3 Oppassen voor omheiningen

Mysteriën van Mirdad week 3

Een gedeelte uit Het boek van Mirdad, hoofdstuk 5

 

Mirdad 3

Het Woord van God is een smeltkroes. Wat het schept, smelt het en doet het tot een eenheid samenvloeien, niets als waardevol aanvaardend, niets als waardeloos verwerpend. Daar het de geest van inzicht bezit, weet het zeer wel dat het een is met zijn schepping; dat het verwerpen van een deel het verwerpen van het geheel zou zijn; en het verwerpen van het geheel betekent het verwerpen van zichzelf. Daarom is het eeuwig één van doel en strekking.

Het woord van de mens, daarentegen, is een zeef. Wat het schept, zet aan tot macht en geweld. Het is altijd bezig dít tot vriend te kiezen en dát als vijand uit te stoten. En maar al te vaak wordt zijn vriend van gisteren de vijand van vandaag; de vijand van vandaag, de vriend van morgen.

Zo woedt de wrede en vruchteloze strijd van de mens tegen zichzelf. En dit alles omdat de mens de Heilige Geest mist, die hem zou kunnen doen begrijpen dat hij en zijn schepping één zijn; dat het uitbannen van de vijand het uitbannen van de vriend is. Want beide woorden: vijand en vriend, zijn de schepping van zijn woord, van zijn ik.

Wat u mishaagt en door u als slecht verworpen wordt, wordt stellig door een ander of door iets anders geliefd en als goed opgenomen. Kan iets tegelijkertijd uit twee dingen bestaan, die elkaar uitsluiten? Het is noch het één, noch het ander; maar úw ik heeft het «slecht» gemaakt, een ander ik heeft het «goed» gemaakt.

Zei ik niet dat wat kan scheppen ook kan tenietdoen? Als u een vijand hebt geschapen, kunt u hem als zodanig ook tenietdoen of hem tot een vriend herscheppen. Maar daartoe moet uw ik een smeltkroes zijn. Daartoe hebt u de geest van inzicht nodig. Daarom zeg ik u: indien u om iets bidt, bid dan voor en boven alles om inzicht.

Wees nooit zifters, deelgenoten! Want het Woord Gods is het leven en het leven is een smeltkroes, waarin alles tot een ondeelbare eenheid wordt gemaakt; alles is in volmaakt evenwicht en alles is zijn schepper waardig: de heilige drie-eenheid. Hoeveel te meer moet het dan ú wel waardig zijn!
Wees nooit zifters, deelgenoten! En u zult zo onmetelijk van gestalte worden, zo aldoordringend en zo alomvattend, dat er geen zeven gevonden kunnen worden waarin u zou passen.

Wees nooit zifters, deelgenoten! Zoek eerst de kennis van het Woord, opdat u uw eigen woord moge kennen. En als u uw woord kent, zult u uw zeven in het vuur werpen. Want uw woord en dat van God zijn een, behalve dat het uwe nog gesluierd is. Mirdad zou willen dat u uw sluiers afwerpt.

Gods Woord is tijdloze tijd en ruimteloze ruimte. Was er ooit een tijd dat u niet bij God vertoefde? Is er een plaats waar u niet in God bent? Waarom ketent u dan de eeuwigheid in een keten van uren en seizoenen? En waarom sluit u de ruimte in in meters en kilometers?

Gods Woord is leven dat nimmer geboren werd en daarom zonder dood is. Waarom is het uwe dan omsloten door geboorte en dood? Leeft u niet slechts door het leven van God? En kan wat zonder dood is, de bron zijn van dood? Gods Woord sluit alles in zich. Het kent barrières noch omheiningen. Waarom wordt dan het uwe zo gewelddadig door omheiningen en barrières verscheurd?

Ik zeg u: uw eigen vlees en been zijn niet het vlees en been van u alleen. Ontelbaar zijn de handen die zich mét u dompelen in dezelfde vleespotten van aarde en lucht, waaruit uw gebeente en uw vlees afkomstig zijn en waarnaar zij wederkeren.

Evenmin is het licht in uw ogen het licht van u alleen. Het is ook het licht van allen die de zon met u gemeen hebben. Wat zou uw oog van mij kunnen zien, zo in mij het licht ontbrak? Het is mijn licht, dat in uw oog mij ziet. Het is uw licht, dat in mijn oog u ziet. Was ik volkomen duisternis, zo zou uw oog, naar mij ziende, slechts volkomen duisternis zijn.

Ook is de adem in uw borst niet de adem van u alleen. Allen die ademen of ooit hebben geademd, ademen in uw borst. Is het niet Adams adem die nog uw longen vult? Is het niet Adams hart dat nog in uw hart slaat?

Ook zijn uw gedachten niet de gedachten van u alleen. De zee van het gemeenschappelijke denken eist ze als haar eigene op en zo is het met alle denkende wezens die deze zee met u delen.

Ook zijn uw dromen niet de dromen van u alleen. Het ganse universum droomt in uw dromen. Ook is uw huis niet het huis van u alleen. Het is ook het onderdak van uw gast en van de vlieg, de muis, de kat en alle schepselen die het huis met u delen.

Pas daarom op voor omheiningen! Want u sluit slechts begoocheling in en de waarheid sluit u buiten. En keert u zich om, om uzelf binnen de omheining te zien, dan kijkt u in het gelaat van de dood, hetgeen een andere naam is voor begoocheling.

Onscheidbaar is de mens van God. Daarom is hij onscheidbaar van zijn medemensen en van alle schepselen die uitgaan van het Woord.

Het Woord is de oceaan; u bent de wolken. En is een wolk niet slechts een wolk dank zij de oceaan die haar bevat? Dwaas zou immers de wolk zijn die haar leven zou verdoen door te trachten zich in de ruimte vast te klampen, teneinde haar vorm en identiteit voor altijd te bewaren. Wat zou zij met haar dwaze streven anders oogsten dan teleurgestelde hoop en bittere ijdelheid?
Tenzij zij zichzelf verliest, kan zij zichzelf niet vinden. Tenzij zij als wolk sterft en oplost, kan zij de oceaan-in-zich, die haar enige zelf is, niet vinden.

Een God-dragende wolk is de mens. Tenzij hij van zichzelf ontledigd wordt, kan hij zichzelf niet vinden. O, welk een vreugde ledig te zijn!

Slechts wanneer u zich voor eeuwig in het Woord verloren hebt, kunt u het Woord begrijpen dat u bent, ja, uw eigen ik. O, welk een vreugde zo verloren te zijn.

Daarom zeg ik nogmaals tot u: bid om inzicht. Indien het heilige inzicht uw hart vindt, zal er in Gods onmetelijkheid niets zijn dat geen blij antwoord tot u doet uitgaan telkens wanneer u spreekt: «ik». Dan zal de dood zelf slechts een wapen in uw hand zijn om de dood te overwinnen. En het leven zal dan aan uw hart de sleutel schenken tot haar onbegrensde hart: de gouden sleutel van de liefde.

Het boek van mirdad van Mikhail Naimy 267BESTEL HET BOEK VAN MIRDAD

3 gedachten over “3 Oppassen voor omheiningen

  1. F.C. van der Horst

    Zolang ik niet kan vergeven, bevindt ik mij achter de omheining. Ben ik gebonden aan de ander, zolang je niet kan vergeven genees je niet. Door te vergeven word je innerlijk sterker. Iedere dag opnieuw weten wat doe ik.

    Reageren
  2. Jes Jespers

    `Niets is van zichzelf goed of slecht, het denken maakt dat ervan´, zo schrijft Shakespeare. Ons denken schept de dualiteiten en daarmee alle scheidingen en maakt dat, als wij daar niets aan doen, wij in de wereld van dualiteiten ons leven moeten slijten. Wij mensen kijken elk vanuit een subjectief perspectief dat via het denken in onze geest is uitgekristalliseerd. Die bril zullen we moeten afzetten om wat waar is ook waar te kunnen nemen. De waarnemer in ons bevind zich in de stilte in ons, de heldere bewustzijnsstaat waarin er geen beweging in de geest is en het denken zwijgt. In deze stille staat `weet je dat er waargenomen wordt´, dat je hoort en ziet zonder dat er een `ik is die dat doet´. Dit is wat bedoeld wordt met:
    `Een God-dragende wolk is de mens. Tenzij hij van zichzelf ontledigd wordt, kan hij zichzelf niet vinden. O, welk een vreugde ledig te zijn!
    Slechts wanneer u zich voor eeuwig in het Woord verloren hebt, kunt u het Woord begrijpen dat u bent, ja, uw eigen ik. O, welk een vreugde zo verloren te zijn.´.
    Hier staat met wat andere woorden hetzelfde als in de zaligspreuk:`Zalig zijn de armen van geest want zij zullen het Koninkrijk der Hemelen beërven´.
    Het niets en de stilte in ons behoren tot de wereld van het ´HIER en NU´ de eeuwigheid; het denken heeft daar geen toegang toe, dat hoort thuis in de wereld van de tijd, het verleden en de toekomst. Het ongecontroleerd denken is dat wat ons van de Eeuwigheid scheidt.

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *