De Adem des Levens – tekst van Catharose de Petri uit haar boekje ‘Transfiguratie’

In de moderne Geestesschool streeft iedere waarachtige leerling naar volmaking, naar Heiligmaking. De leerling streeft ernaar aan de vale oorden van de dood te ontstijgen en op te gaan in het Nieuwe Leven, na een offerande van alles wat tot de natuur des doods behoort.

Wie op dit Pad van Heiligmaking wandelt, komt volledig vrij van angst, zorg en vrees, en ontstijgt aan de greep der natuur-eonen. Zo iemand wandelt in het Licht gelijk Hij in het Licht is, en verheft zich boven de dingen des doods. Hoe kan men dit bereiken? Door het bewaren van de volkomen Adem van de Gnosis! […]

Alleen wie het Rozenpad gaat, komt in binding met de Adem des Levens, met de astrale Krachten van de Gnosis! Eerst wordt, via de Roos des Harten, het sternum (borstbeen) ontvankelijk gemaakt voor de nieuwe ademhaling, en op een gegeven moment zal ook het magnetische breinstelsel gaan ademen in die natuur des Eeuwigen Levens. Procesmatig en tevens harmonisch zal deze verandering zich in de leerling kunnen voltrekken. Wie het geschonken is uit deze Adem Gods te leven, weet dat dit niet het gevolg is van bepaalde oefeningen, en ook geen kwestie van techniek, of van moed en uithoudingsvermogen.[…]

In het Nieuwe Leven stijgt de volmaakte mens, na de gehele weg terug te hebben bewandeld, in zijn eindfase volkomen uit boven vorm en verandering, boven alle aanzichten en verschijnselen der tijdruimtelijke orde.

Het is niet mogelijk van zulk een existentie enige voorstelling te maken, hoewel er wel degelijk sprake is van een toestand van zijn. Wij mogen echter geenszins denken aan een verheerlijkte vorm, want de absolute nieuwe mens is een boven-vorm-entiteit. Hij is als onbegrensde, ín het onbegrensde.

Wie in de volkomen Adem des Levens binnengaat, wie daaraan deel krijgt, gaat binnen in een proces, een proces van groei, dat een ontstijgen is aan het dialectische Iets, in het Goddelijke Niets.  

Wie in dit proces staat, komt steeds méér vrij van de begrenzingen, beperkingen en verschijnselen der tijdruimtelijke vormwereld, en uiteindelijk zal niets hem meer weerstaan. Hij zal de hem toegekende plaats kunnen innemen zoder daar buiten te gaan, en verborgen liggen in de spoorloze tijd, vrij van de stof, vrij van de spiegelsfeer, en toch een ‘Ik-Ben’; vrij van iederee dialectische waarneembaarheid, verborgen in de spoorloze tijd. 

Wie ademt in de volkomen Adem en het rozenpad gaat, zal de natuur herleiden tot de oorspronkelijke samenhang met de Gnosis. Daarom, als iemand het Rozenpad gaat, hoe zou dan iets anders zijn wezen kunnen beroeren? […]

De kandidaat voor het Nieuwe Leven zet zijn poorten open voor het Licht en de Kracht van de Gnosis, en over hém komt de Adem des Levens! Daardoor wordt hij dermate geabsorbeerd, dat hij alle teistering, angst, zorg en vrees en beperking niet slechts te boven komt, doch zij deren hem niet meer! Hij gaat binnen in de rust van de Ziel.[..]

Wie het Pad gaat, komt vrij, voor eeuwiglijk, in het verborgene van de spoorloze tijd. 

Bron: Transfiguratie door Catharose de Petri, hoofdstuk VII

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *