Spirituele tekst 5

Mysteriën van geboorte leven en dood, week 5: De twee tot één maken

Spirituele tekst: Johannes 2:1-11 en 4:3-19 (hoofdstuk 5 van het bijbehorende boek)

 

Op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was daar. En Jezus was ook voor de bruiloft uitgenodigd, en zijn discipelen. En toen er een tekort aan wijn ontstond, zei de moeder van Jezus tegen hem: Zij hebben geen wijn meer. Jezus zei tegen haar: Vrouw, wat heb ik met u te doen? Mijn uur is nog niet gekomen. Zijn moeder zei tegen dedienaars: Wat hij ook tegen u zal zeggen, doe het.

En daar waren zes stenen watervaten neergezet, volgens het reinigingsgebruik van de joden, elk met een inhoud van twee of drie metreten. Jezus zei tegen hen: Vul de watervaten met water. En zij vulden ze tot aan de rand. En hij zei tegen hen: Schep er nu iets uit en breng het naar de ceremoniemeester; en zij brachten het.

Toen nu de ceremoniemeester het water geproefd had, dat wijn geworden was – hij wist niet waar de wijn vandaan kwam, maar de dienaars die het water geschept hadden, wisten het – riep de ceremoniemeester de bruidegom. En hij zei tegen hem: Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer men er goed van gedronken heeft, daarna de mindere; u hebt de goede wijn tot nu bewaard. Dit heeft Jezus gedaan als begin van de tekenen, te Kana in Galilea, en hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard; en zijn discipelen geloofden in hem.

Jezus verliet Judea en vertrok weer naar Galilea. En hij moest door Samaria gaan. Hij kwam dan bij een stad in Samaria, Sichar genoemd, dicht bij het stuk grond dat Jakob zijn zoon Jozef gegeven had. En daar was de bron van Jakob. Jezus nu ging, vermoeid van de reis, bij de bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur.

Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zei tegen haar: Geef mij te drinken. Want zijn discipelen waren weggegaan naar de stad om voedsel te kopen. De Samaritaanse vrouw dan zei tegen hem: Hoe vraagt u, die een jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want joden hebben geen omgang met Samaritanen. Jezus antwoordde en zei tegen haar: Als u de gave van God kende, en wist wie hij is die tegen u zegt: Geef mij te drinken, u zou het hem hebben gevraagd en hij zou u levend water gegeven hebben.

De vrouw zei tegen hem: Heer, u hebt geen emmer en de put is diep; waar hebt u dan het levende water vandaan? Bent u soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft en zelf daaruit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn kudden?

Jezus antwoordde en zei tegen haar: Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen, maar wie drinkt van het water dat ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen. Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opwelt tot in het eeuwige leven. De vrouw zei tegen hem: Heer, geef mij dat water, opdat ik geen dorst meer zal hebben en niet hier hoef te komen om te putten.

Jezus zei tegen haar: Ga heen, roep uw man en kom hier. De vrouw antwoordde en zei tegen hem: Ik heb geen man. Jezus zei tegen haar: U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man, want vijf mannen hebt u gehad en die u nu hebt, is uw man niet; dat hebt u naar waarheid gezegd. De vrouw zei tegen hem: Heer, ik zie dat u een profeet bent.