in de natuur reikt.’
Fama Fraternitatis R.C. 1614

‘Uit dit alles blijkt dat we in ons leven worden geleid door machten die we zelf niet kennen. Wat op je etherlichaam inwerkt, zijn vormen die je zelf vroeger op het astrale plan hebt voortgebracht. Wat je toekomstige lot beïnvloedt, zijn wezens, krachten in het hogere devachan die je daar zelf hebt ingeschreven in de akasha-kroniek. In de geesteswetenschap zijn deze wezens of krachten niet onbekend en ze zijn
in rang benoembaar naast andere soortgelijke wezens. We moeten ons realiseren dat we zowel in het astrale lichaam als in het etherlichaam en het fysieke lichaam steeds worden beïnvloed door andere wezens. Alles wat we onwillekeurig doen, alles waartoe we een innerlijke drang voelen, gebeurt doordat andere wezens op ons inwerken. Het gebeurt niet vanuit het niets. De verschillende menselijke wezensdelen worden voortdurend werkelijk doordrongen en vergezeld door andere wezens. Een groot aantal oefeningen die een
ingewijde leraar zijn leerlingen laat verrichten zijn bedoeld om deze wezens uit te drijven, opdat de mens steeds vrijer wordt.’
Rudolf Steiner, De theosofie van de Rozenkruisers

 

‘Heeft u uw hart en denken afgestemd op het grote denken en hart van de hele mensheid? Want het hart van hem ‘die de stroom zou willen ingaan’ moet worden geroerd door iedere zucht en gedachte van al wat leeft en ademt, zoals de bulderende stem van de heilige rivier wordt gevormd door alle geluiden van de natuur die daarin weerklinken.
Discipelen kan men vergelijken met de snaren van de vina waarin de ziel weerklinkt, de mensheid met haar klankbodem, de hand die haar bespeelt met de welluidende adem van de grote wereldziel. De snaar die onder de hand van de meester niet kan trillen in lieflijke harmonie met alle andere, springt – en wordt weggeworpen. Zo gaat het ook met het gezamenlijke denken van lanoe-sravaka’s. Dit moet worden afgestemd op het denken van de upadhyaya– één zijn met de overziel – of zich ervan losmaken.
Gewapend met de sleutel van welwillendheid, liefde en tedere barmhartigheid kunt u vol vertrouwen de poort van Danadoorgaan, de poort die aan het begin van het pad staat.’
H.P. Blavatsky, De stem van de stilte

‘Door Uranus leert u te ‘denken met het hart’, met andere woorden: uw chaotische gevoel te beheersen, zodat uw gevoelsleven als de ware Christussynthese, als de juiste uiting van het hart, niet meer zal wonden, deren en verscheuren, maar alles goed, rein en lieflijk zal maken, beheerst, gericht. Daarom beleven wij in onze dagen, als persoonlijke ervaring, de chaos in het gevoelsleven. Als een stormwind raast deze vertering ons wezen binnen, grijpt om zich heen, scheurend, trekkend, omverkegelend en de besten van ons grijpend ter beproeving. […]
Het is begrijpelijk dat zij die het krachtigst door Uranus worden beheerst, het eerst door deze negatieve Aquarius-werking worden gegrepen. Maar even duidelijk moet het worden geacht dat de vuurstorm van Aquarius niet mag culmineren in de chaos van het gevoelsleven. Volhardt men daarin, dan verkeert de aanvankelijk vermeende hemelvaart tot hellewerkelijkheid. Er is niet één onder ons die niet op de een of andere wijze deze beproeving heeft ondergaan, ondergaat, of haar nog zal ontmoeten. En het gaat erom of u
in deze beproeving zult overwinnen en worden wedergeboren tot de andere vuurstorm, de vuurstorm van Aquarius.’
J. van Rijckenborgh, De Belijdenis van de Broederschap van het Rozenkruis

 

‘We luisteren nauwelijks naar het geluid van een blaffende hond, het gehuil van een kind of het gelach van een voorbijganger. We snijden ons overal van af, en van dat isolement uit kijken en luisteren wij. Het is deze afgescheidenheid die zo verderfelijk is, want het is de bron van alle conflicten en verwarring. Als je in volledige stilte naar het geluid van die klokken zou luisteren zou je je er op kunnen voortbewegen
– liever gezegd, het geluid zou je meevoeren door het dal en over de heuvel. De schoonheid ervan kun je alleen maar voelen als jij en het geluid niet gescheiden zijn, als je er deel van bent. Meditatie is het beëindigen van de afgescheidenheid zonder daad van wil of verlangen. Meditatie staat niet los van het leven; het is de essentie van het leven zelf, de essentie van het dagelijks bestaan. Luisteren naar die klokken, het gelach van die boer als hij met zijn vrouw voorbij gaat, de fietsbel van het kleine meisje dat voorbij rijdt: het is de totaliteit van het leven, en niet slechts een fragment ervan, die meditatie voor ons opent.’
Krishnamurti, De mooiste meditaties

 

‘Er bestaat een universele taal die zich uitdrukt in muziek, symbolen en beelden. Zij richt zich niet in de eerste plaats tot het verstand maar vooral tot de ontwakende ziel in de mens. Zij is een draaggolf die schoonheid in de wereld brengt; een drang in de ene mens om iets te creëren dat de ander in het hart raakt. Met die taal drukt het Licht zich in de stof uit; schept de mens iets dat er nog niet was – nog niet in de stóf aanwezig was, moeten we eigenlijk zeggen.
In de twaalfde eeuw is de Perzische gnosticus Al Soehrawardi (1154-1191) een meester in deze taal! Hij vertelt op veel plaatsen hoe eens de menselijke zielen in de duisternis vielen en later weer naar hun Lichtvaderland kunnen terugkeren. Deze meester der verlichting zegt: ‘De Arabische gnosis in mijn Ischraq is prachtig,’ en terwijl hij dit zegt, straalt hij.
‘Maar nog mooier is de universaliteit van de Gnosis.’
‘Zeg Soehrawardi,’ zo fluisterde Gabriël hem in, ‘hoe kom jij eigenlijk aan die wijsheid?’
De taal van de ziel wordt gebezigd door allen, die ons opnieuw willen verbinden met het grote Licht, waaruit we zijn voortgekomen. De verlichten bezigen deze taal reeds als poëzie, ja als muziek. Men zegt dat aan het einde van de dagen de kinderen van het Licht voor hun schepper een volmaakt muziekstuk zullen spelen. Alle thema’s zullen zij op de juiste wijze ten gehore brengen, een volmaakte harmonie zal werkelijkheid zijn op het ogenblik dat zij klinken, want allen zullen dan volledig de bedoelingen van het Licht begrijpen, en elk zal de functie van de ander van harte kennen, zoals hijzelf gekend wordt.’
Tijdschrift pentagram 2008 nr 1 over de uitgave Het ruisen van Gabriëls vleugels

 

‘Ervaring moet dus meer zijn dan pure ondervinding, want proefondervindelijke gegevens zijn onvolkomen. En zoals de wetenschap van de perenboom van de perenboom blijft en niet aan de appelboom wordt gegeven, en net zoals de sleedoorn en de hondsroos ieder hun eigen wetenschap behouden, zo moet u het ook bij de mens begrijpen, dat God aan een ieder zijn wetenschap heeft gegeven. Daarom dient een ieder zijn eigen gave en wetenschap tot volledige ontplooiing te brengen en, zoals men in de alchemie zegt, tot de hoogste graad op te voeren. Dat wil zeggen, bij de boom moet er veel alchemie en wetenschap aan te pas komen, tot zijn vrucht helemaal ontwikkeld is.
Dit betekent dat als de mens het zaad van de wetenschap heeft, hij het moet laten ontkiemen om ook tot zijn volkomen oogst en herfst te komen, zodat zijn vruchten van hem afvallen als van een boom. Want er is een verschil tussen groeien, en het reine van het onreine scheiden. Wat voor de groei dient in de wetenschap, dat scheidt niets, alleen datgene wat volgroeid is, scheidt. En let wel, een ieder heeft zijn bijzondere aard, oftewel gave, waarmee hij geboren wordt.
Op basis van deze gave moet hij zichzelf ontwikkelen, zodat hij zijn eigen bestemming bereikt en zijn aangeboren wetenschap niet van andere schepsels leert. Want aan hem alleen is ze gegeven.’
Paracelsus, Artsen op dwaalwegen

 

‘Grappig genoeg bestaat er een heel simpel fysiologisch kenmerk van deze hersenharmonie [tussen het emotionele brein, gezeteld in het limbisch systeem en het cognitieve brein, gezeteld in de hersenschors], waarvan Darwin al meer dan een eeuw geleden de biologische grondslag heeft bestudeerd: de glimlach. Een onechte glimlach – een waartoe men zich verplicht voelt op grond van sociale overwegingen – stelt alleen de jukbeenspieren van het gezicht in werking, die de lippen optrekken en de tanden ontbloten. Een echte glimlach daarentegen stelt ook de spieren rondom de ogen in werking en deze kunnen niet naar willekeur, dat wil zeggen door het cognitieve brein worden samengetrokken. De opdracht daartoe moet komen uit het primitieve, diep weggescholen limbische systeem. Daarom liegen de ogen nooit…’
David Servan-Schreiber, Uw brein als medicijn

 

‘Vele, vele beelden werden ons op de verheven en lange weg door de hemelsferen getoond. Al deze beelden duiden op fundamentele geestelijke veranderingen van de ziel. Door het bewuste begrip van de wetmatigheden in hetInferno, het Purgatorioen nu in de hemelsferen kon de ziel tot diep inzicht komen. Tegelijk moest ze ook de aardse natuur van binnenuit bewust doorzien en procesmatig achter zich
laten. Dantes ziel is nu tot een ware hemelburger gerijpt.
Alles mondt op dit punt uit in onbegrensde eenvoud en klaarheid. Onderweg kwam dit alles hem weliswaar buitengewoon gecompliceerd voor. Zolang het begrip van de ziel fragmentarisch is, gelden de woorden van Beatrice: ‘Niet dat in zichzelf zij onrijpe dingen zijn, maar het gebrek ligt bij u zelven daar u nog ’t gezicht mist voor zo grote hoogte.’
Martin Zichner, De grote Levensspiraal

 

‘Eeuwenlang bloeide de overtuiging dat muziek een spiegel vormt voor de perfecte ordening die de schepper in zijn wereld heeft aangebracht. Het weten van deze perfecte wereld, waarin muziek, wiskunde en filosofie een geheel vormen, liggen volgens deze overtuiging ten grondslag aan het ontwerp van de kosmos. In de banen van de planeten en de muziek die zij voortbrengen zou de universele harmonie van de kosmos op de meest perfecte wijze tot uitdrukking komen. De leer van de harmonie der sferen, die al in de zesde eeuw voor Christus door Pythagoras werd geformuleerd, fungeerde tot ver in de zeventiende eeuw als een inspirerende factor in het denken over de kosmos en muziek. Deze bundel exploreert het harmonisch labyrint dat deze denkbeelden samen vormen.’
Jacomien Prins en Mariken Teeuwen (red.), Harmonisch labyrint; de muziek van de kosmos in de westerse wereld

