Beschouwing 7

Spirituele Pinksteren 7: opgetrokken worden in een hoger gebied
Beschouwing voor zaterdagochtend voor Pinksteren

 

7 spirituele pinksteren

Ieder mens op aarde beschikt over een levensboom. Het is de ruggengraat van 33 wervels met daarin, naast het fysieke ruggenmerg, het slangenvuur. Deze vurige stroom van energie is het kanaal waarlangs het bewustzijn wordt overgedragen op het fysieke zenuwstelsel van de mens.

Hoewel de mens in biologische zin een levend wezen is, is er vanuit gnostiek perspectief geen sprake meer van een levensboom, van een Boom des Levens. In de huidige staat van de individuele mens en van de mensheid in het algemeen is de levensboom te gekristalliseerd en te beschadigd om de vuurkracht van de heilige geest te verdragen.

Nu circuleren in het slangenvuur de bewustzijnskrachten die nodig zijn voor het leven in de materiële wereld. Dat is tenslotte de wereld waar we op dit moment bewustzijn van hebben, waarin we onze levens leiden en die we kunnen waarnemen door middel van onze zintuigen.

Onze levensboom is volkomen afgestemd op het leven in de stoffelijke wereld en diens astrale tegenhanger, de eens zo luisterrijke Boom des Levens is vervallen tot een troosteloze, afgehouwen tronk zoals de profeet Jesaja het heel treffend uitdrukt.

Maar wie wel eens door de verdrietige aanblik van een afgehouwen boom in een bos of tuin heeft weten heen te kijken, weet dat zelfs uit een ogenschijnlijk levenloze tronk weer een volwaardige boom kan groeien. Het begint dan met een klein rijsje, ergens aan de zijkant.

Zo is het ook met de Mens; het begint met de licht-aanraking van de geestvonk in het hart, met de licht-kus. De kundalini des harten begint dan weer te stromen en een klein straaltje licht rijst op uit de wortel van de boom. Jesaja schrijft hierover:

Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei. De geest van de HEER zal op hem rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de HEER. Hij ademt ontzag voor de HEER; zijn oordeel stoelt niet op uiterlijke schijn, noch grondt hij zijn kennis op geruchten.
(Jesaja 11:1-2)

Deze profetie uit het oude testament wordt vaak beschouwd als de aankondiging van de geboorte van de verlosser. Dat is in gnostieke zin dan ook volkomen juist: in ieder mens rust immers de geestkern in het hart waarin de verlossende kosmische Christuskracht kan worden ontvangen.

De profetie van Jesaja is op ieder mens van toepassing en in het  bijzonder op de periode waarin we nu leven. De huidige kosmische condities staan geheel in het teken van ‘het voortbrengen van een nieuwe boom’ uit de afgehouwen tronk.

Door de biologische toestand van de huidige mensheid is het echter niet gemakkelijk om de ziel te bevrijden uit zijn gevangenschap. Hart en bewustzijn zijn gericht op deze wereld waarin angsten en zorgen de boventoon voeren. De energiestromen in het slangenvuur zijn daar mee in overeenstemming.

Vaak is het alleen mogelijk het hart te openen voor het leven van de ziel door middel van een grote levensschok. Een diep ingrijpende levenservaring kan met grote kracht het hart in een andere richting laten kijken. Soms zijn er meerdere schokken nodig om het hart open te houden voor het leven van de gevangen ziel. Maar dan kan in het gewonde hart de troostende lichtkracht uit het levensveld van de ziel indalen. Het is de doop met levend water.

De kundalini des harten rijst op uit het hart en vangt zijn weg aan naar het hoofd van de mens. Daar opent het de latente spirituele vermogens van het hoofd, die voor de evolutie van de zevenvoudige persoonlijkheid als zaden daartoe zijn neergelegd.

De zuivere lichtkracht uit het hart reinigt de fysieke denkorganen van de mens, brengt ze letterlijk op een hoger niveau van werkzaamheid. Bepaalde gedachten van lagere aard zoals jaloezie, afgunst of kritiek zullen dan van binnenuit worden afgewezen. En zodra een bepaalde minimale reiniging is bereikt, daalt de lichtkracht ook in in een speciaal orgaan in het midden van het hoofd,  de hypofyse: het is de doop in levend vuur.

En dan volgt het meest bijzondere en meest spirituele levensproces dat een mens in zijn leven kan meemaken: de opbouw van de Boom des Levens in de levende biologische mens, vanuit het rijsje in het hart.

De lichtkracht daalt via de rechterstreng van de nervus sympathicus, gesymboliseerd door Maria – de zus van Martha – tot in het stuitchakra. Het stuitchakra is de plaats waar het karma de persoonlijkheid binnenstroomt en daar werkzaam wordt als karakter, als talenten en tekortkomingen, en als voor- en afkeuren. Het karma dirigeert ons door de leerschool van het leven en wordt symbolisch weergegeven als een ‘opgerolde slang’ in het stuitchakra.

Het licht daalt neer tot in het duisterste gedeelte van de mens, daar waar de microkosmos wortelt in de wereld van de stof. De oude levensboom wordt letterlijk ontworteld door het licht en de lichtkracht vervolgt zijn loop omhoog via de linkerstreng om het kruinchakra te openen tot zijn ware taak.

Een mens in deze staat is als een caduceus, de nieuwe mercurius-staf. En ook de Jacobsladder uit Genesis 28 waarvan de voet op de aarde staat en waarvan de top tot in de hemel reikt, duidt op het vernieuwde slangenvuur. Engelen, manifestaties van God, dalen af langs deze hemelladder en klimmen daarlangs op via de open poort van het kruinchakra:

Waarlijk, waarlijk, ik zeg u, van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen op de mensenzoon.
(Het evangelie van de heilige twaalven 10:10)

Het opstijgen en neerdalen van de kracht van de zevengeest wordt ook wel gezien als de ademhaling van God.

De nieuwe boom is volgroeid en de mens is letterlijk ‘in de wereld maar niet meer van de wereld’. Want naar zijn biologische persoonlijkheid staat hij midden in de wereld van de veelheid en de polariteiten, naar zijn innerlijk wezen is hij bewoner van de wereld van eenheid. Hij is een levende brug tussen hemel en aarde. En ware dienst aan wereld en mensheid, namens het licht, kan dan worden aanvaard.

In de evangeliën wordt dit symbolisch weergegeven als de discipelen die door Jezus de wereld in worden gezonden om te prediken en te genezen. De discipelen zijn zeer gesluierde aanduidingen voor de twaalf paar hersenzenuwen van de mens, in hun stoffelijk en spirituele aanzicht. Jezus zegt:

Zalft en geneest de zieken, geneest de melaatsen, wekt de doden op en werpt de duivels uit. U hebt om niet ontvangen; geef om niet.
Weest wijs als de slangen en argeloos als de duiven. Weest onschuldig en onbezoedeld.
Er is niets bedekt wat niet geopenbaard zal worden en niets verborgen wat niet bekend zal worden. Wat ik u in het duister zeg, spreekt dat als de tijd aanbreekt uit in het licht, en wat u hoort met het oor, predikt dat vanaf de daken van de huizen.

(Het evangelie van de heilige twaalven 17: 7, 9, 12-13) 

‘Preken vanaf de daken’ is een symbolische aanduiding voor dienen vanuit de hoogst bereikbare toestand van mens-zijn: een stoffelijk mens met een slangenvuur van geest-licht. Zo’n mens staat letterlijk op de grens tussen hemel en aarde; hij staat op het dak van ‘de wereld’.

Deze dienaren zijn vrij van de lagere krachten van het ik; hun oude levensboom is immers ontworteld, hart en hoofd zijn door het licht gezuiverd. Deze dienaren zijn dan vanzelf argeloos als de duiven en wijs als de slangen….

Hun licht straalt in de wereld en elk woord dat zij spreken draagt lichtkracht in zich; elk woord is als een bootje dat met zijn kostbare, genezende balsem over de wereldzee trekt, op zoek naar gewonde mensenzielen.

Vanuit dit levende beeld naderen we het mysterie van de hemelvaart. De hemelvaart van Jezus staat beschreven aan het einde van de evangeliën van Matthéüs, Marcus en Lucas, in hoofdstuk 180 van Het aquarius evangelie en hoofdstuk 95 van Het evangelie van de heilige twaalven. Waarom vertrekt Jezus naar de hemel en blijft hij niet in een waarneembaar lichaam op aarde om de mensheid te helpen?

Het is essentieel dat binnen het esoterisch christendom wordt bedoeld dat Jezus bij zijn hemelvaart de mensheid niet achterlaat om eens, in de verre toekomst en als fysieke mens, terug te komen. Bij zijn hemelvaart verdween weliswaar zijn zintuiglijk waarneembare vorm. Maar de christuskracht van de ziel kwam juist daardoor vrij van de binding aan zijn stoffelijke verschijning. Het kwam voor de mensheid in atmosferische zin beschikbaar, omringde vanaf dat moment de gehele mensheid  als ‘gewaad zonder naad’.

Dat is in overeenstemming met de Jezus-uitspraak:

‘Ik zal met u zijn tot aan het einde van de wereld’
(Het evangelie van de heilige twaalven 44:6)

Tegelijkertijd werkt Jezus in de hemelse gebieden om deze voor te bereiden op de opname van geheelde menselijke microkosmoï. Daarom zegt hij:

In het huis van mijn Vader-Moeder zijn veel woningen; als dit niet zo was zou ik het u gezegd hebben. Ik ga voor u een plaats bereiden. En wanneer ik voor u een plaats bereid zal hebben, zal ik terugkomen en u tot mij nemen opdat waar ik ben, u ook zult zijn. U weet waarheen ik ga en de weg erheen kent u ook.’

Het woord dat u hoort is niet het mijne, maar dat van de Al-Vader-Moeder die mij gezonden heeft. Deze dingen heb ik tegen u gezegd omdat ik nog bij u ben. Maar de trooster, die mijn moeder is, de heilige wijsheid, die de Vader in mijn naam zal overbrengen, zal u in alle dingen onderrichten en u alles in herinnering brengen wat ik tot u gesproken heb. Vrede laat ik u, mijn vrede geef ik u; ik geef hem u echter niet zoals de wereld hem geeft.

(Het evangelie van de heilige twaalven 72:1,10-11)

We weten dat de personages en gebeurtenissen uit de evangeliën symbool staan voor spirituele, innerlijke krachten en gebeurtenissen. Jezus is in microkosmische zin de nieuwe ziel die als gevolg van het gaan van de gnostieke spirituele weg tot volwassenheid  komt en gebruik kan maken van een geheel nieuwe persoonlijkheid, dat is een nieuwe zevenvoudige onsterfelijke lichaamsgestalte. Dit nieuwe lichaam wordt aangeduid als het verheerlijkte lichaam of het opstandingslichaam.

Dit vernieuwde onstoffelijke lichaam kan uitsluitend tot ontwikkeling komen uit en in verbinding met een sterfelijke natuurlijke lichaamsgestalte, zoals elk nog ongeboren kind in zijn natuurlijke moeder groeit en daarmee via de navelstreng is verbonden. Alleen op deze wijze kan het groeien.

Maar vanaf een bepaald moment moet het nieuwe wezen min of meer zelfstandig verder; het wordt zoals wij dat noemen ‘geboren’. Concreet beschouwd: het kind gaat over van de ene leefomgeving naar een andere waar het op nieuwe wijze moet gaan ademen. Daar kan het zijn levensweg vervolgen en zich verder ontwikkelen tot volwassenheid. Dat kan alleen als de navelstreng doorgeknipt wordt.

Zo kan ook de innerlijke hemelvaart in de daartoe gerijpte  leerling van de ziel worden beschouwd. De vernieuwde lichaamsgestalte moet worden losgemaakt van de natuurlijke mens zodat deze ‘geboren’ kan worden in zijn natuurlijke gebied, het koninkrijk van de ziel.

Daarom moet Jezus ‘ten hemel varen’, zich terugtrekken in het goddelijke gebied. Want alleen dan kan de Mens weer zelf gaan ademen in de krachten van de geest en zo de kracht van de heilige geest, de trooster, vrij maken voor allen die daar open voor staan.

Maar het is een gebied waar het gewone bewustzijn geen toegang heeft, waar alleen de ziel kan waarnemen en zijn. Het vraagt van de mens op het pad dan ook een bijzondere dienstbaarheid,  een onwankelbaar innerlijk weten en een uitzonderlijke Liefde voor het Al om dit proces, dat hij niet kan waarnemen, in zichzelf te laten voltrekken.

Na de hemelvaart is de microkosmos fundamenteel vrijgemaakt van de ‘wereld van goed en kwaad’ waarin het na de val zo verstrikt was geraakt. Het wiel van geboorte en dood is tot stilstand gekomen. Elke gevallen microkosmos zal deze weg eens gaan, een weg waarop de persoonlijkheid niet kan volgen en achterblijft op aarde om zijn taak als fakkeldrager te vervullen zolang het mogelijk is.

De stoffelijke mens, gesymboliseerd door de discipelen, kan in vertwijfeling en onzekerheid raken over de echtheid van het proces dat hij nu op geen enkele wijze meer kan waarnemen. Hij moet al zijn oude zekerheden opnieuw loslaten.

Er staat geschreven dat Jezus in een wolk ten hemel is gevaren en in een wolk zal terugkeren. Deze ‘wederkomst van Christus’ is een van de meest fundamentele aspecten van het christusmysterie: de christuskracht is de voor iedereen beschikbare energie van de kosmische mysterieschool.

Deze kracht wil zich tonen en kenbaar maken in elke individuele mens die voortgaat op het gnostieke pad van de wedergeboorte van de ziel, waar ook ter wereld die mens zich bevindt. Het wil zich tonen voor het innerlijk weten en zich als wolk van nieuwe kracht in de menselijke aura werkzaam maken.

En waar een groep van zo strevende mensen zich samenvoegt en dezelfde koers vaart, daar vormen zij een gezamenlijk krachtveld. Hun gezamenlijke ‘lichaam’, hun ark, kan dan zo zuiver worden dat het de spirituele fase bereikt van ‘terugkeer van Christus’. Het kan waardig bevonden worden om te worden verbonden met de universele broederschap of de apostolische keten. Alle leden van de groep delen dan in de genade van een intense aanraking door de heilige geest.

Deze beschouwing besluiten we met een gedeelte uit hoofdstuk 95 van Het evangelie van de heilige twaalven.

Na dit gezegd te hebben hief hij zijn zuivere en heilige handen op en zegende hen. Terwijl hij hen zegende ging hij van hen weg en een wolk, stralend als de zon nam hem op en hij
verdween uit hun gezicht. Toen hij opsteeg hielden sommigen hem bij de voeten vast en anderen wierpen zich ter aarde en aanbaden hem.

Terwijl zij naar de hemel staarden, stonden er plotseling twee mannen bij hen in witte gewaden die zeiden: ‘Mannen van Israël, wat staart u naar de hemel; deze zelfde Jezus die in een wolk van u weggenomen is zal op dezelfde manier in een wolk terugkomen; en zoals u hem naar de hemel hebt zien gaan zal hij op de aarde terugkomen.’

(Het evangelie van de heilige twaalven 95:6-7)