8 Alle geluk en ongeluk aanvaarden

Mysteriën van Mirdad week 8

Een gedeelte uit Het boek van Mirdad, hoofdstuk 21

 

Mirdad 8

Hoe vreemd dat u, kinderen van ruimte en tijd, nog niet bemerkt hebt dat tijd het universele geheugen is, opgetekend op de tafels van de ruimte.
Als u, die door uw zintuigen begrensd bent, u niettemin zekere dingen tussen uw geboorte en uw dood kunt herinneren, hoeveel te meer dan de tijd die vóór uw geboorte was en na uw dood oneindig voortduurt.

Ik zeg u dat de tijd zich werkelijk alles herinnert, niet alleen datgene waarvan u een levendige herinnering bewaart, maar ook dat waarvan u zich ten enenmale niet bewust bent. Want in de tijd is geen vergetelheid, ook niet betreffende de geringste beweging, of een zuchtje, of een gril. En alles wat in het geheugen van de tijd bewaard wordt, is diep ingekerfd op de dingen in de ruimte.

De grond waarop u loopt, de lucht die u inademt, de huizen waarin u woont, kunnen u gemakkelijk zelfs de kleinste bijzonderheden onthullen van het verslag van uw leven, in verleden, heden en toekomst, zo u slechts het vermogen bezat ze te lezen en het doorzicht om de betekenis ervan te omvatten.

Of u leeft of dood bent, op de aarde of daarbuiten, nimmer bent u alleen, doch voortdurend in gezelschap van dingen en wezens die deel hebben aan uw leven en uw dood, zoals u het hebt aan hun leven en dood. Zoals u deel hebt aan hen, zo hebben zij deel aan u en zoals u hen zoekt, zo zoeken zij u.

De mens heeft een wil in alles en ieder ding heeft een wil in de mens. De uitwisseling gaat ononderbroken door. Maar ’s mensen falend geheugen is een erbarmelijk slechte boekhouder, in tegenstelling tot het feilloze geheugen van de tijd, dat de betrekkingen van de mens met zijn medemensen en met alle wezens in het universum met de grootste nauwkeurigheid boekstaaft en hem dwingt zijn rekeningen elk ogenblik, leven na leven en dood na dood, te vereffenen.

Ja, de mens nodigt zijn eigen rampen uit en protesteert dan tegen de hinderlijke gasten, omdat hij vergeten is hoe en wanneer en waar hij de uitnodigingen geschreven en verzonden heeft. Maar de tijd vergeet niet. De tijd bezorgt iedere uitnodiging op de juiste tijd aan het juiste adres; en de tijd leidt iedere genodigde naar de woning van de gastheer.

Ik zeg u: protesteer niet, tegen welke gast ook, opdat hij zijn gekwetste trots niet wreken zal door te lang te blijven, of door zijn bezoeken talrijker te maken dan hij anders betamelijk zou achten.

Wees vriendelijk en gastvrij tegenover al uw gasten, hoe ook hun voorkomen en hun optreden moge zijn, want zij zijn slechts uw schuldeisers. Geef in het bijzonder de onaangenaamsten zelfs meer dan hun toekomt, opdat ze dankbaar en voldaan zullen vertrekken, en mochten ze u nogmaals bezoeken, zij als vrienden zullen komen en niet als schuldeisers.

Behandel iedere gast alsof hij de eregast was, opdat u zijn vertrouwen kunt winnen en de verborgen motieven van zijn bezoek zult onderkennen.
Aanvaard een ongeluk alsof het een geluk was. Want als een ongeluk eenmaal begrepen is, verkeert het spoedig in geluk. Een verkeerd begrepen geluk echter wordt snel tot een ongeluk.

U kiest uw geboorte en dood, en ook hun tijd, plaats en wijze, ondanks uw onberekenbare geheugen dat een netwerk van onwaarheden is met opmerkelijke gaten en hiaten.

De zogenaamde wijzen verklaren, dat de mens aan zijn geboorte en dood geen enkel aandeel heeft. De tragen, die door de nauwe opening van het oog een steelse blik werpen naar ruimte en tijd, zijn geneigd de meeste gebeurtenissen in ruimte en tijd gemakkelijk af te doen als toevalligheden. Pas op voor hun waan en hun bedrog. Er zijn in ruimte en tijd geen toevalligheden. Alle dingen geschieden naar de beschikkingen van de Alwil die in niets dwaalt noch ooit iets over het hoofd ziet.

Zoals regendroppels in bronnen samenvloeien en bronnen ontspringen om elkaar in beken en beekjes te ontmoeten, en beken en beekjes zich als zijrivieren ten offer brengen aan de grotere stromen, en machtige stromen hun wateren naar de zeeën dragen, en zeeën zich in de oceaan verzamelen, zo vloeit iedere wil van ieder schepsel, bezield of onbezield, als een zijrivier in de Alwil uit.

Ik zeg u dat alles een wil heeft. Zelfs de steen, ogenschijnlijk doof, stom en levenloos, is niet zonder een wil. Anders zou hij niet bestaan en zou hij andere dingen niet aantasten, en deze hém niet. Zijn bewustzijn van te willen en te bestaan moge gradueel van dat van de mens verschillen, maar niet substantieel.

Van welk deel van het leven van één enkele dag kunt u in waarheid zeggen zich bewust te zijn? Een zéér onbeduidend deel, voorwaar.

Als u, die toegerust bent met verstand en geheugen en met de middelen om gevoelens en gedachten te boek te stellen, u toch onbewust bent van het grootste deel van een enkele levensdag, wat zou u zich dan verwonderen dat de steen zich zo onbewust is van zijn leven en van zijn wil? En zoals u grotendeels leeft en beweegt zonder u bewust te zijn van leven en beweging, zo wílt u in gelijke mate, zonder u bewust te zijn van uw wil.

Maar de Alwil is zich uw onbewustheid en die van ieder schepsel in het universum bewust. Terwijl Hij zich uitstort, zoals Hij op elk ogenblik van de tijd en op elk punt van de ruimte doet, geeft de Alwil iedere mens en ieder ding datgene terug wat zij gewild hadden, niet meer en niet minder en ongeacht of zij het bewust hebben gewild of niet.

Maar de mensen die dit niet weten, zijn maar al te vaak geschrokken over wat hun uit de alles bevattende zak van de Alwil ten deel valt. En zij protesteren terneergeslagen en wijten hun schrik aan het wispelturige noodlot.

Niet het noodlot is evenwel wispelturig — want het noodlot is slechts een andere naam voor de Alwil — maar de wil van de mens is nog te wispelturig en te onbestendig en te onzeker van zijn gerichtheid.
Hier bestempelt hij iets als goed, ginds brandmerkt hij hetzelfde als kwaad. Het ene ogenblik aanvaardt hij een mens als vriend, om hem later als vijand te bestrijden.

Uw wil, broeders-deelgenoten, moet niet wispelturig zijn. Weet dat al uw verhoudingen tot mensen en dingen bepaald worden door wat u van hen wilt en zij van u willen. En wat u van mensen en dingen wilt, bepaalt wat zij van u verlangen.

Let erop hoe u ademt, hoe u spreekt en wat u wenst, denkt en doet. Want uw wil verbergt zich zelfs in iedere ademtocht en in ieder woord en in iedere wens, gedachte en daad. En wat voor u verborgen is, is aan de Alwil geopenbaard.

Wil van alle mensen en alle dingen hun liefde. Want alleen daarmee zullen uw sluiers worden weggenomen en zal inzicht gloren in uw hart. Wijd zo uw wil in in de wondervolle geheimen van de Alwil.
Zolang u de geheimen van de Alwil niet kent, dient u uw wil niet tegenover Hem te stellen, want u zult zeker de verliezer zijn. Uit elk treffen zult u te voorschijn komen met littekens en vergiftigd van bitterheid. U zult zich willen wreken en daardoor nieuwe littekens aan de oude toevoegen en de beker vol bitterheid doen overlopen.

Aanvaard de Alwil, zo u de nederlaag wilt doen verkeren in de overwinning.
Aanvaard zonder murmureren alles wat uit zijn mysterieuze zak over u komt.
Aanvaard het in dankbaarheid en in het vaste geloof dat het uw rechtvaardig aandeel in de Alwil is. Aanvaard het met de wil zijn waarde en zijn bedoeling te doorschouwen.

Als u eenmaal de verborgen wegen van uw eigen wil begrijpt, begrijpt u de Alwil.
Aanvaard wat u niet weet, opdat het u moge helpen het te weten. Indien u zich wrokkend verzet, zal het een irritant raadsel blijven.
Laat uw wil een dienstknecht van de Alwil zijn — tot inzicht de Alwil tot dienaar van uw wil zal maken.

Het boek van mirdad van Mikhail Naimy 267BESTEL HET BOEK VAN MIRDAD