‘Boven de apostelen zien we als voornaamste beeld dat van Christus in de zogeheten mandorla, een ovale figuur, ook bij andere culturen in het verleden als het ‘Wereldei’, als symbool van het gehele universum bedoeld. Die mandorla heeft dan, zoals ook hier, een verhouding tussen hoogte en breedte van de ovaal die nauwkeurig die van de Gulden Snede is.
De Christus houdt weer op dezelfde wijze als bij de middelste deuren van de westgevel van Amiens de twee armen in de houding van vierkant (linkerarm) en driehoek (rechterarm). Van beide handen zijn de vingers afgebroken, zodat een controle op de moduulmaat tussen de beide wijsvingers hier niet mogelijk is. Links en rechts van de Christus zijn de vier dieren afgebeeld, die in de Openbaring van Johannes voorkomen en waarvan de verklaring in het algemeen die van de symbolen van de vier evangelisten is.
Zeker is, dat ze in de Middeleeuwen ook de tekens waren van de vier voornaamste punten van de Dierenriem: de Leeuw en de Stier hebben we nog. Maar tevens vinden we aanwijzingen, dat er ook een relatie van de vier dieren mogeijk kan zijn met de vier elementen van Plato.’
M. Gout, Symboliek in kathedralenbouw

 

‘Zodra de tien uitvloeiingen van hemels licht in de deelhebbers aan de groep gestalte zullen aannemen en de onsterfelijke zielen aldus als ‘nieuw bewustzijn’ de leiding van het oude ik-bewustzijn kunnen overnemen, zullen in ieder de juiste talenten naar voren treden. Er zal geen sprake zijn van gelijkschakeling van talenten en vermogens en eigenschappen, zoals bijvoorbeeld in het dierenrijk het geval is. De vertegenwoordigers van een bepaalde diersoort zijn alle aan elkaar gelijk; zij zullen onder gelijke omstandigheden gelijk handelen. De entiteiten die deel uitmaken  van de ziele-mensheid zullen, onder het gemeenschappelijke bezit van uitzonderlijk hoge zielekwaliteit, blijk gaan geven van zeer uiteenlopende talenten, hoewel gericht op hetzelfde doel.’
Catharose de Petri, Zeven Stemmen Spreken

‘Wordt de individualiteit van een indigo-kind niet gerespecteerd, dan kan het uit de band springen. Iedere dag weer vinden er confrontaties plaats die alleen door de volwassene gewonnen kunnen worden als hij het kind met respect behandelt. Ouders en opvoeders lijken te worden uitgedaagd om zich eerst op hun eigen hogere innerlijke waarheid te bezinnen, om daarna vanuit deze visie met het kind tot overeenstemming te komen. Lukt dit, dan zullen ze snel merken dat ze goed met het kind overweg kunnen. … Indigo-kinderen leren op een volkomen andere manier dan wij; ze gebruiken hun totale hersencapaciteit bij het oplossen van vraagstukken, zonder dat ze zich bezig hoeven te houden met de details.
Deze kinderen twijfelen niet aan de juistheid van de antwoorden die als vanzelf bij ze opkomen. De weg die wij moeten afleggen om een bepaald resultaat te behalen kennen zij niet.
Deze kinderen proberen dit alles op veel verschillende wijzen aan ons te vertellen en onze aandacht hierop te vestigen…. En luisteren is een van de machtigste middelen die we tot onze beschikking hebben.’
Carolina Hehenkamp, Indigo-kinderen als geschenk en uitdaging

 

‘Men zegt wel dat God liefde is en dat liefde de bouwstof is van ons heelal. In de mythologie wordt liefde, Aphrodite, geboren uit de vaderkracht Zeus en uit de golven van de zee, uit een dochter van Oceanus. Liefde komt voort uit inzicht, het gevolg van levenservaring en waarheid.
Voordat een mens de liefde kan gebruiken, zal zijn ware essentie inzicht hebben voortgebracht, en verwerkelijkt hij dit inzicht in zijn dagelijkse praktijk. Zo wordt een mens waar. Liefde houdt door haar essentie twee aspecten in zich besloten: harmonie en verantwoordelijkheid. Zonder deze bestaat ze niet, en wie deze aspecten van de liefde wil bestuderen en toepassen moet dat niet op theoretische wijze doen. Draag harmonie uit en neem verantwoordelijkheid, moeilijker is het niet.’
Peter Huijs, Volmaakt Licht

‘Wie heeft te allen tijde Christus’ kerk het trouwst beleden? Het arme, verachte volk, dat om Christus’ wil zijn bloed vergoten heeft. Wie heeft de ware, reine, christelijke leer vervalst, haar overal aangevochten? De schriftgeleerden, pausen, kardinalen, bisschoppen en grote heren. Waarom volgde de wereld deze mensen? Omdat zij aanzienlijk waren en schitterden voor de wereld. Zo is de menselijke natuur. Wie heeft de geldzucht, afgoderij en bedrog van de paus in Duitsland uit de kerk verwijderd? Een arme, verachte monnik […]. Wat is nog verborgen? De juiste leer van Christus? Nee, maar de filosofie en de diepe oorsprong van God; de hemelse zaligheid, de openbaring van de schepping van de engelen, de gruwzame val van de duivel, door wie het boze ontstaan is, de schepping van deze wereld, de diepe oorzaak en het geheim van de mensen en alle schepselen in deze wereld […]. Dit zal in grote eenvoud en in nederigheid geopenbaard worden […] opdat de mensen de volkomenheid zouden aanschouwen en genieten, en in de reine en diepe en lichtende kennis van God zouden wonen. Daarom zal, voordat dit geschiedt, het morgenrood opgaan, waardoor men de komende dag tegemoet kan treden.’
Jakob Boehme, Aurora of morgenrood in opgang (1613)

 

‘Je moet niet weten’, zei hij, ‘je moet zijn.’ Daar liep ik nu even over te piekeren. Opeens kwam er een zekerheid bij me op: ‘Als men kan zijn valt het niet te ontgaan dat men het ook te weten komt.’
‘Dat is waar’, zei hij, ‘maar dit is een ander soort weten dan waar jij in de laatste tijd zo tuk op bent. Er is veel weten dat men kan verkrijgen onafhankelijk van het feit hoe men is, als de hersens maar goed zijn. Dat soort weten kan men in de opslagplaats van de hersenen samenproppen en er veel nut van ondervinden – en plezier aan beleven. Maar er is een weten, dat ontstaat doordat ons ‘zijn’ tot ons bewustzijn doordringt; in dit weten ligt een grote klaarte, die van een andere aard is dan de intellectuele. Deze klaarte lost geen
intellectuele raadsels op, evenmin als de helderheid van verstand ooit zal kunnen beantwoorden aan het onzegbare – en onontkoombare – wat de mensen onder ‘de eeuwige problemen’ verstaan.
Er is geen strijd tussen deze beide klaarten. Zij zijn als het schijnsel van zon en maan. Ja, zo is het, want ook al is de maan op haar helderst, zij zou uitdoven als de zon er niet was. Nee, er kan nooit strijd ontstaan tussen de helderheid van de gedachte en de innerlijke klaarte die uit het zijn voortkomt.’
‘Innerlijke klaarte’, zei ik, ‘soms denk ik dat ik die heb gekend – lang geleden.’
Johannes Anker Larsen, Olsens dwaasheid

‘Adam werd niet geschapen als geest, maar als een volmaakte geestmens. Door de zonde verloor hij zijn volmaaktheid, waardoor kwaad en de dood over zijn nageslacht kwam. De verzoener, die alles tot volmaaktheid zal brengen, zal de menselijke waardigheid op deze aarde herstellen, en alles wat de mens door Adam verloren heeft, zal hij door Christus hervinden. Het verstand zal door Christus wijsheid vinden,
het hart liefde, en de zelfwerkzaamheid de kracht van de geest Gods. Zo zullen gelukzaligheid, tevredenheid en vreugde tot de uitverkorenen van het mensdom komen en zal het rijk van wijsheid en liefde gegrondvest worden.’
Karl von Eckartshausen, Enkele woorden uit het binnenste

 

‘Wanneer het goddelijke zaad, de nucleus, in uw hartheiligdom ontkiemen gaat, dan breekt u door alle belemmeringen heen, door uw bestaanscirkel, door alle banden van bewustzijn, ziel en stof.’
Catharose de Petri, Transfiguratie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *