Beschouwing 4

Spirituele Pinksteren 4: De transfiguratie aanschouwen
Beschouwing voor woensdagochtend voor Pinksteren

 

4 spirituele pinksteren

De toestand waarin de huidige mensheid zich bevindt, is gezien vanuit het heilige en de kosmische orde, tamelijk dramatisch. Want de mens is geen concrete manifestatie meer van het heilige en hij weerspiegelt het goddelijke niet meer. Bovendien is ons levensmilieu ernstig vervuild en dan vooral in de niet waarneembare, subtiele leefgebieden en sferen van de aarde en van de mens.

Daardoor bevinden we ons als mensheid kwalitatief op het laagste niveau van de hiërarchische orde. Niet alleen ten opzichte van de engelenscharen, maar ook ten opzichte van het mineralenrijk, het plantenrijk en het dierenrijk, want de mineralen, de planten, de dieren en de engelen bevinden zich wel op hun natuurlijke plaats.

Hoe kon dat gebeuren? Daarvoor wenden we ons tot de mythen van de mensheid. Mythen bevatten innerlijke kennis die in symbooltaal is gesluierd en elke mythe is als een oester waarin een parel van wijsheid ligt. Mythen sporen de mens aan tot beleven, doorvorsen en verinnerlijken.

Volgens de scheppingsmythe in het eerste hoofdstuk van het bijbelboek Genesis is de mens op de zesde dag geschapen als androgyn geestelijk wezen, naar Gods evenbeeld. De oorspronkelijke mens draagt alle dimensies en niveaus van werkelijkheid in zich. Het vermogen tot scheppen en de absolute vrijheid van keuze dragen grootse mogelijkheden in zich. Maar tevens de grootste gevaren. Want de jonge Mens is een nog onbewuste god en een heelal in het klein: een micro-kosmos die, in een volkomen vrijheid, scheppend werkzaam kan zijn.

De Mens wordt volgens de mythe gevormd uit stof, uit aarde, en hem wordt de levensadem in de neus geblazen: hij gaat ademen in en leven uit de energieën van zijn eigen schepper. Hij wordt in de gelegenheid gesteld zo zijn scheppingskracht en vrijheid te leren aanwenden, en zo het plan van God te leren kennen. De jonge Mens kan zich dan ontwikkelen vanuit een onbewuste staat tot een levende geest-ziel, tot een bewuste brug tussen Schepper en schepping.

Zijn lichaam bestaat uit ‘stof’ of ‘aarde’, dat is de fijnstoffelijke oermaterie van het hemelse etherlichaam. Het grofstoffelijke lichaam dat wij zo goed kennen van onszelf, waarvan ons Ik gebruik maakt en waarin we elkaar kunnen waarnemen, bestaat uit grove materie en is een ander lichaam dan het oorspronkelijke. Dit lichaam lag niet besloten in het plan en is het gevolg van een incident tijdens de ontwikkeling van de Mensheid. In veel mythen en legenden wordt dat incident aangeduid als een val, een val in een lagere wereld.

Als woonplaats voor de Mens Adam wordt een hof gesticht, een omheinde plaats in Eden, en Eva wordt uit hem voortgebracht. Er stromen vier rivieren uit een enkele bron en de hof is vol met bomen met zaaddragende vruchten. De tot leven gewekte Mens zal uitsluitend eten van zaaddragende vruchten, zo vertelt Genesis 1:29. Al het overige dat tot voedsel zou kunnen dienen, is bestemd voor de andere wezens zoals de dieren. Ook staan er, in het midden van de Hof van Eden, twee bomen: de boom des levens en de boom van kennis van goed en kwaad, dat is de boom van het bewustzijn van dualiteit.

De androgyne mens Adam wordt in de Hof van Eden tot een tweepolig wezen gemaakt, een Adam-Eva. Adam is de mannelijke, inademende en scheppende kracht ‘bewustzijn’. Eva is de vrouwelijke, dynamiserende en voortbrengende kracht ‘verlangen, begeren’. Ieder mens kan voor zichzelf nagaan dat verlangen en begeren onlosmakelijk verbonden zijn met dualiteit.

Verlangen komt voort uit het bestaan van twee polen: je kunt alleen maar verlangen naar iets dat je niet hebt of om ergens te zijn waar je niet bent. Verbroken eenheid wil zich weer herstellen. En de kracht die alles, maar dan ook alles, in beweging zet en eenheid weer mogelijk maakt, is de enorme kracht van het verlangen.

De samenwerkende krachten Adam-Eva komen in het huidige menselijke lichaam tot uitdrukking in het slangenvuur dat zich bevindt in het ruggenmerg in de wervelkolom. Er wordt wel gesproken over de vurige slang (Adam) en de koperen slang (Eva) die in iedere mens aanwezig zijn. Eva wordt verleid door de slang, zo vertelt de mythe, om de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad te eten.

Deze zeer gesluierde aanduiding duidt op de universele werking van de twee-eenheid Adam-Eva in ieder mens: dat wat nog onzichtbaar in het bewustzijn, Adam, leeft, wordt als daad zichtbaar door Eva, de voortbrengingsdrang. Adam en Eva eten dan ook beiden van de vrucht van de boom van goed en kwaad, het kan niet anders: de gevolgen van een daad worden altijd door het bewustzijn opgenomen.

Adam en Eva zijn de enige weg tot zelfbewustzijn en kennis, de ene slang verleidt de andere. De Mens Adam-Eva heeft de ingeboren drang gelijk te worden aan God, het is zelfs de reden van zijn bestaan, en hij vermoedt dat hij dat beter kan als hij meer kennis van dualiteit heeft.

Daarom, uit verlangen naar kennis, maar in onwetendheid en volkomen vrijheid, maakt de Mens de keuze te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Hij wordt zich onmiddellijk bewust van zijn onbewustheid, zijn naaktheid en bedekt zijn scheppende vermogens met vijgenbladeren, symbool voor onder andere ontwaken, inwijding. Adam en Eva worden daarop door God gekleed in dierenvellen; alle niet zaaddragende vruchten waren immers bestemd voor de dieren en andere wezens.

De Mens ontvangt grofstoffelijke lichamen van mannelijke dan wel vrouwelijke aard en gaat daarin zijn zelfgekozen ervaringsweg tot ‘kennis van goed en kwaad’. Wordt als het ware ingewijd in de mysteriën van de dualiteit.

Laten we de essentie van deze Genesis mythe eens in een ander beeld weergeven, een beeld dat tot een dieper en innerlijk begrip kan leiden. Want in de mythe van de val ligt het fundament tot die fase op het spirituele pad die wordt genoemd ‘de verheerlijking op de berg’.

Alles wat inademt, moet ook weer uitademen. Wat wordt ingeademd, wordt in veranderde toestand uitgeademd. Dat kan om lucht gaan, maar ook om bijvoorbeeld energieën. De kleine wereld Mens is bedoeld om mee te werken aan het vormgeven van de schepping door het inademen, omzetten en weer uitstralen van goddelijke energieën.

Een deel van de menselijke microkosmoi kiest ervoor om de goddelijke energieën wel te ontvangen, maar niet te transformeren en uit te stralen. Deze vurige concentratie van krachten veroorzaakt oververhitting, disharmonie en beschadiging.

De door de werking van begeerte getroffen microkosmoi worden daarom buiten de Hof van Eden geplaatst, in een nieuw omheind gebied met een veel lagere frequentie, een hogere dichtheid en andere wetmatigheden. Dit om verder onheil binnen de schepping te voorkomen en mogelijkheden te bieden voor herstel.

Langzamerhand vergeet de Mens daar zijn hoge afkomst en zijn taak. Hij is als in slaap gevallen in de trage wereld van de stof, kan zichzelf daarin niet uitdrukken. Zijn hemelse lichaam is uiteen gevallen en zijn vermogens tot denken, voelen en willen zijn verplaatst naar de ‘dierenvellen’, naar de materiële mens, waarin deze vermogens zich nog in zeer afgezwakte vorm uitdrukken.

De drie vermogens denken, voelen en willen namelijk leiden in hun samenhang altijd tot scheppend handelen, tot daden. Door onze onbewustheid echter en onder drang van onze begeertes leiden ze helaas vaak tot daden die we betreuren of niet kunnen tegenhouden. Maar alles wat bestaat, heeft een ingeschapen drang naar evenwicht en herstel.

Sinds het inzetten van ‘de val’ wordt er vanuit de hemelse hiërarchieën onafgebroken gewerkt om de gevallen, slapende Mensen te wekken en ze in staat te stellen hun hemelse lichaam weer op te bouwen. Zij ontvangen daartoe een tijdelijke plaatsvervanger: de sterfelijke mens. Alleen daarmee kunnen ze terugkeren naar de Hof van Eden om daar hun plaatsen weer in te nemen als brug tussen Schepper en schepping.

Er worden vele wereldleraren gezonden, er worden mythen en legenden met de mensheid verbonden, er worden boeken geschreven, mysteriescholen gesticht om in de gevallen Mensen toch vooral de herinnering aan hun oorspronkelijk thuis levend te houden.

Door onze actuele levenscondities echter gaan de lichamen van grove materie maar een bepaalde tijd mee en moeten steeds worden vervangen. De lichaamloze microkosmos Mens ontvangt keer op keer een nieuw grofstoffelijk lichaam en een daaraan verbonden sterfelijke persoonlijkheid.

Alleen deze persoonlijkheid kan de ervaringsweg door ‘goed en kwaad’ namens de microkosmos voortzetten en het spirituele pad van wedergeboorte van het zielelichaam in gang zetten; zo’n mens wordt dan leerling van de Gnosis. Vele, vele incarnaties zijn echter nodig voor er voldoende ‘kennis van goed en kwaad’ is opgedaan.

Want al die persoonlijkheden doen op verschillende plaatsen ervaringen op waarvan de essentie wordt bewaard als dat wat wij noemen karma. Dat is de genade van de wet van karma: geen enkele ervaring gaat verloren, geen enkele ervaring komt voor niets. Daarom wordt er gezegd: Ik ben een wandelaar die plaats na plaats en huis na huis wisselt, totdat ik aankom in de stad en het huis, die eeuwig zijn. (Het evangelie van de heilige twaalven 37:8)

Na vele levens en ervaringen in de grofstoffelijke wereld met bijbehorend lichaam, komt de drang naar ‘kennis van goed en kwaad’ tot een volheid. Er ontstaat een soort vermoeidheid, een vreemd soort rust. De persoonlijkheid weet niet meer waar hij zijn verlangen nog op zou kunnen richten, hij heeft het gevoel alles al eens gezien, alles al meegemaakt te hebben.

Hij ervaart vooral een diep verlangen naar heelheid, diepgang en waarachtig leven. Dit nieuwe verlangen welt op uit de geestvonk en kan het innerlijke bewustzijn verheffen tot de hoogte van het ware leven van de Mens. Wanneer de persoonlijkheid dat nieuwe hogere verlangen brandend houdt en de impulsen van de ziel door vele weerstanden heen volgt, verandert hij.

Deze verandering wordt beeldend weergegeven in de mythe van de verheerlijking op de berg, zoals deze staat beschreven in de evangeliën van Mattheüs (17:1-13), Marcus (9:2-13) en Lucas (9:28-36), en in Het evangelie van de heilige twaalven.

Jezus brengt zijn discipelen naar een hoge berg; zij verheffen zich innerlijk, zij zoeken bewust contact met het oorspronkelijke. Het zijn Jacobus, Johannes en Petrus. Zij staan symbool voor drie kernvermogens van de persoonlijkheid: denken, voelen en willen. Deze vermogens behoren in een hoger octaaf tot de ziel en zijn daar: kennis, liefde en daad.

In hoofdstuk 46 van Het evangelie van de heilige twaalven lezen we:

Terwijl Jezus bad, veranderde zijn aangezicht en waar zij bij waren, onderging hij een verandering. Zijn gezicht straalde als de zon en zijn gewaad was wit als het licht. Toen verschenen Mozes en Elias die met hem over de wet spraken en over zijn verscheiden, dat te Jeruzalem plaats zou hebben.

Mozes zei: ‘Deze is het over wie ik voorzegde: een profeet evenals ik voortkomend uit uw broeders zal de eeuwige u zenden, en wat de eeuwige tegen hem zegt, zal hij tegen u zeggen. Hem zult u aanhoren en wie niet gehoorzamen, zullen hun eigen ondergang teweegbrengen.

Toen zei Petrus tegen Jezus: ‘Heer, het is goed dat wij hier zijn; als u wilt, richten wij hier drie tabernakels op, een voor u, een voor Mozes en een voor Elias.’ Terwijl hij nog sprak overschaduwde een lichtende wolk hen en twaalf stralen als van de zon kwamen van achter de wolk tevoorschijn. Vanuit de wolk kwam een stem die sprak:

‘Dit is mijn geliefde zoon in wie ik mijn welbehagen heb; luister naar hem.’

Toen de discipelen dit hoorden, verbaasden zij zich enorm en lieten zij zich ontsteld plat op de grond vallen. Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: ‘Staat op, vreest niet.’ Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand anders dan Jezus en de zes emanaties die rondom hem waren.

(Het evangelie van de heilige twaalven 46:1-6)

Uit het eerste verlangen, namelijk dat naar ware kennis, werd ooit de mens in de grove materie geplaatst met een daarvoor geschikt lichaam. Uit de nieuwe Eva, het verlangen naar het ware leven, wordt een nieuw zielelichaam geformeerd uit etherkrachten. Met dit lichaam kan de hof van Eden weer worden betreden.

In een innerlijk schouwen wordt dit nieuwe lichaam van Jezus, de innerlijke Mens, waargenomen. De mens aanschouwt iets van de transfiguratie die zich in hem voltrekt. In het visioen spreken drie grote profeten met elkaar: Mozes, Elias en Jezus. Zij duiden op een drievoudig verbond met de Universele Broederschap die de mensheid bijstaat.

De joodse Bijbel wordt ook wel de Wet en de Profeten genoemd. De Wet is de zogeheten Thora die wordt toegeschreven aan Mozes en die zijn weerslag vindt in de eerste vijf bijbelboeken die christenen het Oude Testament noemen. Die wet is veel meer dan een verzameling verhalen en voorschriften. Diepe innerlijke kennis ligt eraan ten grondslag. Daarom staat er geschreven: het gewaad van de Thora is niet de Thora.

Mozes, een Egyptische ingewijde en priester van Osiris, symboliseert de kennis van de Wet. Elias vertegenwoordigt de profeten en symboliseert de liefde voor de Wet. En Jezus, vanaf zijn doop in de Jordaan de Christus, symboliseert de vervulling van de Wet. Hij zei:

Meent niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten teniet te doen. Ik ben niet gekomen om af te breken maar om te vervullen. Want waarlijk, ik zeg u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan zal er geen tittel of jota van de wet of de profeten vergaan, tot alles vervuld zal zijn. Maar ziet, iemand, belangrijker dan Mozes is hier en hij zal u de hogere wet, ja, de volmaakte wet geven en deze wet zult u gehoorzamen.

(Het evangelie van de heilige twaalven 25:8)

De uiterlijke wet, waaronder de tien geboden zoals die gegeven zijn door Mozes, houdt de mens in wie de ziel nog niet ontwaakt is, binnen zekere morele grenzen. Deze wet behoedt voor kristallisatie en verval en bereidt voor op innerlijke ontwikkeling. Zodra er een innerlijk ontwaken heeft plaatsgevonden en de zevenvoudige ziel, gesymboliseerd door Jezus en de zes emanaties, voldoende krachtig is geworden, neemt de hogere wet van de ziel de plaats van de uiterlijke wet in.

De Bergrede is een weergave van de innerlijke wet, de Liefdewet van de Ziel. Als de leerling van de ziel op dit punt van ontwikkeling werkelijk luistert naar de innerlijke wet, dan kunnen de zuivere vermogens van de ziel ‘denken, voelen en willen’ zich in de persoonlijkheid weerspiegelen als een van ware kennis doorstraald ‘begrijpen, liefhebben en dienen’. Vanuit de lichtende wolk klinkt dan een stem die spreekt:

‘Dit is mijn geliefde zoon in wie ik mijn welbehagen heb; luister naar hem.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *