Beschouwing 2

Mysteriën van Tao 2: De Teh ontvangen

Beschouwing week 2

 

Tao 2

We lezen uit: Hart voor Tao (§ 12):

Tao kunnen wij niet waarnemen, maar de kracht, de werking die van Tao uitgaat – de Teh – is te ervaren. De Teh is de openbaring van Tao, deze wordt ook wel ‘Deugd’ genoemd.

Tao Citaat mysterien van tao 2

Tao en de Teh zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en maken geen deel uit van deze  wereld. Het is daarom oneigenlijk om hen met een van de tienduizend dingen te vergelijken. Toch kan ons dit helpen om hun verhouding beter te begrijpen.

Dit houdt echter niet in dat Tao zich dan ineens in zijn volle glorie aan hem openbaart. Zou hij iets dergelijks ervaren dan heeft hij zich zelf een beeld van Tao gemaakt. Tao is en blijft altijd in het verborgene. Wie echter zijn hart voor Tao opent, wordt zich bewust van diens werking, de Teh die door de geopende poort stroomt.

Lao Zi zegt over de samenhang tussen Tao en de Teh in vers 51:

Tao brengt de dingen voort.
Het brengt ze groot door Teh.
De stof geeft ze vorm,
De omstandigheden brengen ze tot ontwikkeling.

Het leven op aarde is niet alleen mogelijk door de straling van de zon, maar er zijn ook gunstige omstandigheden nodig waarin het tot ontwikkeling kan komen. Planten bijvoorbeeld hebben niet alleen licht nodig, maar ook water, voedsel en het juiste klimaat om te kunnen bloeien.

Zo kunnen wij mensen ook alleen maar tot volledig mens-zijn opbloeien wanneer we ons, naast ons gewone dagelijkse leven, ook openstellen voor de straling van Tao, de Teh. Daarvoor moeten ook de omstandigheden gunstig zijn. Deze hebben we voor een groot deel zelf in de hand.

Wanneer we ons door de tienduizend dingen in beslag laten nemen, vullen we daar als het ware ons hart mee. Dan kunnen we minder openstaan voor de Teh. Hierdoor blokkeren we de mogelijkheid die we hebben gekregen om ons te verbinden met het grote mysterie van het leven, met Tao. Hiervoor is innerlijke stilte noodzakelijk.

We leven in een maatschappij die in toenemende mate op de vlucht lijkt te zijn voor stilte. Er zijn zoveel mogelijkheden tot communicatie, dat de overvloed aan woorden, geluiden en beelden ons dreigt te overheersen zodat uiterlijke stilte een schaars goed begint te worden.

Al die indrukken die we van buitenaf opdoen wekken een reactie in ons. Het vraagt energie om alles te verwerken. Energie die we niet kunnen gebruiken om ons tot Tao in het eigen hart te richten.

We zijn als iemand die op een mooie zomerse dag naar het strand gaat om van de zee te genieten. Het is er druk, er wordt gepraat en gelachen, kinderen spelen joelend met zand en water, er wordt luidkeels roepend met een bal gespeeld, karretjes met allerhande lekkers rijden bellend en toeterend langs de vloedlijn en in de lucht ronken reclamevliegtuigjes.

Aan het eind van de dag loopt het strand leeg. Wie is gebleven wordt zich ineens bewust van het ritmisch ruisen van de golven en beseft dat dit al die tijd aanwezig was.

We lazen en hoorden gisteren:

Wie zorgen, vreugde, blijheid, boosheid, begeerte
en zoeken naar voordeel kan loslaten
diens hart zal terugkeren
naar de natuurlijke staat van compleetheid.

Het is opvallend dat hier niet alleen over onze zogeheten ‘slechte’ eigenschappen wordt gesproken, want daarvan kunnen we ons nog wel voorstellen dat deze Tao in de weg staan, maar er worden ook enkele zogeheten ‘goede’ hoedanigheden genoemd. Dit is voor ons misschien wat moeilijker te plaatsen.

Er wordt mee bedoeld dat alle extremen van onze menselijke belevingen de stilte in ons hart in de weg staan.

Wij worden voortdurend geconfronteerd met zaken die ons diep raken en dat kunnen zowel vreugden zijn als verdriet. Beide horen nu eenmaal bij het leven. Het is van belang of wij in staat en bereid zijn om ze los te laten.

Daarmee wordt niet bedoeld een geforceerde poging om ‘spiritueel’ te zijn en net te doen alsof ze ons niet raken, want dat is gewoon een andere vorm van begeerte ten toon spreiden, de wens om ‘goed’ bezig te zijn.

Echt los kunnen laten is voor ons mensen pas mogelijk wanneer we ons open stellen voor iets dat onze menselijke beperkingen te boven gaat.

Dit gebeurt wanneer we ons richten tot wat in de tekst genoemd wordt: ‘De natuurlijke staat van compleetheid’. Dit houdt in dat een mens zich verbindt met de Teh in zijn hart.
Dat is alleen mogelijk wanneer we stil worden van binnen. We worden stil wanneer we afzien van een teveel aan begeren en het almaar zoeken naar eigen voordeel.

Daar is moed voor nodig.
Moed om open te durven zijn ten aanzien van alles wat zich aandient en dit te laten zoals het is.
Moed om vertrouwen te hebben in de kracht van Tao.
Moed om los te laten zonder ook maar enige zekerheid te hebben wat er daarna zal gebeuren.

Zichzelf loslaten is het moeilijkste dat er is voor een mens.
Durft hij dit aan, dan ontstaat door de werking van de Teh een innerlijke stilte en rust in zijn hart die niet in zijn tegendeel kan verkeren.

De Teh, of Deugd, brengt al het leven tot wasdom, voedt en beschermt het, is volstrekt onbaatzuchtig. Het grijpt nooit in wanneer wij mensen in zelfzucht onze levensweg gaan; het laat altijd ruimte waarin wij onze eigen ervaringen op kunnen doen.

De Teh werkt steeds vanuit de achtergrond. Wanneer wij veel kabaal maken zal zij zich niet opdringen, maar wanneer wij ons in stilte en bescheidenheid openstellen zal de Teh zich onmiddellijk op haar eigen stille wijze manifesteren.

Het laat zich nooit ergens op voorstaan, bezorgt ons geen schuldgevoel omdat we al die tijd met heel andere dingen bezig waren, maar gunt ons in liefde de vrijheid die wij nodig hebben.

De Teh is als een ouder die beseft dat zijn kind alleen leert door te mogen vallen, maar die zich op de achtergrond beschikbaar stelt wanneer het daar behoefte aan heeft. Het is een ‘diepe Deugd’ die ons de mogelijkheid schenkt om compleet te worden. Een mens te zijn die terwijl hij midden in de wereld van de tijdelijkheid staat, met het tijdloze in hemzelf verbonden blijft.

Lao Zi zegt daarover in vers 51:

Tao brengt de dingen voort.
Het brengt ze groot door Teh.

Teh brengt ze tot wasdom en vormt ze,
voltooit ze en doet ze rijpen
Voedt ze en beschermt ze.
Voortbrengen, maar zich niet toe-eigenen
Doen maar zich er niet op voor laten staan,
tot wasdom brengen maar zonder heerser te zijn,
dat is wat ‘diepe deugd’ genoemd wordt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *