9 Het grote heimwee erkennen

Mysteriën van Mirdad week 9

Een gedeelte uit Het boek van Mirdad, hoofdstuk 31

 

Mirdad9

Het grote heimwee is als een nevel. Uitgaande van het hart sluit het het hart buiten, zoals een nevel uitgaande van land en zee zowel de zee als het land uitwist.
En zoals de nevel het oog berooft van de zichtbare werkelijkheid en zich tot de enige werkelijkheid maakt, onderwerpt dit heimwee de gevoelens van het hart en maakt zich tot een allesoverheersend gevoel.
En hoewel schijnbaar even vormloos, blind en doelloos als de nevel, is het toch, evenals de nevel, vervuld van ongeboren vormen, daarbij helder van gezicht en heeft het een zeer bepaald doel.

Het grote heimwee is ook als een koorts. Zoals koorts door het lichaam te verhitten de vitaliteit ervan verzwakt, maar tevens de gifstoffen in het lichaam doet verbranden, zo verzwakt dit heimwee, dat uit een innerlijk conflict in het hart geboren wordt het hart, maar tevens verteert het de droesem ervan en alles wat overbodig is.

Het grote heimwee is ook als een dief. Zoals een dief al stelend zijn slachtoffer van een last bevrijdt, hoewel hij hem verbitterd achterlaat, neemt ook dit heimwee heimelijk alle lasten weg van het hart, maar laat het troosteloos en bezwaard achter vanwege de volkomen afwezigheid van iedere last.

Breed en groen is de oever, waar mannen en vrouwen hun voorbijgaande dagen weg-dansen, weg-zingen, weg-zwoegen en weg-wenen. Maar vreeslijk is de vuur en rook brakende stier die hun voeten blokkeert en hen op de knieën doet vallen, hun liederen weer in hun stembanden terugjaagt en hun gezwollen oogleden met hun tranen toesluit.

Breed en diep is de rivier die hen van de andere oever scheidt. Zij kunnen er niet overheen zwemmen, roeien of varen. Weinigen, zeer weinigen van hen wagen het hem te overbruggen met een gedachte. Allen, vrijwel allen, verlangen hevig op hun oever te blijven, waar iedereen voortgaat zijn zo geliefde wiel rollend te houden.

De mens met het grote heimwee heeft geen lievelingswiel om te rollen.
Te midden van een wereld die gespannen en jachtig bezig is, is alleen hij zonder bezigheid en zonder haast. Bij een mensheid zo keurig van kledij, van taal en van manieren, voelt hij zich als naakt, onbeholpen en een hakkelaar.

Hij kan niet lachen met de lachers, en niet wenen met de wenenden. De mensen eten en drinken en hebben plezier in eten en drinken. Hij eet zonder dat zijn tong gestreeld wordt en zijn drinken smaakt hem flauw.
Anderen leven in paren of proberen zich tot paren te vormen. Hij loopt alleen, slaapt alleen en droomt zijn dromen alleen. Anderen zijn rijk aan werelds vernuft en wereldse wijsheid; hij alleen is dom en onwijs. Anderen hebben gezellige hoekjes die zij hun tehuis noemen; hij alleen is zonder tehuis. Anderen hebben bepaalde plaatsen op aarde die zij vaderland noemen en waarvan zij met luide stem de roem verkondigen; hij alleen heeft geen plaats om te bezingen en haar zijn vaderland te noemen. Want het oog van zijn hart is op de andere oever gericht.

Een slaapwandelaar is de mens met het grote heimwee, in een wereld die schijnbaar zo helder wakker is. Hij wordt getrokken door een droom, die zij die rondom hem zijn niet zien en niet voelen. Daarom halen zij hun schouders op en maken zich vrolijk over hem. Maar als de god van de vrees — de vuur en rook brakende stier — ten tonele verschijnt, moeten zij in het stof bijten, terwijl de slaapwandelaar, over wie zij hun schouders ophaalden en zich vrolijk maakten, op de vleugelen van het geloof boven hen en hun stier wordt uitgetild en hoog over de andere oever heen naar de voet van de woeste berg wordt gedragen.

Dor, woest en troosteloos is de streek waarover de slaapwandelaar vliegt. Maar de vleugelen van het geloof zijn sterk en de man vliegt voort.
Somber, kaal, en huiveringwekkend is de berg aan welks voet hij neerkomt. Maar het hart van het geloof weet van aarzelen noch wijken en het hart van de man klopt onvervaard voort.
Rotsachtig, glibberig en nauwelijks te onderscheiden is het spoor dat hij bergopwaarts volgt. Maar zacht als zijde is de hand en vast de voet en scherp het oog van het geloof en de man klimt verder.

Op zijn weg ontmoet hij mannen en vrouwen die zich met grote inspanning tegen de berg opwerken langs een brede, vlakke weg. Dat zijn de mensen van het kleine heimwee die vurig verlangen de top te bereiken, maar met een lamme, blinde gids. Hun gids is hun geloof in wat het oog kan zien, het oor kan horen, de hand kan voelen en de neus en de tong kunnen ruiken en proeven.

Kan het oog alles zien wat er te zien is en het oor alles horen wat er te horen is? Kan de hand alles voelen wat er te voelen is en de neus alles ruiken wat er te ruiken is? Of kan de tong alles proeven wat er te proeven is? Eerst als geloof, uit de goddelijke verbeelding geboren, de zintuigen te hulp komt, zullen zij werkelijk waarnemen en ladders worden naar de top.

Zintuigen verstoken van geloof zijn hoogst onbetrouwbare gidsen. Ofschoon hun weg vlak en breed schijnt, is hij toch vol verborgen voetangels en klemmen. Zij die deze weg kiezen voor een opgang naar de top van de vrijheid komen onderweg om, of glijden uit en tuimelen terug naar de plaats waar zij hun tocht begonnen.

De mensen met het kleine heimwee zijn zij die, als zij met hun zintuigen een wereld hebben opgebouwd, deze alras klein en benauwd gaan vinden en dan naar een ruimer en frisser tehuis verlangen. Maar in plaats van nieuwe materialen te zoeken en een nieuwe meester-bouwer, scharrelen zij de oude materialen bij elkaar en wenden zich tot dezelfde architect — de zintuigen — om het ruimere tehuis voor hen te ontwerpen en te bouwen. Nauwelijks is het nieuwe bouwsel gereed, of zij vinden het even klein en benauwd als het oude.

Zo gaan zij voort met afbreken en opbouwen, en slagen er nimmer in het tehuis te bouwen dat hun het gerief en de vrijheid geeft waarnaar zij hunkeren, want zij vertrouwen erop dat hun bedriegers hen tegen bedrog zullen vrijwaren. Evenals de vis, die uit de bakpan in het vuur springt, ontvluchten zij een kleine waan om zich door een grotere te laten vangen.

Tussen de mensen van het grote en die van het kleine heimwee bevinden zich de onmetelijke kudden konijnenmensen die in het geheel geen heimwee voelen. Zij vergenoegen zich ermee hun holen te graven, daarin te leven en er zich voort te planten en te sterven. En zij grinniken om alle slaapwandelaars, vooral om hen die een eenzaam spoor volgen waar slechts weinig, moeilijk zichtbare voetafdrukken voorkomen.

Als een adelaar die bij een kip van een achtererf is uitgebroed en met het broedsel van die kip wordt opgesloten, zo is de mens met het grote heimwee te midden van zijn medemensen. Zijn kuikenbroertjes en zijn kippenmoeder zouden willen dat hij als een van de hunnen was, dat hij hun aard en gewoonten deelde en leefde zoals zij. En hij zou willen dat zij evenals hij droomden van de wijde, onbegrensde lucht. Spoedig echter ontdekt hij een vreemdeling en een paria onder hen te zijn en hij wordt door allen, zelfs door zijn moeder, gepikt.

Maar de roep van de bergtoppen weerklinkt luid in zijn bloed, en de stank van de kippenren is een kwelling voor zijn neus. Toch verdraagt hij dit alles in stilte, tot zijn verentooi volledig is. Dan verheft hij zich in de lucht en werpt een liefdevolle blik ten afscheid op zijn voormalige broers en hun moeder die vrolijk voortgaan met kakelen, terwijl zij in de aarde wroeten naar meer zaad en meer wormen.

Verheug u! Het grote heimwee heeft uw wereld te klein gemaakt en u een vreemdeling in die wereld doen worden. Het heeft uw voorstellingsvermogen vrijgemaakt van de greep van de despotische zintuigen en het voorstellingsvermogen heeft u het geloof geschonken.

Het geloof zal u hoog uittillen boven de stilstaande, benauwde wereld, en u over de sombere leegte heen dragen tot op de woeste berg, waar ieder geloof noodzakelijk op de proef gesteld en van de laatste droesem van twijfel gereinigd moet worden.

Het zo gereinigde, overwinnende geloof zal u voeren tot aan de grenzen van de eeuwig groene top en u daar overgeven aan de handen van het inzicht. Dan zal het geloof dat zijn taak volbracht heeft, zich terugtrekken en zal inzicht uw schreden leiden tot de onuitsprekelijke vrijheid van de top — het ware, grenzeloze, allesomvattende tehuis van God en de overwinnende mens.

Wees standvastig in de beproeving. Om slechts één ogenblik op die top te mogen staan is ieder lijden waard. Maar om eeuwig op die top te wonen is de eeuwigheid waard.
Houd u vast aan het geloof — en het geloof zal het geweldige werkstuk voleindigen.

Het boek van mirdad van Mikhail Naimy 267BESTEL HET BOEK VAN MIRDAD