beschouwing 1

Mysteriën van Tao 1: Je openstellen voor Tao
Beschouwing week 1

 

Tao 1

We lezen uit: Hart voor Tao (eerste hoofdstuk):

‘Tao is een mysterie.
Tao is in de hele kosmos, in ons zonnestelsel, overal op aarde, in de bomen, de planten en de dieren, in de bergen en stenen, in cellen en atomen.
Toch is Tao op geen enkele manier waarneembaar.

Waar een mens ook kijkt;
Tao is nergens te zien.
Hoe scherp hij ook luistert;
Tao blijft onhoorbaar.

Wat hij ook aanraakt; Tao is niet te voelen.
Hoe hij zich ook inspant; Tao is nergens.
Toch is Tao de bron van alles wat bestaat.’

Woorden zijn ontoereikend om iets over Tao te zeggen. Toch betekent dit niet dat er daarom maar beter over gezwegen kan worden, want Tao is de kern van al het bestaande, ook van jou en mij.

De Daodejing van de Chinese wijze Lao Zi is wereldwijd bekend. Het is het basisboek van het taoïsme en is naast de Bijbel het meest vertaalde boek ter wereld. De Daodejing gaat over Tao en over de kracht die van Tao uitstraalt: de Teh.
Centraal daarin staat het gegeven dat de mens op zichzelf is gericht en nooit tevreden. Hierdoor blokkeert hij zijn verbinding met de bron van alle bestaan: Tao.

Van Tao uit kan deze verbinding nooit verbroken worden, want Tao is tijdloos verbonden met het hele leven. Voor een mens geldt dat hij zich van deze verbinding bewust kan worden wanneer hij zich richt tot: ‘het midden’.

In het hart van ieder mens rust als het ware een vonk van Tao. Wie zich hiervoor openstelt, ontvangt de wijsheid die van Tao uitgaat. Deze zet hem of haar ertoe aan om zijn leven zodanig te veranderen dat hij – stapje voor stapje –  leert om niets te doen dat tegen Tao ingaat. In de Daodejing wordt dit genoemd: wei wu wei; doen het niet-doen.

Tao Citaat mysterien van tao 1

Wie leert om in harmonie met Tao te leven, wordt door Lao Zi ‘een koning’ genoemd. Geen uiterlijke koning, maar een innerlijke. De Daodejing wordt daarom ook wel ‘een vorstenspiegel’ genoemd.

We zullen de komende weken gaan zien welke adviezen Lao Zi geeft aan de mens die Tao wil volgen. Ter verduidelijking zullen we ook verhalen opnemen van andere taoïstische wijsgeren uit de oudheid.

Een belangrijk advies dat Lao Zi door zijn hele Daodejing aan zijn lezer geeft is: durf laag te zijn, bijvoorbeeld in vers 66:

Waarom kunnen stromen en zeeën koningen aller wateren zijn?
Omdat zij bedreven zijn in het lager zijn.
Daarom kunnen zij koningen aller wateren zijn.

Water stroomt altijd van hoog naar laag. Hoe leger het beneden is, hoe meer water het kan ontvangen. De zee kan alleen maar ‘groot’ zijn omdat zij ‘laag’ is. Een koning is bij Lao Zi niet iemand die zich met veel uiterlijk vertoon aan zijn volk presenteert, integendeel, Lao Zi beschrijft hem steeds als een mens die zich ‘laag’ opstelt en zich nergens op voor laat staan.

In het ‘lage’ kan hij Tao vinden, zo zegt Lao Zi in vers 8:

De hoogste goedheid is als water.
Water doet alle dingen goed, zonder te wedijveren.
Het verblijft op de plaats die het volk verafschuwt.
Juist daarom is water zo dicht bij Tao.

Zhuang Zi, een Chinese wijze die leefde in de derde eeuw voor onze jaartelling,  schreef honderden verhalen. In een daarvan vertelt hij over een herfstvloed waarin honderden kleine stromen hun water uitstortten in de Gele Rivier zodat deze aanzwol tot ongekende omvang. De god van deze rivier was hierover erg in zijn nopjes en liet zich trots meedrijven helemaal tot aan de Noordelijke Wereldzee. Daar keek hij beteuterd uit over een water zó groot dat hij er de grenzen niet van kon zien; hij voelde zich ineens een stuk kleiner.
De god van de Noordelijke Wereldzee zag hem daar staan en zei:

‘Het heeft geen zin om met een kamergeleerde over de Tao te spreken, want hij wordt beperkt door wat hij geleerd heeft. Maar nu jij je buiten je oevers hebt begeven en de grote zee hebt gezien, ben je je bewust geworden van je eigen beperkingen. Nu is het mogelijk om met je over de grote rede te spreken.

De god van de Noordelijke wereldzee vertelde dat hijzelf weliswaar groter was dan de Gele Rivier, maar dat hij hierin geen reden zag om zich ‘groot’ te noemen, want wanneer hij zijn gestalte vergeleek met het heelal wist hij zich nietig.
De god van de Gele Rivier luisterde aandachtig en vroeg hem wat de waarde van Tao is. Hij kreeg te horen:

‘Ken het handelen van de mens, zoek je grondslag in de hemel, vind bestendigheid in de deugd, en dan, waar je ook gaat of staat, je keert terug naar het essentiële. .  .
Ga je niet inspannen om beroemd te worden. Bewaar de hemelse natuur. Wees voorzichtig en verlies haar niet.’

( Kristofer Schipper, Zhuang Zi, hfst. 17, uitg. Augustus, Amsterdam, 2007)

Deze hemelse natuur ligt in ons hart, als de vonk van Tao. De mens die innerlijk koning wil worden, heeft als eerste te leren zich laag en leeg op te stellen. Hiermee wordt bedoeld dat hij zijn hart leeg maakt aan eigenbelang, want daarmee bedekt hij de vonk in zijn hart; zijn hemelse natuur. Wanneer het hart leeg is, kan het gevuld worden met de kracht van Tao.

Lao Zi vergelijkt meermalen het lage en onaanzienlijke met Tao, zoals in vers 39 waar hij zegt:

Daarom neemt het edele het lage als basis.
Het hoge gebruikt het allerlaagste als fundament.
Daarom noemen vorsten en koningen zich:
wezen, eenzamen, onwaardigen.
Beschouwen zij aldus het geringe niet als hun grondslag, en terecht?

Vorsten en koningen staan in onze maatschappij het hoogst in aanzien. Wij vinden het dan ook heel normaal dat zij in paleizen of kastelen wonen, en een levenswandel hebben die een uitdrukking is van hun hoge positie. Zij houden afstand tot hun volk.

Alles wat in het universum is, wordt door Lao Zi genoemd: ‘de tienduizend dingen’. Tao is daar het meest ‘koninklijke’ van. Toch stelt Tao zich nooit ‘hoog’ op, laat zich nergens op voorstaan, vraagt niet om erkenning of aanzien en dringt zich nooit op. Er bestaat tussen Tao en de tienduizend dingen geen enkele afstand, want Tao is alomtegenwoordig. Het is daarom ook aanwezig in wat wij onaanzienlijk, laag of verachtelijk noemen.

De mens die Tao wil volgen, spiegelt zich hieraan. Wanneer hij gaat beseffen hoe hij door alle drukte die hij maakt, zich afwendt van Tao, voelt hij zich eenzaam, als een kind zonder ouders. Dan weet hij zich onaanzienlijk zoals de god van de Gele Rivier toen deze voor de grote zee stond. De innerlijke koning is bescheiden en eenvoudig van hart. Dit is geen uiterlijke houding om te proberen Tao te verkrijgen, maar is een spontaan gevolg van het zich toewenden tot Tao.

Steeds wanneer de leerling van Tao zichzelf hoog plaatst, wordt hij meegesleept door gedachten en emoties die hem tot handelen aanzetten. Hierdoor verwijdert hij zichzelf van Tao.

Zowel een goede koning, als een serieuze leerling van Tao neemt het lage als basis. Beiden zijn, als het goed is, niet bezig met het verwerven van aanzien en erkenning en laten zich niet meeslepen door hun hartstochten, maar zijn matig in hun manier van leven en doen.
Zij doen dit niet om er zelf beter van te worden, maar hebben het belang van het geheel op het oog: de uiterlijke koning voor dat van het land waarover hij heerst, en de innerlijke koning voor het ‘rijk’ dat bestaat uit zowel zijn lichaam als zijn geest (zie paragraaf 51 van Hart voor Tao)

Lao Zi geeft deze mens in vers 19 het advies:

Zie uzelf in uw oorspronkelijke eenvoud.

Behoud uw oorspronkelijke puurheid.

Heb weinig egoïsme en weinig begeerten.

Lezingencyclus De koninklijke weg in Tao

DOWNLOAD DE FLYER OVER DE DRIE TAO-LEZINGEN VAN ELLY NOOYEN