Spirituele tekst 6

Spirituele Pasen 6: De cruciale overwinning op jezelf
Spirituele tekst voor vrijdagavond voor Pasen

 

Toen brachten zij Jezus van Kajafas naar de rechtszaal, naar Pontius Pilatus, de stadhouder. Het was vroeg in de morgen en zelf gingen zij de rechtszaal niet binnen, opdat zij niet verontreinigd zouden worden en het paasfeest konden vieren.

Pilatus ging naar hen toe en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’

Zij antwoordden: ‘Als hij geen booswicht zou zijn zouden wij hem niet aan u overgeleverd hebben. Wij hebben een wet en volgens die wet moet hij sterven omdat hij de gebruiken en riten die Mozes ons overgeleverd heeft, veranderen wil. Hij riep zich zelfs uit tot de zoon van God.’

Toen zei Pilatus tegen hen: ‘Neem hem mee en berecht hem volgens uw wet.’ Hij wist immers dat zij hem uit nijd overgeleverd hadden.

Toen zeiden de joden tegen hem: ‘Het is ons niet toegestaan iemand ter dood te brengen.’ Aldus werd bewaarheid wat Jezus gezegd had omtrent de dood die hij sterven zou. Zij beschuldigden hem ook nog van andere zaken: ‘Wij hebben ontdekt dat deze man het volk opruit en verbiedt om de keizer schatting te betalen, en dat hij zegt dat hij zelf Christus, een koning is.’

Toen ging Pilatus de rechtszaal weer binnen en zei tegen Jezus: ‘Bent u de koning van de joden?’ Jezus antwoordde: ‘Zegt u dit uit uzelf, of hebben anderen u dit over mij gezegd?’

Pilatus antwoordde: ‘Ben ik een jood? Uw eigen volk en de hogepriesters hebben u aan mij overgeleverd; wat hebt u gedaan?’

Jezus antwoordde: ‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld; als mijn koninkrijk van deze wereld zou zijn zouden mijn knechten gevochten hebben, opdat ik niet aan de joden overgeleverd zou worden; mijn koninkrijk nu, is niet van hier.’

Pilatus zei tegen hem: ‘Dus u bent toch een koning?’

Jezus antwoordde: ‘U zegt het, ja, een koning ben ik. Hiertoe werd ik geboren en ik ging in de wereld om te getuigen van de waarheid. Iedereen die de waarheid herkent, hoort mijn stem.’

Pilatus zei tegen hem: ‘Wat is waarheid?’

Jezus antwoordde: ‘De waarheid is uit de hemel.’

Pilatus zei: ‘Dan is er geen waarheid op aarde.’

Jezus zei tegen Pilatus: ‘Neemt u maar aan dat de waarheid op aarde onder hen is, die haar ontvangen en gehoorzamen. Zij die rechtvaardig oordelen, zijn deel van de waarheid.’

Toen hij dit gehoord had ging hij weer naar buiten naar de joden en zei tegen hen: ‘Ik vind hem in het geheel niet schuldig.’

Toen Jezus door de hogepriesters en oudsten beschuldigd werd, antwoordde hij hun niet. Toen zei Pilatus tegen hem: ‘Hoort u niet wat zij allemaal tegen u inbrengen?’

Hij antwoordde hem niet zodat de stadhouder zich erg verbaasde. Opnieuw zei hij tegen hen: ‘Ik vind hem in het geheel niet schuldig.’

Nu werden zij nog kwader en zeiden: ‘Hij stookt het volk op terwijl hij al onderwijzend door het hele joodse rijk trekt, beginnend te Galilea en ook hier.’

Toen Pilatus hoorde over Galilea vroeg hij of deze man een Galileeër was.  Zodra hij te weten kwam dat deze man binnen het rechtsgebied van Herodes viel, zond hij hem naar Herodes, die in die periode ook in Jeruzalem was. Toen Herodes Jezus zag was hij heel verheugd want hij had hem al lang willen zien, omdat hij veel over hem gehoord had. Ook hoopte hij een wonder van hem te zien.

Vervolgens ondervroeg hij hem langdurig maar hij antwoordde hem niet. De hogepriesters en schriftgeleerden die daar stonden beschuldigden hem van alles en nog wat en veel valse getuigen legden hem dingen ten laste waarover hij niets wist. Herodes en zijn soldaten hoonden en bespotten hem. Zij kleedden hem in een prachtig gewaad en zonden hem weer naar Pilatus terug. En op die dag werden Pilatus en Herodes vrienden, want voordien leefden zij in vijandschap met elkaar.

Pilatus ging opnieuw de rechtszaal binnen en zei tegen Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’

Jezus gaf hem geen antwoord. Toen zei Pilatus: ‘Spreekt u niet tegen mij? Weet u niet dat ik
de macht heb u te kruisigen en de macht om u vrij te laten?’

Jezus antwoordde: ‘U zou geen enkele macht over mij hebben, tenzij die u van boven gegeven zou zijn. Hij die mij aan u heeft overgeleverd, beging een grotere zonde dan u.’

Van dat ogenblik af trachtte Pilatus hem vrij te krijgen maar de joden riepen: ‘Als u deze man vrij laat, bent u geen vriend van de keizer; hij die zichzelf voor koning uitgeeft, staat op tegen de keizer.’

Pilatus riep de hogepriesters en de leiders van het volk bijeen. Toen hij op de rechterstoel zat zond zijn vrouw hem een boodschap: ‘Heb toch niets te doen met deze rechtvaardige mens, want ik heb vannacht in een droom deze dag doorleden.’

Pilatus zei tegen hen: ‘U hebt deze man bij mij gebracht als iemand die het volk misleidt en ziet, ik heb hem voor u verhoord en in deze man niets aangetroffen over de dingen waarvan u hem beschuldigt. Ook Herodes niet, want ik zond u naar hem en ziet, niets waarvoor hij de dood zou verdienen, is in hem gevonden. Maar u hebt een gebruik dat ik op het paasfeest iemand zou vrijlaten; zal ik daarom de koning van de joden vrijlaten?’

Toen schreeuwden ze allemaal opnieuw: ‘Niet deze man, maar Barabas.’ Barabas was een rover die wegens ordeverstoring in de stad en voor moord in de gevangenis was gezet.

Pilatus, die Jezus wilde vrijlaten, sprak weer tegen hen: ‘Wie van de twee zal ik vrijlaten, Jezus Barabas of Jezus die de Christus genoemd wordt?’

Zij zeiden: ‘Barabas.’

Daarop zei Pilatus tegen hen: ‘Wat moet ik dan doen met Jezus die de Christus wordt genoemd?’

Zij riepen allemaal: ‘Kruisig hem! Kruisig hem!’
De stadhouder vroeg: ‘Wat voor kwaad heeft hij gedaan?’
Zij schreeuwden alleen maar nog luider: ‘Kruisig hem! Kruisig hem!’

Pilatus sprak opnieuw: ‘Ziet, ik breng hem weer bij u, opdat u zult weten dat ik geen schuld bij hem vind.’ En opnieuw schreeuwden zij: ‘Kruisig hem! kruisig hem!’

Voor de derde keer vroeg Pilatus hun: ‘Waarom? Wat voor kwaad heeft hij gedaan? Ik heb niets aangetroffen waarvoor hij de dood verdient. Ik zal hem daarom laten geselen en dan rijlaten.’

Met luid geschreeuw eisten zij dat hij gekruisigd zou worden. Hun stemmen en die van de hogepriesters zegevierden. Toen Pilatus zag dat hij niets bereikte maar dat er veeleer oproer ontstond, waste hij ten aanschouwe van de menigte zijn handen met water en zei: ‘Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige; het is voor uw rekening.’

Eenstemmig antwoordde het volk: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen.’ Daarop gaf Pilatus bevel dat het zou zijn zoals zij eisten. En hij gaf Jezus over aan hun willekeur.

De kruisiging

Toen liet hij Barabas vrij en nadat hij Jezus had laten geselen leverde hij hem uit om gekruisigd te worden. De soldaten van de stadhouder brachten Jezus naar het raadhuis waar toen alle soldaten met hem samen waren. Zij trokken hem een purperen mantel aan. Ook vlochten zij een kroon van doornen die zij op zijn hoofd zetten. Daarna gaven zij hem een rietstok in zijn rechterhand, bogen hun knie voor hem en bespotten hem: ‘Heil u, koning van de joden.’

Toen kwam Jezus naar buiten met de doornenkroon op en in de purperen mantel. Pilatus zei tegen hen: ‘Ziet de mens.’

Toen de hogepriesters en de leiders van het volk hem zo zagen schreeuwden zij: ‘Kruisig hem! kruisig hem!’

Pilatus zei: ‘Neemt u hem en kruisigt hem, want ik vind geen schuld in hem.’ Zij bespuwden hem en met de rietstaf sloegen zij hem op zijn hoofd. En nadat zij de spot met hem gedreven hadden, trokken zij zijn mantel uit, deden hem zijn eigen kleren aan en leidden hem weg om gekruisigd te worden.

Toen zij hem wegleidden, hielden zij een zekere Simon van Cyrene aan die van het veld kwam, en zij lieten hem het kruis achter Jezus aan dragen. Een grote menigte volgde hem waaronder vrouwen, die weenden en klaagden over zijn lot.

Maar Jezus, die zich naar hen keerde, zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huilt niet om mij, maar om uzelf en uw kinderen. Want ziet, de dagen komen waarin u zult zeggen: Gezegend zijn de onvruchtbaren en de schoot die nooit heeft gebaard en de borsten die nooit gezoogd hebben. Dan zullen zij tot de bergen zeggen: Valt op ons, en tot de heuvels: Bedekt ons. Want als zij dit het groene hout aandoen, wat zal er dan met het dorre gebeuren?’

Er werden met hem nog twee misdadigers meegevoerd om ter dood te worden gebracht. En toen zij bij een plaats genaamd Calvarië en Golgotha gekomen waren, dat wil zeggen ‘schedelplaats’, kruisigden zij hem. De misdadigers hingen zij rechts en links van hem.

Het was drie uur toen zij hem kruisigden. Zij gaven hem azijn met gal vermengd te drinken maar toen hij daarvan geproefd had wilde hij het niet drinken. Jezus zei: ‘Abba-Amma, vergeef het hen, want zij weten niet wat zij doen.’

Toen de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij zijn kleren en deelden die in vieren, voor elke soldaat een deel. Zijn overkleed echter had geen naad en was in een stuk geweven. Daarom zeiden zij: ‘Laten we dit niet verscheuren maar er om loten voor wie het zal zijn.’

De soldaten deden deze dingen, zodat wat geschreven was vervuld zou worden: ‘Zij verdeelden mijn kleren onder elkaar en om mijn overkleed hebben zij geloot.’ De soldaten bewaakten hem terwijl zij op de grond zaten. Er was een opschrift boven hem aangebracht in het Grieks, Latijn en Hebreeuws: ‘Dit is de koning van de joden’.

Dit opschrift nu werd ook door veel joden gelezen, want de plaats waar Jezus gekruisigd was, lag dichtbij de stad, en het was immers in het Hebreeuws, het Grieks en het Latijn geschreven.

Toen zeiden de hogepriesters van de joden tegen Pilatus: ‘Schrijf niet ‘de koning van de joden’, maar dat hij zegt dat hij de koning van de joden is.’

Pilatus antwoordde: ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.’

Een van de gekruisigde misdadigers bespotte hem: ‘Als u de Christus bent, verlos uzelf en ons.’

De andere sprak hem bestraffend toe: ‘Vreest u God niet, nu u dezelfde straf ondergaat? Wij zijn terecht veroordeeld want wij krijgen ons verdiende loon maar deze man heeft niets kwaads gedaan.’

Hij zei tegen Jezus: ‘Heer, gedenk mij als u in uw koninkrijk gekomen bent.’

Jezus antwoordde: ‘Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, heden zult u met mij in het paradijs zijn.’

Voorbijgangers beschimpten hem, schudden hun hoofd en zeiden: ‘U, die de tempel wilde vernietigen en deze in drie dagen weer wilde opbouwen, red uzelf. Als u de zoon van God bent, kom dan van het kruis af.’

Ook de hogepriesters bespotten hem, terwijl de schriftgeleerden en oudsten zeiden: ‘Hij redde een lam maar zichzelf kan hij niet redden. Als hij de koning van Israël is kan hij nu van het kruis afkomen en wij zullen hem geloven. Hij heeft op God vertrouwd, laat die hem dan redden, als hij hem tenminste hebben wil. Hij heeft immers gezegd: Ik ben de zoon van God.’

De woekeraars en de handelaren in dieren en vogels zeiden: ‘U die de handelaren in ossen, schapen en duiven uit de tempel joeg bent zelf slechts een schaap dat geofferd wordt.’

Vanaf het zesde uur tot het negende uur werd het in het hele land donker, en sommigen omstanders staken hun toortsen aan, want het was erg donker. Ongeveer te zes uur riep Jezus met luide stem: ‘Eli, Eli, lama sabachthani?’ Dat betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

Er waren omstanders die dit hoorden en zeiden: ‘Deze man roept om Elias’; anderen zeiden: ‘Hij roept de zon aan.’

De overigen zeiden: ‘Laat maar, we zien wel of Elias komt om hem te verlossen.’

Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster van zijn moeder, Maria, de vrouw van Kleopas, en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag en bij haar de leerling die hij liefhad, zei hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, zie uw zoon.’ Tegen de leerling zei hij: ‘Zie uw moeder.’ Vanaf dat moment nam de leerling haar op in zijn huis.

Daarna zei Jezus, die wist dat alles nu volbracht was, opdat wat geschreven was vervuld zou worden: ‘Ik heb dorst.’ Zij vulden een spons met azijn uit een vat, deden die op een hysopstengel en brachten deze naar zijn lippen.

Jezus riep met luider stem: ‘Abba-Amma, in uw handen beveel ik mijn geest.’

Toen Jezus de azijn gedronken had, riep hij luid: ‘Het is volbracht!’ en terwijl hij het hoofd boog, gaf hij de geest.

En het was negen uur.  Zie, er flitsten bliksems en er klonken geweldige donderslagen; de scheidingsmuur van het heilige der heiligen, waarvoor de voorhang hing, viel naar beneden, scheurde in tweeën. Ook beefde de aarde en spleten de rotsen. Toen de hoofdman over honderd en alle anderen die Jezus bewaakten de aardbeving voelden en zagen wat er gebeurde waren zij bang en zeiden: ‘Waarlijk, deze was een zoon van God.’

Er waren ook veel vrouwen die hem van Galilea gevolgd waren en die hem dienden. Onder hen was Maria, de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de kinderen van Zebedeüs, en zij klaagde: ‘Het licht van de wereld is voor onze ogen verborgen; de heer, onze geliefde, is gekruisigd.’

De joden verzochten Pilatus, dat de beenderen zouden worden gebroken en de lichamen weggehaald zouden worden. Want deze mochten gedurende de sabbat niet aan het kruis zouden blijven, omdat het de voorbereiding was voor de sabbat van Pasen.

De soldaten braken de beenderen van de beiden die met hem gekruisigd waren. Maar toen zij bij Jezus kwamen en zagen dat hij al gestorven was, braken zij zijn beenderen niet. Een van de soldaten echter doorstak met een speer zijn hart, waar onmiddellijk water en bloed uitstroomde.

Hij die het gezien heeft, heeft het getuigd en zijn getuigenis is waarachtig. Weet dat hij de waarheid spreekt zodat u het ook geloven kunt. Want dit alles is gebeurd volgens de geschriften: ‘Geen been van hem zal gebroken worden’, en ook: ‘In het midden van de week zal de messias afgenomen worden.’

De begrafenis van Jezus

Toen de avond gevallen was kwam Jozef van Arimathea, een eerbaar raadslid die ook het koninkrijk van God verwachtte, bij Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. (Hij was een goed en rechtvaardig man en was het met het besluit en de daden van de raad niet eens.) o Het verwonderde Pilatus dat hij al gestorven was en hij riep de hoofdman
over honderd, en vroeg hem of hij inderdaad al dood was.

Toen dit door de hoofdman bevestigd werd gaf hij het lichaam aan Jozef. Daarop heeft deze het lichaam van Jezus (van het kruis) afgehaald. Nicodemus kwam ook, die eerder ‘s nachts bij Jezus gekomen was; hij bracht een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd pond, mee. Zij wikkelden het lichaam van Jezus in linnen doeken samen met de specerijen, zoals bij  de joden gebruikelijk is bij het begraven.

Op de plaats waar hij was gekruisigd was er een tuin en in die tuin bevond zich een nieuw graf waarin nog niemand lag. Zij legden Jezus daarin en ongeveer aan het begin van de tweede nachtwake begroeven zij hem. Zij deden dit omdat het de dag van de voorbereiding (voor het paasfeest) van de joden was en de grafspelonk dichtbij was.

Maria Magdalena, de andere Maria, en Maria, de moeder van Jozef, zagen waar hij in gelegd was. Bij dat graf hielden zij toen drie dagen en drie nachten de wacht. De vrouwen die met hem uit Galilea gekomen waren volgden later met lampen in hun handen. Zij zagen het graf en hoe het lichaam werd bijgezet en zij klaagden en weenden om hem. Zij keerden terug en rustten de volgende dag omdat het een feestdag was.

De dag daarop bereidden zij geurige kruiden en zalven en wachtten op het einde van de sabbat. De dag daarop kwamen de hogepriesters en de farizeeën bij Pilatus en zeiden: ‘Heer, wij herinneren ons dat die bedrieger toen hij nog leefde heeft gezegd: Na drie dagen zal ik weer opstaan. Geef daarom bevel dat het graf bewaakt wordt tot na de derde dag, anders komen ’s nachts zijn discipelen die hem weghalen. Die zeggen dan tegen het volk: Hij is uit de dood opgestaan. Dan zou het laatste bedrog nog erger zijn dan het eerste.’

Pilatus antwoordde: ‘U kunt een wacht krijgen. Gaat uw gang; beveiligt alles zo goed als u kunt.’ Zij gingen ernaartoe, verzegelden de ingang van het graf en zetten er een wacht bij tot de drie dagen verstreken zouden zijn.

Bron: De hoofdstukken 81, 82 en 83 van Het evangelie van de heilige twaalven

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *