Overeenkomsten tussen christendom en boeddhisme volgens Fritjof Schuon in ‘De innerlijke eenheid van alle religies’

Het christendom staat in veel opzichten dichter bij het boeddhisme dan bij de islam, hoe vreemd dit ook moge klinken; bijna zou men het een ‘joods boeddhisme’ kunnen noemen, en het boeddhisme een ‘Indisch christendom’; en toch staat het boeddhisme zo ver af van de monotheïstische religies, dat men het gewoonlijk als een ‘atheïstische religie’ betitelt – een ongerijmdheid, die door de vooronderstellingen van het Semitische monotheïsme kan worden verklaard. In werkelijkheid neemt de leer van de Boeddha geen standpunt in tegenover het antropomorfe godsbegrip, zij gaat er stilzwijgend aan voorbij, omdat het datgene wat wij ‘God’ noemen in een heel ander verband ziet dan wij: God staat hier gelijk aan de ‘verwerkelijking’ van het goddelijke, en omdat God niet op het vlak van datgene wat voor ons ‘volheid‘ en ‘bestaan’ is, ‘verwerkelijkt‘ kan worden, is hij leegheid (Shunya) of uitdoven (Nirwana).

God verschijnt nooit als antropomorfe ‘Schepper’ of ‘Heer’, maar is ofwel ‘Niet-zijn’ ofwel ‘Boeddha’: de Boeddha is Niet-zijn dat mens geworden is, ‘Bovenzijn’, want het Nirwana is mens geworden, opdat de mens Nirwana zou worden; daarom verschijnt de Boeddha ook, evenals Christus – met bovenmenselijke trekken, is hij niet ‘gewoon mens’ zoals Mohammed, die binnen het islamitische wereldbeeld wel mens moest zijn, omdat dit wereldbeeld dat vereiste, overigens volgens een Arabische spreuk ‘niet als de (andere’ mensen, maar als een edelsteen tussen de stenen’.

Christus en de Boeddha traden niet op als wetgevers of krijgsheren, ze leefden niet in de huwelijkse staat, waren als het ware van het vlees der mensheid losgesneden, tenminste uiterlijk, want in werkelijkheid bevatte hun vlees de hele mensheid; hun rijk is ‘niet van deze wereld’. Hoewel hun leer op een of ander manier alle mogelijkheden van de geest moest bevatten, was ze a priori gebouwd op zelfverloochening; zij beschouwden het aardse vooral in zijn algemene, bij schepselen horende begrensdheid en niet-goddelijkheid; vandaar het belang van de vlucht uit de wereld, de kuisheid en de eenzaamheid van het monniken- en kluizenaarswezen.

Christendom en boeddhisme zijn beide uit een oudere religie voortgekomen, die in zekere zin als achterhaald moest worden beschouwd, en voortaan voor ketters moest worden gehouden, wat naar de vorm alleen maar juist kan zijn; zowel voor het christendom als voor het boeddhisme is de voorgaande religie symbolisch ‘dode letter’; de wet van Mozes wordt verlaten, evenals de Veda en het kastenstelsel.

De reden hiervoor is dat de beide nieuwe religies niet alleen uitsluitend de mystieke inhoud van de respectieve moederreligies weergeven, maar ook tot doel hebben deze inhoud toegankelijk te maken voor nieuwe delen van de mensheid; daarom moet de inhoud losgemaakt worden van de te strakke vormen, die alleen in het land van oorsprong betekenis hebben: de waarheid van de ene god en de Messias moet uit het omhulsel van de Mozaïsche wet getrokken worden; de waarheid van de bevrijding uit het lijden door het uitdoven van alle hartstocht moet het omhulsel van de brahmaanse wet verlaten, om vreemde, ingedommelde volkeren nieuw geestelijk leven te kunnen inblazen.

Jodendom en hindoeïsme beogen evenwicht, en binnen dit evenwicht zijn de wegen van de heiligheid met hun onvermijdelijke verbrekingen van evenwicht verborgen; christendom en boeddhisme daarentegen beogen in de allereerste plaats heiligheid, ze bekommeren zich niet om evenwicht op het aardse vlak, daar hun rijk ‘niet van deze wereld’ is, hun uiterlijke evenwicht ontlenen zij aan de al bestaande culturen, de Romeins-Griekse, de hindoeïstische of de Oost-Aziatische.

Zowel Christus als de Boeddha heeft zijn sporen in de moederreligie achtergelaten; de insnijding is in beide gevallen heel diep, maar tast nooit de organische samenhangen binnen de moederreligie aan, want deze blijft wat zij is, anders zou zij ophouden te zijn. De diaspora is niet de tijd van het rijk van Juda, maar is toch ook jodendom. Het hindoeïsme in nauwere zin is uiterlijk niet helemaal het preboeddhistische brahmanisme, maar is toch ook de rechtmatige vertegenwoordiger van de Vedische wet en geest en daarom ongebroken brahmanendom. Hier moeten we nog aan toevoegen dat het Oude Testament naar Christus verwijst en Christus gekomen is ‘om de wet te vervullen‘, en dat de Boeddha in het hindoeïsme als negende avatara van Vishnu beoogd is en door de brahmanen zo wordt beschouwd.

Maar de belangrijkste overeenkomst tussen beide religies is wel dat bij beide het esoterisme op de voorgrond staat, dat ze eigenlijk niets anders zijn dan onafhankelijk. ‘vormscheppend’ esoterisme, dat echter door zijn verbreiding een religie wordt en daarom naar buiten toe als exoterisme optreedt, zonder daarbij zijn innerlijke inhoud, die wel steeds bereikbaar blijft, te moeten verliezen.

Maar omdat het christendom van oorsprong een esoterisme is, gaan zijn dogma’s het doorsnee verstand te boven en moeten ze noodzakelijk als ‘mysteries‘ worden beschouwd; het boeddhisme kon het gevaar dat dit exoterisch mysteriëndom in zich draagt, vermijden door zich vanaf begin af aan in rationele vorm te kleden; vandaar het onjuiste verwijt dat het alleen maar filosofie zou zijn – een verwijt dat in zeker opzicht ook de islam zou kunnen treffen.

Bron: De innerlijke eenheid van de religies van Frithjof Schuon, vertaald door Paul Boersma

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *