Spirituele tekst 5

Spirituele Pinksteren 5: De opwekking van Lazarus
Spirituele tekst voor donderdagavond voor Pinksteren

Nu was er een man ziek die Lazarus heette en uit Bethanië kwam, de stad van Maria en haar zuster Martha. (Het was die Maria, die de heer zalfde en zijn voeten met haar haren droogde, wier broer Lazarus ziek was.)

Daarom zonden de zusters een boodschap naar hem: ‘Heer, zie, hij die u liefheeft, is ziek.’ Toen Jezus dat hoorde zei hij: ‘Deze ziekte leidt niet tot sterven maar opdat de glorie van God in hem geopenbaard worde.’

Jezus hield van Maria en haar zuster en van Lazarus. Toen hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef hij nog twee dagen op dezelfde plaats. Daarna zei hij tegen zijn discipelen: ‘Laten we weer naar Judea gaan.’

Zijn discipelen zeiden: ‘Meester, de joden trachtten u onlangs te stenigen en nu gaat u daar weer heen?’ Jezus antwoordde: ‘Heeft een dag geen twaalf uur? Als iemand overdag wandelt, zal hij niet struikelen, omdat hij het licht van deze wereld ziet. Maar als iemand in het duister loopt, struikelt hij omdat er geen licht in hem is.’

Deze dingen sprak hij en daarna zei hij tegen hen: ‘Onze vriend Lazarus slaapt maar ik ga naar hem toe, opdat ik hem uit zijn slaap wek.’

Zijn discipelen zeiden: ‘Heer, als hij slaapt zal hij beter worden.’ Maar een boodschapper kwam bij hem die zei: ‘Lazarus is dood.’

Toen Jezus aankwam zag hij dat hij al vier dagen in het graf lag. (Bethanië lag dicht bij Jeruzalem, ongeveer vijftien stadiën, of een half uur lopen.) Veel joden kwamen bij Martha en Maria om hen te troosten met het verlies van hun broer. Zodra Martha hoorde dat Jezus onderweg was, ging zij hem tegemoet maar Maria zat nog thuis.

Martha zei toen tegen Jezus: ‘Heer, indien u hier geweest was zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar ik weet dat zelfs nu, wat u God wilt vragen, God u ook zal geven.’

Jezus zei tegen haar: ‘Uw broer slaapt en hij zal weer opstaan.’ Waarop Martha zei: ‘Ik weet dat hij op de laatste dag bij de opstanding weer zal leven.’

Toen zei Jezus tegen haar: ‘Ik ben de opstanding en het leven; hij die in mij gelooft zal leven, ook al was hij gestorven. Ik ben de weg, de waarheid en het leven, en wie leeft en gelooft in mij, zal nooit meer sterven.’

Zij zei tegen hem: ‘Ja heer, ik geloof dat u de Christus bent, de zoon van God die in de wereld zou komen.’ Toen zij aldus gesproken had riep zij heimelijk haar zuster Maria en zei: ‘De meester is gekomen en roept u.’

Zodra Maria dat hoorde, stond zij snel op en ging naar hem toe. Nu was Jezus de stad nog niet binnengegaan maar was nog op de plaats waar Martha hem ontmoette. Toen zij haar haastig zagen opstaan en weggaan, volgden haar de joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, terwijl zij zeiden: ‘Zij gaat naar het graf om daar te rouwen.’

Toen Maria bij Jezus kwam en hem zag, ging zij aan zijn voeten zitten, waarbij zij tegen hem zei: ‘Heer, als u hier geweest was zou mijn broer niet gestorven zijn.’

Toen Jezus haar zag rouwen en ook de joden die met haar gekomen waren, zuchtte hij en werd in de geest bewogen. Hij vroeg: ‘Waar hebt u hem gelegd?’

Zij antwoordden: ‘Heer, kom en zie’, en Jezus weende.  Toen zeiden de joden: ‘Zie, hoe lief hij hem gehad heeft.’

Enkelen onder hen zeiden: ‘Had deze man, die de ogen van blinden opende, niet kunnen voorkomen dat deze man stierf?’

Jezus, opnieuw innerlijk geroerd (want hij vreesde dat hij al gestorven zou zijn) kwam naar het graf. Het was een grot waar een steen voor lag.

Jezus zei: ‘Neem deze steen weg.’ Martha, de zuster van de doodgewaande, zei tegen hem: ‘Heer, hij riekt al, want hij is al vier dagen dood.’

Daarop zei Jezus: ‘Zei ik u niet dat als u gelooft, u de glorie van God zult zien?’ Toen namen zij de steen weg van de plaats waar Lazarus neergelegd was.

Jezus hief zijn ogen op en riep met luide stem de grote naam aan: ‘Mijn vader-moeder, ik dank u dat u mij gehoord hebt. Ik weet dat u mij altijd hoort maar ter wille van het volk dat rondom staat, roep ik u aan, opdat zij geloven mogen dat u mij gezonden hebt.’

Toen hij aldus gesproken had riep hij met luide stem: ‘Lazarus, kom uit.’ En hij die doodgewaand was kwam eruit, gebonden aan handen en voeten in grafdoeken en zijn gezicht was omwikkeld met een zweetdoek.

Jezus zei tegen hen: ‘Maak de windsels los en laat hem heengaan. Wanneer de levensdraad inderdaad is doorgesneden, kan het leven niet meer terugkomen maar zolang deze nog heel is, is er hoop.’

Veel van de joden die bij Maria gekomen waren en gezien hadden wat Jezus deed, geloofden in hem.

Tekst: Hoofdstuk 56 uit Het evangelie van de heilige twaalven

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *