Beschouwing 2

Mysteriën van de ziel, week 2

Ontstijgen aan de dualiteiten

 

2 boot

BESCHOUWING GEBASEERD OP SPIRITUELE TEKST 2

Als je op basis van grenzeloos gewaarzijn beseft dat de ziel vormloos en tijdloos is, en ervaart dat je bewustzijn een onthulling is van een grandioze werkelijkheid – aldoordringend en volmaakt – ontspruit daaruit nieuwe wording. Als ziel ben je geroepen om een schakel te zijn tussen de eenheid en de veelheid, een levende verbinding tussen hemel en aarde.

Het domein van de ziel wordt gekenmerkt door eenheid, vrijheid en liefde. Dat zijn geen ob-
jectieve eigenschappen, maar kwaliteiten die intens kunnen worden ervaren, want de wereld van de ziel is niet gelokaliseerd in ruimte en tijd, maar heeft betrekking op de levende ervaring waarin er geen onderscheid is tussen subject en object.

Bewust en met aandacht leven in het hier en nu – waakzaam zijn dus – draagt eraan bij dat de ziel wakker kan worden. Een andere klassieke en beproefde manier om de ziel te laten ontwaken en werkzaam te laten worden is om heilige teksten tot je te laten spreken en deze te overdenken.

Bij het interpreteren van heilige teksten kunnen gemakkelijk vergissingen worden gemaakt. Dat komt vooral omdat meestal verschillende soorten taal door elkaar worden gebruikt. Zo wordt
er wel onderscheid gemaakt tussen:

  1. beschrijvende taal, de zinnen geven letterlijk weer wat er wordt bedoeld, deze taal is meestal het gemakkelijkst te begrijpen;
  2. gesluierde taal, vaktaal (jargon) die ontwikkeld is om onderwerpen die niet zo concreet zijn te kunnen benoemen, en soms ook om diepe waarheden voor niet-begrijpenden te verbergen;
  3. mysterietaal, teksten of tekstgedeelten die vanuit hemelse ervaringsgebieden worden ontvangen en voor het logische verstand meestal onbegrijpelijk zijn totdat ze worden bevat vanuit  inzichten en krachten van spirituele tradities.

Ook speelt een belangrijke rol dat heilige teksten tot stand gekomen zijn binnen een bepaalde context: bestemd voor bepaalde mensen in een bepaalde tijd in een bepaald gebied in een bepaalde cultuur.

Over de koran wordt gezegd dat deze gegeven is door de engel Gabriël aan de profeet Mohammed, en dat dit boek vrijwel in één keer opgeschreven is. De evangeliën in de bijbel zijn waarschijnlijk voor een belangrijk deel geïnspireerd op mondelinge overleveringen.

De koran en de bijbel kunnen we zien als goddelijke openbaringen waarin universele waarheden zijn neergelegd. Dit zijn niet de enige openbaringen van de goddelijke werkelijkheid. Er zijn veel meer heilige geschriften uit allerlei culturen van langer of korter geleden. Het zou onverstandig zijn om de waarheid uitsluitend te zoeken in heilige geschriften. Als je het goddelijke gezag zo uitsluitend buiten jezelf zou plaatsen, zou je jezelf binden aan vormen die nooit volledig waar kunnen zijn, en ga je voorbij aan je innerlijke weten en eventuele goddelijke openbaring in het nu.

Het heilige onthult zich in niet alleen heilige geschriften, maar ook in de natuur en in de mens. De klassieke rozenkruisers uit de 17e eeuw spraken in dit verband over respectievelijk het boek T (van theos=god of testamentum=verbond), het boek M (van mundi=wereld) en het boek H (van homo=mens). De mens is in staat om al die drie boeken te lezen, dat wil zeggen door te dringen tot diepere werkelijkheden, tot andere dimensies om zo zijn innerlijke opdracht te kunnen vervullen.

In het verleden is veel narigheid ontstaan doordat heilige teksten uit hun context werden gehaald, werden geobjectiveerd en letterlijk werden geïnterpreteerd. Nog steeds heeft de mensheid te kampen met grote problemen die voortvloeien uit fundamentalisme en fanatisme op pseudo-religieus gebied. Gelukkig leidt fundamentalisme, dat is het letterlijk nemen van heilige teksten, lang niet altijd direct tot maatschappelijke moeilijkheden, maar het kan er wel aan bijdragen dat de ziel wordt ingekapseld en zich daardoor moeilijker kan manifesteren en ontwikkelen.

Om vergissingen bij de interpretatie van heilige teksten te voorkomen is het zinvol om duidingen niet alleen te toetsen aan het eigen innerlijk, maar vooral ook aan een authentieke spirituele traditie of, nog beter, aan meerdere spirituele tradities. Want binnen die kringen werd en wordt gebruik gemaakt van beproefde werkwijzen, en zijn ervaringen en bevindingen uitgebreid met elkaar gedeeld en vaak ook op schrift gesteld.

In hoofdstuk 1 van Ashtavakra’s zang staat een vers dat gemakkelijk verkeerd kan worden begrepen: ‘Je bent volkomen onafhankelijk, niets hoeft er te gebeuren; alle wijsheid draag je in je, in niets kom je tekort. Je bindt je slechts door in de verzonkenheid te zoeken naar bevrijding.’

Hier wordt gesproken tot de ziel. Die heeft inderdaad alle wijsheid in zich en die komt niets tekort. Sommigen leiden uit de bovenstaande tekst af dat ze bevrijd zijn als ze zich van de ziel bewust zijn en mindful in het leven staan. Dat leidt wel tot een bepaalde verlichting maar niet tot de opstanding van de innerlijke mens waarover geschreven staat in heilige geschriften en die is toegelicht in de online modules Spirituele Pasen en Pinksteren.

De opstanding van de innerlijke mens is het resultaat van een herschepping die zich volkomen natuurlijk voltrekt, want herschepping als zodanig heeft niets met ruimte en tijd te maken. Toch vraagt het gaan van een spirituele weg een aanzienlijke hoeveelheid tijd en aandacht. Dat komt omdat het opheffen van belemmerende conditioneringen tijd kost. Als die barrières zijn verdwenen, vindt herschepping vanzelf plaats. Dit is vergelijkbaar met een blok hout dat op de bodem van een diep meer verborgen ligt onder een grote hoop keien. Het blok heeft de natuurlijke neiging om naar het wateroppervlak te stijgen vanwege de lagere dichtheid, maar kan dat pas als alle keien boven het houtblok zijn verwijderd.

Volgens meerdere authentieke tradities ontstaat er een innerlijke strijd als de ziel ontwaakt. En het vereist heel veel aandacht, energie, tijd en uithoudingsvermogen om die strijd te winnen ten gunste van de ziel. Binnen de islam wordt in dit verband gesproken over jihad. Dit begrip wordt nogal eens ten onrechte vertaald en begrepen als heilige oorlog met geweld. In werkelijkheid verwijst het woord jihad naar het streven en het worstelen om het goede te doen, om te leven in overeenstemming met de wil van Allah.

Mindful en heartful leven is slechts een begin op het spirituele pad. Op de gnostieke weg wordt er op basis van gewaarzijn, een ontvankelijkheid voor het heilige en door innerlijke verheffing, geleidelijk een persoonlijk, lichtend, tweevoudig zielekleed geweven: eerst het lichtende gewaad van de ziel – dat veelal wordt gesymboliseerd door het pentagram of de vijfpuntige ster – en daarna ook de gouden mantel van de geestziel.

Hoofdstuk 3 van het boekje ‘Vermaning van de ziel’, dat wordt toegeschreven aan de legendarische Egyptische wijze met de naam Hermes Trismegistus, lijkt in eerste instantie misschien klip en klaar. Voor de succesvolle ondernemer die alles heeft bereikt wat
hij of zij wilde en voor de loyale medewerker die jarenlang aan de ratrace van de prestatiemaatschappij heeft meegedaan en nu lijdt aan burnout, zijn de volgende eeuwenoude woorden misschien een feest van herkenning en een bron van bemoediging.

Hoe lang nog, o ziel, zullen onbevredigende verlangens naar de zintuiglijke wereld nog vat op u hebben, vluchtend van de ene sensatie naar de andere, van heet naar koud, van koud naar heet, van honger naar verzadiging, van verzadiging naar honger.  Zolang ge afhankelijk zijt van de stoffelijke dingen, is het niet te bevredigen verlangen ernaar uw lot. Eenmaal in uw bezit, is er de kwelling ze te verliezen. Als ze u ontnomen worden, is de kwelling voorbij, maar knaagt verdriet en spijt om het verlies. Leg daarom af, o ziel, wat deze pijn en verdriet veroorzaakt. Heb geen spijt dat ge zodoende verdriet, zorg, vrees en pijn ten gevolge van onbevredigende verlangens verlaat. Erger u niet langer dat ge, aldus bevredigd, vrij van angst en blij wordt.

Deze tekst is duidelijk bedoeld om mensen die de beperkingen hebben ervaren van een leven dat uitsluitend gericht is op de zintuiglijk waarneembare wereld te stuwen tot hoger leven, tot het leven van de ziel. Het risico bestaat dat die mensen de fascinatie voor de zintuiglijke wereld gaan verruilen voor een fascinatie voor de wereld van de ziel omdat ze zo snel mogelijk bevrijd willen worden uit het aardse leven, dat ze ervaren als een tranendal.

Dat is een zeer begrijpelijke maar ook zelfzuchtige gedachte die niet in overeenstemming is met de spirituele opdracht van de mens om een levende verbinding te zijn tussen hemel en aarde. Als je uitsluitend gericht bent op de aarde, leef je symbolisch gezien in duisternis en vorm je geen verbinding tussen hemel en aarde. Als je voornamelijk gefocust bent op de hemel – of op dat waarvan je denkt dat het de hemel is, maar het niet is – negeer je de aardse werkelijkheid en kun je ook geen brug zijn tussen aarde en hemel.

Klassieke heilige teksten zijn soms ongenuanceerd omdat ze bedoeld zijn om mensen te stuwen tot innerlijke vernieuwing, tot werkelijk zieleleven. Daarvoor is het nodig dat belemmerende conditioneringen, die in het verleden mogelijk waardevol waren maar nu niet meer functioneel zijn, worden opgebroken zodat er vernieuwingen plaatsvinden die zich uiteindelijk ook manifesteren in de cellen van het stoffelijke lichaam.

Ons verstand is in deze 21e eeuw aanzienlijk verder ontwikkeld dan het verstand van onze voorouders. De Nieuw-Zeelandse psycholoog James Flynn stelde vast dat de gemiddelde scores op intelligentietesten in de afgelopen honderd jaar steeds gestegen zijn. Hij schrijft dat met name toe aan het alsmaar complexer worden van de samenleving waardoor het belang van abstract denken geleidelijk groter is geworden.

Nu onze cognitieve vermogens aanzienlijk zijn toegenomen doen we er goed aan om heilige teksten te interpreteren met gevoel voor nuance en vanuit innerlijk begrip. Zo zou het bijvoor-
beeld dwaas zijn om de materiële werkelijkheid te beschouwen als een illusie, zoals dat wordt gesuggereerd in de teksten van Ashtavakra en Hermes. Wie vindt dat de materie niet reëel is, moet maar eens proberen om door een dichte deur te lopen.

De materie als zodanig is geen illusie – ook al verandert zij steeds van vorm – maar wij leven in illusie, als wij de zintuiglijk waarneembare wereld, en vormen in het algemeen, beschouwen als de enige werkelijkheid, en daar helemaal in opgaan, zoals de geketenden in de allegorie van de grot van Plato de bewegende schaduwen op de rotswand beschouwen als de enige realiteit.

Hermes Trismegistus is, zwak uitgedrukt, niet lovend over de mens die uitsluitend gericht is op het najagen van aardse genoegens. In ‘Vermaning van de ziel’ zegt hij:

Hij die onbevredigde verlangens verkiest boven rust is een dwaas; een dwaas gaat op dwaalwegen en hij die dwaalwegen volgt, loopt zijn ondergang tegemoet.

Deze spreuk is weliswaar heel helder, maar er zitten wel wat angels in. Getuigt het van zielekwaliteit om een medemens die onbevredigde verlangens najaagt omdat hij niet anders kan uit te maken voor dwaas? Nee toch? De uitspraak is gemakkelijker te accepteren wanneer het hier iemand betreft die van binnenuit wéét, iemand in wie de ziel is ontwaakt en die alle mogelijkheden heeft om dwaalwegen te vermijden, maar ze toch doelbewust gaat.

Is rust echt te verkiezen boven het najagen van onbevredigde verlangens? Verlangens najagen levert in ieder geval nog ervaring op en rust leidt tot stagnatie: rust roest. Het heeft geen zin om je af te sluiten om valse rust te verkrijgen. Het aardse leven moet geleefd worden.

Dit betekent dat het onjuist is om rust hier te zien als een synoniem voor passiviteit; het gaat hier om harmonie. De zielemens is niet passief, hij is harmonisch omdat er evenwicht is tussen
activiteit en passiviteit, tussen inademen en uitademen. De rust die hier genoemd wordt heeft betrekking op de zijnstoestand die Ashtavakra ‘gewaarzijnsrust’ noemt en die er kan zijn in serene stilte, maar ook in grote drukte. Ashtavakra zegt: ‘Vereenzelvig niets met vorm, en vestig jouw gewaarzijnsrust. Je zult je innerlijk verheugen, blijvend vredig, van waan bevrijd.’

We hebben allemaal dwaalwegen gevolgd, en die hebben ervaringen opgeleverd die lang niet altijd prettig waren, maar ons wel hebben gevormd tot degene die we nu zijn: de persoon die zich nu verdiept in de mysteriën van de ziel. Dwaalwegen worden dus niet alleen gegaan door dwazen en leiden gelukkig niet allemaal naar de ondergang. Bovendien kunnen dwazen, als zij hun dwaasheid inzien, worden getransformeerd tot verlichte wijzen.

De tekst van Hermes Trismegistus spreekt direct tot de ziel en maakt duidelijk onderscheid tussen twee levensvelden. Aan de ziel wordt gevraagd een keuze te maken om zo innerlijk vrij te komen van de wereld waarin alles zich volgens onze ervaring beweegt tussen polariteiten. Als mens hebben we tegenstellingen nodig om bewust te worden, want we kunnen ons alleen bewust zijn van verschillen, van onderscheid. En als we het zwaard van onderscheidingsvermogen kunnen hanteren – dat is het geschenk dat we ontvangen na talloze doorleefde ervaringen, de diamant die ijzer klieven kan – spreekt de innerlijke meester tot ons:

De stoffelijke wereld beneden, o ziel, is het verblijf van onbevredigd verlangen, van vrees, ontwaarding en droefenis. Boven is de wereld van de geest, van rust, ontoegankelijk voor angst, getuigende van hoge waardigheid en blijdschap. Beide werelden hebt ge gezien, in beide werelden hebt ge geleefd. Maak nu een keuze in overeenstemming met uw ervaring. In beide kunt ge wonen, door geen van beide zult ge worden uitgeworpen of verwaarloosd. Maar het is voor een mens onmogelijk tegelijkertijd gekweld te worden door onbevredigende verlangens én in rust te zijn, verheven te zijn, én ontaard, verheugd te zijn én verdrietig. In de mens kan de liefde voor deze wereld en de liefde voor een andere wereld niet verenigd worden. Dat is onmogelijk.

Ook hier is innerlijk begrip essentieel. Er staat dat de liefde voor deze wereld en de liefde voor de wereld van de geest niet verenigd kunnen worden. Is dat niet in strijd met de opdracht om alles en iedereen lief te hebben in bovenpersoonlijke zin? En is dit wel in overeenstemming met de roeping van de innerlijke mens om een levende verbinding te zijn tussen deze wereld en de wereld van de geest? Werkelijke liefde sluit toch niets en niemand uit?

Met de uitdrukking ‘liefde voor deze wereld’ wordt dus blijkbaar ‘fascinatie voor deze wereld’ en ‘gehechtheid aan deze wereld’ bedoeld. Die fascinatie en die gehechtheid moeten verdwijnen zodat de mens kan wonen in ‘de wereld boven’ en tegelijkertijd vol kennis, liefde en daadkracht kan werken in ‘de wereld beneden’. Die mens is dan een levende verbinding. Die mens is als een boom die stevig geworteld is in de aarde en tegelijkertijd zijn kroon uitstrekt tot in de hemel.

De mens kan een levende verbinding zijn tussen de zintuiglijke wereld en de goddelijke wereld als hij in symbolische zin het water van de steeds veranderende vormwerelden is overgestoken. Het volgende tekstgedeelte van Hermes kan ons inzicht en hoop schenken en ons inspireren om innerlijk te ontstijgen aan dualiteiten en te komen tot gewaarzijnsrust vanuit de non-dualiteit of eenheid.

Zolang een boot op het water drijft, is hij niet stil of in rust. Als hij op een bepaald moment stil is, is het slechts bij toeval. Even later begint het water echter wederom alles op het oppervlak heen en weer te schudden.  

De boot komt slechts dan tot rust als hij uit het water aan het land getrokken wordt. Dat is de plaats waar hij vandaan komt en die in dichtheid en gewicht gelijk is aan de boot. Dan en niet eerder is hij waarlijk tot rust gekomen. Evenzo kan de ziel, zolang zij nog verbonden is met de deiningen van de stoffelijke wereld, niet stil zijn of maar even tot rust komen. Maar als zij terugkeert tot haar bron en wortel, dan is zij stil en in rust. Dan is zij vrij van ellende, vernedering en dwaling in het land van het vreemdelingschap.

12 gedachten over “Beschouwing 2

  1. Miomi Pront

    Maar als zij terugkeert tot haar bron en wortel, dan is zij stil en in rust. Dan is zij vrij van ellende, vernedering en dwaling in het land van het vreemdelingschap.

    ik wankel en schud..
    hou me staande in de boot
    vele zeeën bevaren, vaak in grote nood
    weeklagend van verlangen naar het einde van de strijd
    dan voorbij angst en bange, ander inzichten bereid
    in verloren besef van kennis, drijvend op innerlijk kompas
    straks rust ik in de Stilte, kijk terug op
    waar ik dood in Leven was..

    Reageren
    1. André de Boer

      Dank voor het delen van dit gedicht Miomi.
      De worsteling van de ziel wordt er treffend in verwoord.
      Mooi dat er ook naast moeite en verdriet ook vertrouwen en doorzettingsvermogen in doorklinkt.
      De ik-figuur geeft gehoor aan de oproep ‘Ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de dood’.
      Die slaap wordt in dit gedicht niet ervaren als een serene vredige toestand, eerder als een nachtmerrie.
      Gelukkig is de ik-figuur hoopvol en is er het inzicht dat de benarde situatie slechts tijdelijk is, dat de pijn van de geboorte van de nieuwe ziel onvermijdelijk is, en dat de overwinning die leidt tot de Stilte zeker is.

      Reageren
  2. Jes Jespers

    Identificatie met wat er letterlijk in de Koran of welke heilige boeken dan ook staat brengt nog steeds heel veel pijn en ellende in de wereld. Het verloopt geheel volgens het gezegde ‘ De meester in zijn wijsheid gist, de leerling in zijn waan beslist’ en de leerling handelt overeenkomstig zijn waan.

    Een boek als de Koran uit je hoofd leren en kennen bewijst dat je een uitstekend getraind geheugen hebt en je je een zekere geleerdheid eigen hebt gemaakt, doch voor echt begrijpen en daarmee wijsheid is nodig die kennis naast met je hoofd ook met je hart en met je lijf beleefd te hebben en zo oordeelsvrij in het leven te kunnen komen staan.

    Pas op rijpere leeftijd en terugkijkend kan je inzien dat er meer niveaus van begrijpen zijn. Zo zijn 9 van de 10 geboden overbodig als je het 1e gebod echt begrepen hebt. Voor mij ging de bijbel een levend boek te worden toen ik er 3 niveaus van begrijpen in meende te kunnen ontwaren. De bijbel met al zijn wonderen letterlijk nemen was het niveau waarmee ik was opgegroeid en dit maakte dat de bijbel ook ongeloofwaardig werd naarmate ik minder naïef werd.

    Veel later ging ik de letterlijke betekenis associëren met het begrijpen op het niveau van steen. Een hoger begrijpen werd het niveau van water en het hoogste was het niveau van wijn.

    De 10 geboden waren stenen tafelen, Farizeërs werden vergeleken met stenen graven, mensen werden gestenigd, met de letterlijke betekenis om de oren geslagen, Mozes sloeg met een stok op de rotsen (menselijke geest) en er kwam water uit, het dopen met water en Jezus die over de wateren liep.

    De apotheose het verhaal van de bruiloft van Kanaän, stenen kruiken met daarin water en het transformatieproces dat het wijn werd waarmee door het huwelijk een eind aan de dualiteit gemaakt werd. Daarnaast speelt nog heel veel andere symboliek, het onbevlekt, maagdelijk zijn aan wat voor mij synoniem aan de ontvankelijkheid bij het arm van geest geworden zijn zou kunnen betekenen. Verhalen die je geest verrijken en je gelijktijdig ook ‘minder doen worden’.

    Reageren
  3. Geronimo

    De boodschap van Hermes komt neer dat de mens zich dient te onthechten; hij dient een Farao te worden. Farao’s worden afgebeeld met een getordeerd bovenlijf hetgeen wil zeggen dat hij het lagere van het hogere heeft gescheiden; het hoofd en -profiel, dat hij het geheim van het verloren woord zal bewaren op straffe van dat het hoofd van de romp zal worden gescheiden, maar met het oog en-face, het Alziend oog, waarmee hij de status van het zuivere bewustzijn heeft bereikt.

    Op sommige schilderingen zijn tientallen onthoofden aan zijn voeten weergegeven ten teken dat hij zich van al zijn ondeugden heeft ontdaan. Op zijn voorhoofd prijkt als bij het dodenmasker van Toetanchamon een slang; de dubbele slang van de tweevoudigheid is eenvoudig geworden. Naast de slang is ook een gier afgebeeld ten teken dat al wat niet goddelijk is, verorberd en vernietigd is. Analoog aan Asthtavakra.

    De schizis van het innerlijk instrument, de mind, is overbrugd; mindfulness is mindlessness geworden. No mind, no problem, zegt Ramaji. De illusie van de wereld der objecten is doorzien. Immers in de droom wordt de ‘zachte’ werkelijkheid als heel reëel ervaren; zo is de ‘harde’ werkelijkheid eveneens een droom.

    De illusie van Maya wijst echter op het onderscheid tussen wat goddelijk (blijvend) en niet goddelijk (tijdelijk, illusoir) is. Het zwabberende hout in de woelige baren is met Wijsheid en Kracht naar de diepte van de Stilte, de Schoonheid, geleid en met zware keien verankerd. Immers, het gaan van de spirituele weg kost inderdaad veel tijd, aandacht en inspanning en de confrontatie met de donkere nacht van de ziel kan leiden tot recidief.

    Maar eer het zover is, dient de mens de stap van de Farao te nemen en als de pelgrim van Jeroen Bosch hinkend op een schoen en een slof de cirkelgang te ondernemen om te eindigen daar waar hij altijd al was bij de Vader van de verloren zoon; en bij Solveig (de weg naar de zon), de vrouw die blijft wachten op de terugkomst van haar geliefde Peer Gynt.

    Reageren
    1. André de Boer

      Geronimo, dank voor deze diepzinnige bijdrage waarin je diverse aspecten van het spirituele pad aanduidt met een verscheidenheid van oeroude symbolen. Voor mij blijkt daaruit dat je begrijpt waar het om gaat. Ik zou me ook kunnen voorstellen dat er lezers zijn die de symboliek die je gebruikt niet direct kunnen plaatsen en er misschien zelfs wel een aversie tegen hebben.

      Diepzinnige verhalen en leringen uit oude culturen kunnen bijdragen aan een dieper begrip. Wel is het van belang steeds te beseffen dat deze primair bestemd waren voor mensen van toen en aansloten op hun belevingswereld.

      We kunnen inderdaad zeggen dat het de opdracht is van de innerlijke mens om een farao te worden, een heerser bij Gods genade in het eigen innerlijke koninkrijk die de dingen in de zintuiglijke wereld (gesymboliseerd door Egypte) zodanig organiseert dat geestziele-ontwikkeling mogelijk is.

      Die farao, die in ons tot ontwikkeling kan komen, kunnen we ook zien als één van de drie wijzen uit het Oosten die de pasgeboren Jezus (symbool voor de nieuwe ziel) te vereren. In hoofdstuk 15 van het boek Mysteriën en symbolen van de ziel wordt gesproken over de koning (dat is hetzelfde archetype als farao), de priester en de magiër. Een magiër is dan iemand die de hemelse gaven (maga) ontvangt als gevolg van zelfovergave aan het goddelijke.

      Het beeld van de onthoofding komt op ons gruwelijk over, maar is wel authentiek. Zo staat er in het het mysteriegeschrift De alchemische bruiloft van Christaan Rozenkruis (deel 2) bijvoorbeeld een verhaal over de onthoofding van drie koninklijke paren. Het verhaal uit Matteüs 14 over de onthoofding van Johannes de Doper kunnen symbolisch duiden als de opheffing van het oude, aardse, ik-gerichte denken.

      De symboliek van de onthoofding kan verwarrend zijn omdat er in de leerling van de ziel juist een eenheid tussen hart en hoofd tot ontwikkeling dient te komen. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat het denken verdwijnt, al kan tijdelijke ‘mind-emptyness’ (voor zover dat mogelijk is natuurlijk) in bepaalde gevallen zeker een therapeutische waarde hebben.

      Maar ‘mindlessness’ is niet iets dat we als mens en maatschappij moeten nastreven. Integendeel. Het gaat erom dat het denken vanuit innerlijk weten en een nieuwe bezieling zijn natuurlijke plaats krijgt, en als zodanig wordt ingezet als instrument. En ook dat het denken zich verheft tot een hoger niveau zodat de mens werkelijk de manas (=denker) wordt.

      Veel mensen associëren het symbool van het alziend oog met duivelse praktijken en complottheorieën. Dat is begrijpelijk omdat er van dit symbool, evenals van vrijwel alle oorspronkelijk zuivere symbolen, misbruik is gemaakt. Op macrokosmisch niveau kan het alziend oog worden beschouwd als de goddelijke drie-eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest (of Osiris, Horus en Isis om het even Egyptisch te houden), of als de drievoudige logos die er een weerspiegeling van is. Op het niveau van de mens, de microkosmos, kan het worden beschouwd als het ontwaakte zielecentrum in de open ruimte achter het voorhoofdsbeen dat ook wel wordt aangeduid als het oog van Dangma en de verzegeling op het voorhoofd (Openbaring 7:3)

      Het beeld van het zwabberende hout in de woelige baren en de verankering met keien dat jij beschrijft is tegengesteld aan het beeld dat in de beschouwing staat, maar is desalniettemin volkomen juist. Het gaat hier niet om een tegenstelling, maar om een paradox, een schijnbare tegenstrijdigheid. De metafoor in de beschouwing gaat uit van het perspectief van bevrijding uit een benauwde en zeer ingeperkte werkelijkheid, terwijl jouw metafoor het innerlijk tot rust komen als uitgangspunt heeft. Dit geeft aan dat symbolen op meerdere manieren juist kunnen worden begrepen, en ook dat het belangrijk is om aandacht te schenken aan de context.

      De donkere nacht van de ziel en het gevaar van recidief bespreken we in beschouwing 8.

      Reageren
  4. Geronimo

    Dank voor het uitvoerige commentaar.
    De literatuur waarnaar wordt verwezen, zal ik raadplegen.
    Ga zo door met de nobele arbeid met Wijsheid, Kracht en Schoonheid !

    Reageren
  5. Gijs Bos

    Beste André,

    Wanneer ik de 2e spirituele tekst naast jouw beschouwing leg, dan concludeer ik dat ze nogal van elkaar verschillen.

    Het gaat in de tekst onder meer om de verhouding tussen de stoffelijke en de onstoffelijke wereld.
    De spirituele tekst stelt dat er een keuze tussen deze twee werelden gemaakt moet worden:

    De stoffelijke wereld beneden, o ziel, is het verblijf van onbevredigd verlangen, van vrees, ontwaarding en droefenis. Boven is de wereld van de geest, van rust, ontoegankelijk voor angst, getuigende van hoge waardigheid en blijdschap. Beide werelden hebt ge gezien, in beide werelden hebt ge geleefd, maak nu een keuze in overeenstemming met uw ervaring.

    In jouw beschouwing stel je:

    Het heeft geen zin om je af te sluiten om valse rust (in de geestelijke wereld) te verkrijgen. Het aardse leven moet geleefd worden” en: “Is de onverenigbaarheid van liefde voor deze wereld en de wereld van de geest niet in strijd met de opdracht om alles en iedereen lief te hebben in bovenpersoonlijke zin? En is dit wel in overeenstemming met de roeping van de innerlijke mens om een levende verbinding te zijn tussen deze wereld en de wereld van de geest? Werkelijke liefde sluit toch niets en niemand uit?

    Graag je aandacht voor een aantal vragen over deze twee werelden die al brainstormend in mij opkwamen toen ik de tekst en jouw beschouwing las.

    Wat wordt precies bedoeld met de stoffelijke, zintuiglijk waarneembare wereld? Gaat het om het bestaan hierop aarde van geboorte tot dood en is de geestelijke wereld wat daarna komt, of kun je ook in die geestelijke wereld verblijven wanneer je nog op aarde leeft, en hoe ziet dat er dan uit? Zit in het antwoord op deze vraag het verschil tussen jouw visie en de spirituele tekst?

    Indien het mogelijk is een verbinding te leggen tussen beide werelden moet je daar dan je best voor doen, of kan het je ook zo maar toevallen? Kun je dat ook ervaren wanneer je nog midden in het leven staat met werk en gezin, of past dat alleen in een teruggetrokken meditatieve leefwijze? Wordt het bestaan hier op aarde als een fase beschouwd waar je nu eenmaal doorheen moet, zoals jij het in je beschouwing stelt, een soort tranendal in een lichte versie, en komt het werkelijke leven pas na de dood? Waaraan wordt de zekerheid ontleend dat er een andere wereld is dan de wereld waarin wij leven?

    Waar de spirituele tekst oproept te breken met de stoffelijke wereld stel jij dat het zelfs de roeping is van de mens om beide werelden te verbinden. Dit gaat veel verder dan een accentverschil. Waarom ga je uit van een tekst die je vervolgens aanzienlijk matigt?

    Loopt de School van het rozenkruis niet het gevaar, zoals vele religieuze en spirituele stromingen, vast te blijven zitten in een oude traditie, waardoor niet goed ingespeeld kan worden op de behoeften die mensen vandaag de dag hebben voor hun spirituele ontwikkeling?

    Reageren
    1. André de Boer

      Beste Gijs,

      Dank je wel voor al je vragen. Ongetwijfeld zijn er meer deelnemers die dezelfde soort vragen hebben. Mede daarom ga ik er hieronder tamelijk uitgebreid op in. In de loop van dit online-programma zal het een en ander waarschijnlijk duidelijker worden.

      1. Wanneer ik de 2e spirituele tekst naast jouw beschouwing leg, dan concludeer ik dat ze nogal van elkaar verschillen. Het gaat in de tekst onder meer om de verhouding tussen de stoffelijke en de onstoffelijke wereld. De spirituele tekst stelt dat er een keuze tussen deze twee werelden gemaakt moet worden, terwijl je in de beschouwing stelt dat je in beide werelden tegelijk kunt leven. Hoe is dat met elkaar in overeenstemming te brengen?

      Goed opgemerkt! Dit is een duidelijk voorbeeld van de bewering in de beschouwing dat heilige teksten soms ongenuanceerd zijn om mensen in een bepaalde periode in een bepaalde cultuur te stuwen tot spirituele bewustwording en vernieuwing. De ouderdom van Vermaning van de ziel is niet precies bekend. Waarschijnlijk is deze geschreven tussen de derde en de tiende eeuw van onze jaartelling. Lang geleden dus.

      De mens in een jong stadium van ontwikkeling denkt vooral in tegenstellingen: het één of het ander. Naarmate het verstand zich verder ontwikkelt is een meer genuanceerde benadering mogelijk: het één én het ander.

      Als een spirituele leraar zijn of haar leerlingen die geconditioneerd zijn om te denken in tegenstellingen wil aanvuren om innerlijk te vernieuwen, kan het goed werken om te wijzen op dat waarvan ze denken dat het het tegengestelde is van de situatie die ze ervaren. De leer die hij of zij uitdraagt klopt dan misschien niet in wetenschappelijke zin, maar deze werkt wel transformerend. En daar gaat het om. Als de transformatie heeft plaatsgevonden, kan de leer (die altijd beperkt is) worden losgelaten of worden verfijnd en genuanceerd zodat verdere ontwikkeling mogelijk wordt.

      Zo heeft Jan van Rijckenborgh bij de opbouw van de School van het rozenkruis na de Tweede wereldoorlog steeds het bestaan van twee natuurorden benadrukt: de aardse wereld die hij aanduidde als de dialectiek en als de doodsnatuur, en de goddelijke wereld. Die benadering is heel geschikt om de mens te laten ervaren dat innerlijke vernieuwing hard nodig is. Deze vorm van dualisme is heel duidelijk te herkennen in de leringen van Mani (ca. 210 – 276).

      In zijn commentaar op het het boek Pymander (in De Egyptische Oergnosis deel 1, gepubliceerd in 1960) nuanceert Jan van Rijckenborgh het een en ander, en legt uit dat de dialectische natuur geformeerd is naar het schone oertype van de wereld (zie citaat).

      2. Wat wordt precies bedoeld met de stoffelijke, zintuiglijk waarneembare wereld? Gaat het om het bestaan hierop aarde van geboorte tot dood en is de geestelijke wereld wat daarna komt, of kun je ook in die geestelijke wereld verblijven wanneer je nog op aarde leeft, en hoe ziet dat er dan uit? Zit in het antwoord op deze vraag het verschil tussen jouw visie en de spirituele tekst?

      De zintuiglijk waarneembare wereld is de verzameling van bewustzijnsinhouden die we ervaren door verwerking van prikkels via de vijf zintuigen (gezicht, gehoor, tastzin, geur en smaak) in het cerebrospinale stelsel (het brein en het ruggenmerg). Als Hermes spreekt over de stoffelijke wereld beneden bedoelt hij daar niet alleen de de zintuiglijk waarneembare wereld mee, maar ook de aardse etherische, astrale en mentale wereld die vol zijn met energieën die geladen zijn met bewustzijnsinhouden van de zintuiglijke wereld.

      Velen noemen de zojuist genoemde onzichtbare en zintuiglijk niet waarneembare ervaringsgebieden de geestelijke wereld, mede omdat het dodenrijk daar ook deel van uitmaakt. Echter, zij vormen tezamen niet de geestelijke wereld van Hermes, niet het nirwana van Boeddha, niet het pleroma van de gnostieken en ook niet het koninkrijk der hemelen van Jezus (dat alleen na ‘wedergeboorte uit water en geest’ kan worden betreden).

      Het is zeker mogelijk om tijdens het leven tussen geboorte en dood de niet-zintuiglijke ervaringsgebieden te ervaren, bijvoorbeeld in de vorm van (dag)dromen, inzichten en intuïties. Ook de werkelijk geestelijke wereld kan in het leven op aarde worden ervaren. Ik weet niet hoe dat eruit ziet, want dat is niet in woorden te vatten.

      3. Indien het mogelijk is een verbinding te leggen tussen beide werelden moet je daar dan je best voor doen, of kan het je ook zo maar toevallen? Kun je dat ook ervaren wanneer je nog midden in het leven staat met werk en gezin, of past dat alleen in een teruggetrokken meditatieve leefwijze?

      Het is zeker mogelijk om een verbinding te ervaren tussen de de zintuiglijke wereld met haar etherische, astrale en mentale tegenhangers enerzijds en de werkelijk geestelijke wereld anderzijds. Vaak betreft het een onbestemd heimwee, maar het kan ook gaan om een mystieke ervaring die je zomaar toevalt terwijl je midden in het leven staat.

      Als iemand een enkele keer een flits opvangt van de werkelijk geestelijke wereld wil dat nog niet zeggen dat deze persoon een levende verbinding is tussen aarde en hemel. Daarvoor is het nodig dat er eerst een fundamenteel innerlijk vernieuwingsproces heeft plaatsgevonden. En dat vernieuwingsproces treedt niet vanzelf op. Dat vraagt tijd, aandacht, inspanning en energie. Daar moet je dus je best voor doen, maar zonder gehecht te zijn aan een eventueel te bereiken resultaat.

      Er zijn fasen te onderscheiden op het spirituele pad. Naarmate de leerling vordert neemt het belang van een meditatieve levenshouding toe. In de eerste fasen gaat het er vooral om om het leven bewust te leven. Heel veel tijd besteden aan het innerlijke leven kan dan averechts werken omdat de spiritualiteit dan niet geaard is. Dat komt mooi tot uitdrukking in de volgende Chinese parabel.

      Op een dag ziet Huai-jang zijn leerling Ma-tsoe in meditatie verzonken zitten. Hij vraagt hem naar het doel van zijn meditatieoefeningen.
      Ma-tsoe antwoordt onmiddellijk: ‘Ik wil een boeddha worden’.
      Huai-jang zegt niets maar pakt rustig een dakpan en begint die te schuren langs een rots.
      Ma-tsoe kan zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vraagt: ‘Waarom schuur je die dakpan langs de rots?’
      Huai-jang antwoordt: ‘Ik slijp hem tot een spiegel’.
      Ma-tsoe vraagt: ‘Maar hoe kun je een spiegel maken door een dakpan langs een rots te schuren?’
      Huai-jang antwoordt: ‘Hoe kun jij verlicht worden door in meditatie te zitten?’

      4. Wordt het bestaan hier op aarde als een fase beschouwd waar je nu eenmaal doorheen moet, zoals jij het in je beschouwing stelt, een soort tranendal in een lichte versie, en komt het werkelijke leven pas na de dood? Waaraan wordt de zekerheid ontleend dat er een andere wereld is dan de wereld waarin wij leven?

      Het leven op aarde is inderdaad een fase, maar wel een fase die steeds weer terug kan keren omdat er steeds opnieuw een nieuwe aardse persoonlijkheid in een menselijke microkosmos kan worden geboren volgens het principe van reïncarnatie. Uiteraard houdt dat ook een keer op omdat er een keer een moment komt dat er geen biologisch leven meer op aarde mogelijk is.

      Na de dood volgt een tijdelijk verblijf in het dodenrijk. Dat is niet het werkelijke geestelijke leven, want dat is pas mogelijk na transfiguratie. Er zijn geen natuurwetenschappelijke bewijzen voor het bestaan van de geestelijke wereld. Wel zijn er aanwijziongen dat die wereld bestaat. Alle spirituele wereldleraren getuigen ervan en talloze mensen ervaren hierover een zekerheid op basis van een innerlijk weten.

      5. Waar de spirituele tekst oproept te breken met de stoffelijke wereld stel jij dat het zelfs de roeping is van de mens om beide werelden te verbinden. Dit gaat veel verder dan een accentverschil. Waarom ga je uit van een tekst die je vervolgens aanzienlijk matigt?

      Om duidelijk te maken dat we heilige teksten uit het verleden een belangrijke functie hadden, dat we daar nog steeds gebruik van kunnen maken, maar het averechts kan werken als we ze letterlijk nemen en geen aandacht schenken aan ons innerlijk weten.

      6. Loopt de School van het rozenkruis niet het gevaar, zoals vele religieuze en spirituele stromingen, vast te blijven zitten in een oude traditie, waardoor niet goed ingespeeld kan worden op de behoeften die mensen vandaag de dag hebben voor hun spirituele ontwikkeling?

      Jazeker. Dat is een gevaar dat altijd op de loer ligt, bij alle religieuze en spirituele stromingen! Een kenmerk van een authentieke religieuze of spirituele traditie is dat deze zoveel mogelijk levend wordt gehouden, dat leringen en werkwijzen regelmatig worden vernieuwd op grond van innerlijk weten, op basis van kennis en ervaringen die binnen de traditie zijn opgedaan en aan de hand van ontwikkelingen in de samenleving. Dit wordt nader besproken in beschouwing 8.

      Uitsluitend inspelen op de behoeften die mensen hebben voor hun spirituele ontwikkeling is geen goed idee, want het gaat erom dat mensen aangeboden krijgen wat ze nodig hebben, en dat is vaak iets anders dan waar ze behoefte aan hebben.

      De meeste mensen hebben behoefte aan een gemakkelijk en heerlijk leven in overvloed. Als een beetje yoga, meditatie, new-age muziek, geurkaarsjes en boeddha-beeldjes daarbij kunnen helpen, vinden ze dat prima. In een authentieke traditie kom je daar niet mee weg, want op een spiritueel pad gaat het niet primair om ‘je prettig voelen’. Je moet werken, je komt je jezelf keihard tegen en je moet allerlei weerstanden overwinnen. Een zeer grote meerderheid vindt dat geen prettig vooruitzicht en begint er dus maar niet aan.

      In beschouwing 7 wordt toegelicht waarom Helena Blavatsky haar vertaling van De stem van de stilte heeft opgedragen aan ‘de zeer weinigen.’

      Reageren
  6. Gijs Bos

    Beste André,

    Hartelijk dank voor de grondige manier waarop je bent ingegaan op mijn vragen.

    Iets over de verhouding tussen de geestelijke en zintuigelijk waarneembare wereld, zoals die zich in mijn leven manifesteerde zal ik je vertellen in een klein persoonlijk verhaal. Mijn ouders waren lid van de gereformeerde gemeente van een plattelandsdorp. Iedere zondag gingen zij twee keer naar de kerk. Ik moest als vijf-, zesjarige op een gegeven moment met hen mee, ook ’s avonds. Wanneer het moment aangebroken was dat de dominee met de preek ging beginnen, begon ik te huilen. Ik zag beren achter de donkere ramen. Ik was bang geworden. Pepermuntjes die ik kreeg toegestoken hielpen niet. Ik bleef huilen, zodat mijn moeder zich genoodzaakt zag mij naar huis te brengen. Een volgende zondagavond moest ik weer mee, ondanks mijn wanhopige protest dat ik weer zou gaan huilen. En hetzelfde tafereel speelde zich inderdaad weer af. Mijn moeder bracht me naar de uitgang van de kerk en liet me alleen in het donker naar huis lopen. In de heldere winternacht keek ik, waarschijnlijk met open mond en mijn hoofd in mijn nek, naar de immense sterrenhemel boven. Mijn angst had plaats gemaakt voor een intens genieten van dit imposante schouwspel.

    De (zintuigelijk waarneembare) wereld buiten heeft zich altijd zo aan mij gemanifesteerd. Wanneer ik ’s ochtends de deur van mijn huis open, de frisse ochtendgeur opsnuif en een zachte wind over mijn huid voel, dan hoef ik niets meer, dan ben ik blij dat ik leef en verbaas ik me altijd weer over zoveel schoonheid. Op deze eenvoudige manier, ken ik vele gelukkige momenten.

    De behoefte om me te bekeren, zoals dat genoemd werd in het milieu waarin ben opgegroeid, heeft me nooit zo bezig gehouden. Ik vind het gewone leven, ondanks z’n vele beperkingen, zeer de moeite waard, en dat dat op een gegeven moment ophoudt is moeilijk, maar wel te overkomen. Aan een groter perspectief had ik geen behoefte.

    Dat ik als vijf-, zesjarige met mijn emoties zo autonoom ingreep in het verloop van een kerkdienst heeft me altijd verbaasd. Het zegt veel over de mens die ik ben en die zich toen al manifesteerde.

    Met vriendelijke groet,

    Gijs Bos

    Reageren
    1. André de Boer

      Gijs, die ervaring moet inderdaad diepe indruk op je hebben gemaakt. Bedankt voor het delen. Zo zijn er talloze mensen die als kind of als tiener min of meer traumatische ervaringen hebben opgedaan binnen een kerk waarin ze zijn opgegroeid en mede daardoor het christendom de rug hebben toegekeerd.

      Zelf kom ik ook uit een protestants nest. Op mijn 22ste heb ik mijn lidmaatschap van de gereformeerde kerk opgezegd. Niet vanwege nare ervaringen, maar omdat ik er geen aansluiting meer mee had en iets anders had gevonden wat me enorm aansprak.

      De natuur is inderdaad van een grote schoonheid en als je je daarvoor openstelt kun je iets van het goddelijke ervaren.

      Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *