De tempel van Apollo in Delphi – gnosis seauaton, ken jezelf

Apollo kwam naar Delphi, zegt de sage, hij versloeg de slang en stichtte er zijn grote tempel, de beroemde orakel-tempel. Nimmer heeft een Griekse tempel zoveel betekenis en invloed gehad als de Apollo-tempel van Delphi. Gedurende acht eeuwen gingen van deze tempel uit orakels over Griekenland en omringende landen. de priesters van Apollo gaven niet alleen uitsluitsel over de kansen van een komende oorlog, maar ook en vooral over geestelijke vraagstukken van de mens en de samenleving. Zij gaven leiding en raad in godsdienstige en politieke aangelegenheden. Met name was dfat het geval in de tijd, die vooraf gaat aan de gouden eeuw van Griekenland, toen er grote geestelijke verwarring heerste, toen naar ordening en leiding werd gevraagd en gezocht. In die eeuwen kreeg “Delphi” een autoriteit zonder weerga. Zijn woord had gezag en was bindend voor vriend en vijand.

Delphi gaf geen uitleg uit een heilig boek, het bezat geen Bijbel of Koran, de tempelpriesters behoorden niet tot een priesterkaste, zoals het oosten die kent. De mannen, die de antwoorden van apollo samenstelden, waren gewone burgers van adellijke huize, zij waren aristocraten ook naar de geest. Hun taak in de tempel beschouwden zij als een erezaak. Zij gaven geen nieuwe leer, zij hielden slechts de geestelijke stromingen binnen de grenzen van de traditie van de vaderen.

In alles gingen zij uit van de eerbied voor het mensenleven. Wie een medemens had gedood, diende schuld te erkennen en boete te doen. Ook Apolo moet zich reinigen na de moord op de slang. Bloedvergieten verwekt de toorn van de goden. Moord is meer dan een bevlekking. Als er geen straf of boete op moord zou volgen, zouden de wetten van de samenleving alle zin verliezen. In deze eis tot boetedoening was Delphi onverbiddelijk. Toen er in Sybaris bij een twist een zanger was gedood, die tot een heilig altaar van Hera zijn toevlucht had genomen, kwamen gezanten Apollo raadplegen. Smadelijk werden zij echter uit de tempel gejaagd: ‘Bloed kleeft aan uw handen! Gaat héén van mijn drempel!

In de heiligheid van de ongeschreven wetten, aan wat mag onder de mensen en wat niet, hield Delphi streng de hand. De meineed bestreed het met alle middelen. De Spartaan Glaukos genoot een roep van rechtvaardigheid, die tot ver over de grenzen was gedrongen. Uit Milete kwam een man tot hem, toen daar in Klein-Azië zeer onzekere toestanden heersten. Hij vloeg Glaukos voor hem de helft van zijn vermogen te bewaren, dat hij voor dit doel had verzilverd. Zodra de onrust in zijn land zou zijn geweken, zou er iemand uit Milete komen om de schatten op vertoon van een bepaald kenteken terug te halen. Gewoonlijk was dit een doormidden gebroken munt of steen, waarvan elk van de beide partijen een helft bewaarde. Na gezette tijd kwamen de zonen van de man en toonden het kenteken. Gaukos zocht echter naar uitvluchten; hij beweerde zich de zaak niet te herinneren en verzocht hen over vier maanden terug te komen.

In die tijd reisde hij naar Delphi om te vragen of hij zich door een meineed van de schatten meester zou kunnen maken. Het antwoord luidde, dat hij dat op zichzelf gerust kon doen! Voor het ogenblik zou hij er groot gewin van hebben. Glaukos zou de meineed (het geld niet te bezitten) wel kunnen zweren, want “ook tot de mens, die een eed trouw blijft, komt eenmaal de dood”. ‘Maar”, zo vervolgde het orakel van Delphi, “de meineed heeft een naamloze zoon, een wezen zonder armen of benen. Razend snel bespringt hij de meinedige mens en vernietigt diens geslacht en diens huis.” Glaukos, die begreep wat hij had misdaan, bood de godheid zijn verontschuldigingen aan. Maar de tempel antwoordde, dat het verzoeken van de godheid en het doen één en hetzelfde waren. De afloop bevestigde dit oordeel: wel gaf Glaukos de geldschatten terug aan de rechtmatige eigenaars, maar nageslacht kreeg hij nimmer, bij zijn dood stierf zijn geslacht in Sparta uit.

Delphi wist zuiver te bepalen, wat er in het volk leefde en hoe het dacht. Het heeft zich de diepe volkswijsheid toegeëigend die later is samengevat in de spreukenvna de zeven wijzen. Deze spreuken stonden vermoedelijk boven de hoofdingang vna de tempel gegrift. Ken u zelf, was het eerste gebod. In niets te veel het tweede. Denk na alvorens te doen het derde. De meest diepzinnigeis en blijft de eerste spreuk. Gnothi Seauton, ken u zelf: weet, dat u een mens bent en niet meer dan een mens; erken het bestaan van een hogere macht; eerbidig de goden. Er waren meer wijze spreuken: “Borgen baart zorgen”. “Alles, wat ik werkelijk bezit, draag ik in meelf mee”. Ook het gewoonlijk volkomen onjuist vertaalde “De mortuis nil nisi bene” staat op naam van een van de zeven wijzen. Het betekent dat men “over de doden op een goede manier” moet spreken: de dode kan zich niet meer verdedigen, alsmen hem ten onrechte van iets beschuldigt. De veraling “over de doden niets dan goeds” is klinkklare onzin.

De invloed van delphi op gewetensvragen is ook in de griekse sagen merkbaar. Op beslissende momenten van het verhaal wendt een stad of held zich omhulp of raad tot het orakel van Delphi. Soms komt het uitstekend te pas, maar dikwijls werkt het uitermate storen, als steeds weer naar voren wordt gebracht, dat de mens slechts door delphi tot inzichten verstand kan worden gebracht. Te pas en te onpas is Delphi in de sagen ingeweven.

Bron: Mythologie der Grieken van H.H. Diephuis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *