Filosofie, de eerste grondslag van de geneeskunde volgens Paracelsus – een gedeelte uit het boek Paragranum

Hieronder volgt een lang gedeelte uit Het boek Paragranum over wat volgens Paracelsus (1493-1541) de eerste grondslag is van de geneeskunde: filosofie.  

Aangezien de filosofie de eerste grondslag van de geneeskunst vormt, moeten we in de eerste plaats weten op welke wijze de grondslag van de geneeskunst aan de filosofie ontleend kan worden. Maar alvorens dit te vertellen moet ik u vooral degenen onder het oog brengen van wie ik me afkeer, zodat u de valse filosofen doorhebt voordat ik inga op de grondslag van de ware filosofie. Het zal u niet meezitten om afstand te nemen van wat u gewend bent, en nog moeilijker zal het zijn om los te laten waartoe u bent opgeleid. Ik verwacht echter van iedereen dat hij datgene wat hij gewend is en wat hem is ingepeperd, en datgene wat ik nu voorstel, met een weloverwogen oordeel benadert. Laat niets zo hard zijn dat het niet in twijfel getrokken kan worden, niets zo twijfelachtig dat het niet hard gemaakt kan worden, maar sta ervoor open dat de nieuwe geboorte altijd zal zegevieren over de oude. 

De filosofie is vanaf het eerste moment met mos begroeid geraakt, en in dit mos zijn van buitenaf zwammen de filosofie ingegroeid zoals gezwellen op een lichaam. Aristoteles en consorten hebben de filosofie behandeld zoals selderij de aarde uit de wijn trekt. En hoewel een laagje schuim het minste waard is van wat er in de pan zit, drijft het er bovenop en bedekt het het goede dat eronder zit. En omdat er iets goeds onder zit waar het naar smaakt, kan het als voedsel worden beschouwd, al deugt het alleen voor honden en katten.

Hetzelfde is van toepassing op de oude filosofie, die zwammen en schuim behandelt en niet de stof waarvan deze afkomstig zijn. Uit een dergelijke zwamfilosofie is de medische theorie ontstaan, waar de schuimartsen uit zijn voortgekomen. Deze twee hebben het gezag uitgeoefend met betrekking tot de beschrijving van de dingen in de natuur en ook van de menselijke gebreken en aandoeningen. Maar net zoals de grondslag waar hun schrijfsels op gebaseerd zijn, moet ook het gewas worden beoordeeld dat uit deze wortel is ontsproten. 

Hiermee wil ik u aansporen geen ruwheid te vertonen die door de schaaf niet gladgemaakt kan worden, niets zo krom te laten dat het door een hamer niet te pletten valt, niets zo wild dat de jager het niet zou kunnen vloeren. Wat zou er aan een toehoorder en leerling verhevener en prijzenswaardiger kunnen zijn dan dat hij in een zachte schil ligt, die niet hard wordt totdat hem door de onderwijzing vleugels zijn gegroeid waarop hij aan de discipline ontkomt? Zulke studenten strekt het tot eer en lof als zij de ouden uit het nest smijten. Want kunst en wijsheid, zelfbeheersing en liefde moeten op ieder moment hun meesters overtreffen en opgroeien als een jonge beuk, die door haar groei de oude beuken de loef afsteekt. 

Maar laat ik nu gauw overgaan tot de beoogde filosofie, zodat u de grondslag van de geneeskunst begrijpt die als enige het inzicht in alle ziekten, hun stof, hun eigenschappen en hun hele wezen verschaft, dat een arts nodig heeft. Want er is geen andere weg om de waarheid omtrent de noden van het lichaam en zijn gezondzijn te doorgronden. 

Waar een andere grondslag, buiten de filosofie, erbij wordt gehaald, is er sprake van bedrog. Want ons verstand dat in de hersenpan besloten ligt, is te zwak om een arts voort te brengen. De filosofie van de geneeskunst moet zodanig worden beoefend dat dit verstand ook met de ogen geschouwd kan worden en dat ze in de oren klinkt zoals de Rheinfall; dat het gebulder van de filosofie zo helder in de oren klinkt als de bruisende zeewinden, dat de tong er evenveel van weet als van de smaak van gal of honing, en dat de neus iedere geur van het hele onderwerp kan proeven. Buiten een dergelijk inzicht is alles wat aan de natuur wordt toegeschreven of in de natuur wordt gelegd, verkeerd. Want zoals ik deze filosofie beschrijf, is de natuur zelf de ziekte; daarom weet alleen zij wat de ziekte is. Alleen zij is het geneesmiddel, zij kent de aandoeningen van de zieken. Hoe kan iemand arts zijn, die deze twee dingen niet inziet? 

De arts brengt geen ziekte voort, hij brengt ook geen geneesmiddel voort. Maar zoals hij iemand ziek kan maken, kan hij op dezelfde wijze gezondheid bewerkstelligen. Wie is hier als leermeester beter op zijn plaats dan de natuur zelf? Zij draagt kennis van deze dingen en toont hoe alle dingen aanschouwelijk te begrijpen zijn. Vanuit dit aanschouwelijk begrip wordt de arts onderwezen. Aangezien alleen de natuur deze kennis heeft, moet zij ook degene zijn die het recept samenstelt, en haar recepteerkunst kan de arts met zijn ogen aanschouwen. 

De kunst komt uit de natuur voort, niet uit de arts; daarom moet de arts uit de natuur groeien, met een volledig verstand. ‘Volledig verstand’ betekent dat datgene wat in de verborgen hersen- pan wordt bekokstoofd, voor de handen tastbaar en voor de ogen zichtbaar is. Want wat in het verborgene wordt begrepen, leidt alleen tot geloof; het resultaat en de voltooiing blijken uit de werken. De werken zijn zichtbaar. Dan zijn het zichtbare en het onzichtbare bij elkaar, in plaats van een dualiteit te vormen. Dit is het hele, volmaakte, troostrijke inzicht, waarin de zaligheid ligt en waar alle goede arbeid, onderwijs en onderricht van uitgaan. 

Als de arts nu uit de natuur moet groeien, wat is de natuur anders dan de filosofie? Wat is de filosofie anders dan de onzichtbare natuur? Iemand die de Zon of de Maan kent en met zijn ogen dicht weet hoe de Zon of de Maan is, die heeft Zon en Maan in zichzelf, net zoals ze in de hemel en in het firmament staan. Dat is nu de filosofie: dat ze in een niet tastbare vorm in de mens staat net zoals in de buitenwereld; zoals je jezelf in een spiegel ziet. Zoals je jezelf duidelijk met alle details kunt zien, zo moet de arts een duidelijke kennis van de mens hebben, die ontleend is aan de spiegel van de vier elementen. Deze presenteren hem een afbeelding van de hele microkosmos, waardoor hij door deze microkosmos heen kan kijken als door een doorzichtig gelei in een glazen pot. 

Het is dus zaak dat een arts een mens zo duidelijk doorziet als hij door een druppel gedestilleerde dauw heen kan kijken waarin geen vonkje zich kan verstoppen en aan zijn oog onttrekken. Hij moet er doorheen kunnen kijken als door een opborrelende bron waarin hij de stenen en zandkorrels kan tellen en hun kleuren en vormen kan onderscheiden; net zo doorzichtig moeten de delen van het menselijk lichaam voor hem zijn. Deze lichaamsdelen moeten zo transparant voor hem zijn als een gepolijst kristal waarin geen haartje zich kan verbergen. Dat is de filosofie die de grondslag van de geneeskunst vormt: dat u niet de mens rechtstreeks moet bekijken, maar de natuur, al wat in de hemel besloten ligt. Deze toont het u stuk voor stuk, want daar is de mens van gemaakt. Deze stof waar hij van gemaakt is, toont u hoe datgene is wat ervan gemaakt is. 

Het is net zoals wanneer u in een stalen spiegel een gebouw ziet: dit spiegelbeeld komt er van buitenaf in. Wanneer het uitwendige er niet meer is, is het inwendige in de spiegel er ook niet meer; want het uitwendige is een moeder van het inwendige. De mens is dus een beeld in een spiegel dat er door de vier elementen in is gezet, en wanneer de elementen vergaan, vergaat ook de mens. Want zolang datgene wat er buiten de spiegel is, blijft bestaan, zo lang blijft ook het inwendige. Daarom is de filosofie niets anders dan de volledige kennis van en inzicht in datgene wat tot de weerschijn in de spiegel leidt. 

En net zoals degene in de spiegel zijn eigen wezen aan niemand begrijpelijk kan maken, zoals hij aan niemand te kennen kan geven wat hij is, maar er alleen staat als een levenloze afbeelding, zo is het ook met de mens zelf: aan hem kan geen inzicht worden ontleend; je kunt hem alleen kennen door inzicht in de buitenwereld, waar hij het spiegelbeeld van is. Datgene wat hij zegt – zijn stem, zijn woorden – is twijfelachtig. Dit verschaft niet meer informatie aan de arts dan wanneer hij de persoon van de zieke in de spiegel ziet praten zonder hem te kunnen horen. De arts moet de microkosmos dus in zijn geheel en in zijn volle kracht via zijn moeder herkennen waaruit hij geboren is. Want er is geen lichaamsdeel, ja, geen haartje aan de mens dat het hemelgewelf niet omvat en op honderden manieren toont. Daarom kan de geneeskunst de schuimfilosofie of de zwamgeneeskunde waarover ze tot nu toe aan het blèren zijn, niet accepteren of dulden. 

Er zou een lange uiteenzetting voor nodig zijn om u helder en duidelijk uit de doeken te doen hoe groot het verschil is tussen de aristotelische, stoïsche, platonische filosofie en de mijne, ook het verschil tussen Tirthemius Theophrastus en mij, Aureolus Theophrastus. Deze verschillen zullen bij de beschrijving van de filosofie van pagina tot pagina duidelijk genoeg naar voren komen. Maar terug naar ons onderwerp. Wat van belang is voor de arts, is dat hij het fundament van de geneeskunst begrijpt – dat hij begrijpt dat deze filosofie het fundament is. Onthoud dus het volgende: de stof, de verschijningsvorm en de essentie zijn de dingen waar de arts mee te maken heeft. 

Van de wijsheid van de arts hangt het af in hoeverre de heelheid ervan bewaard blijft; dat is een kwestie van het inzicht van de arts. Zoals boven is gezegd, moet hij het inzicht in deze dingen aan de moeder ontlenen waaruit hij geschapen is. Daarin vindt hij zijn hart en alle vreugde en al het leed van het hart; daarin vindt hij de hersenen en al wat de hersenen bedroeft en verheugt; ook lief en leed van de nieren, de wil en de onwil van de lever, en dergelijke voor alle andere organen. Hier hebt u nu in het kort de les dat aan de hand van deze organen geleerd moet worden wat het overeenkomstige inwendige orgaan betreft. 

De massa van de artsen is wat dat betreft tegen mij, want ze kennen en herkennen de ouders van de mensen niet. Ze willen hun kunst aan het dode figuur in de spiegel ontlenen, op hun eigen fantasie baseren en oriënteren en de aard van alle dingen met fantasiebegrippen aanduiden en uitleggen. Dit heeft hand noch voet, in geen enkele filosofie. Hieruit komt het begrip ‘cholera’  voort, het begrip ‘melancholia’, het begrip ‘phlegma’, het begrip ‘sanguis’. Deze grondslag is niets anders dan een vluchtige speculatie. Want wie heeft ooit cholera in de natuur gezien? Wie is melancholia ooit in de filosofie tegengekomen? 

Wie heeft ooit phlegma als een element herkend? Waar is sanguis ooit gelijksoortig geworden aan de lucht? Wie heeft hun geleerd de materiële hemel en de aardbol inclusief de elementen die daarin begrepen zijn, op deze wijze over het lichaam te verdelen? 

In een grondslag die op deze wijze bij elkaar gespeculeerd is, zit niet meer kracht dan in iemand die iets wenst of veronderstelt. Zo baseren zij zich op veronderstellingen en wensen; en daar wil ik, en geen enkele ware arts, iets mee te maken hebben. Bouw de hele mens op van de dingen in de buitenwereld, dan zult u in hem de aanschouwelijke vormen van alle stoffen vinden, en daarin alle verschijningsvormen van de organen, gezond en ziek; bovendien al hun essenties, wat het een met het ander te maken heeft, wat beschadigt, wat heel maakt. Daarin ligt de wijsheid die een arts moet zoeken, want de hemel geeft hem deze wijsheid niet, en hij kan ze ook van niemand overnemen. Ze moet in hem groeien zoals iedere kunst in een hardwerkende meester groeit; dan wordt hem de wijsheid gegeven om door de ouders van de microkosmos deze als hun zoon te herkennen. 

Als de geneeskunst haar grondslag in de mens zou hebben, dan zouden ook de ziekten zich naar de grondslag en het verstand van hun arts moeten plooien en zouden er net zo veel oorsprongen van de ziekten zijn als artsen. Dan zou het misschien juist zijn om de ‘cholera’ zo te benoemen; maar zo is het niet: de arts moet achter de ziekte aan zoals de koe naar de ruif moet lopen. Hieruit blijkt dat de arts uit de natuur voortkomt en niet uit de speculatie. De natuur is zichtbaar, de speculatie onzichtbaar, en het zichtbare vormt de arts, niet het onzichtbare. Het zichtbare schenkt de waarheid, het onzichtbare levert niets op. Alles wat aan de mens onzichtbaar is, openbaart zich in een zichtbare vorm. 

Daarom moet u niet zeggen: dit is cholera, dat is melancholia, maar: dit is arsenicum, of dat is aluin. Zo ook: die en die is van Saturnus, of die is van Mars, en niet: die is melancholisch of die is cholerisch. 

Want een deel is van de hemel, een ander deel is van de aarde, en ze zijn met elkaar vermengd zoals vuur en hout, waardoor je de twee niet meer afzonderlijk moet benoemen, want het zijn twee dingen ineen. Dus wanneer er gezegd wordt: deze ziekte is van acorus, of: hier gaat het om anthera, dan begrijpt de natuurkundige arts dat in de kleine wereld dezelfde anatomie te herkennen is als bij de betreffende plant in de grote wereld. Als u zegt: die ziekte is van pulegium, die is van melissa, die van savina, dan hebt u een betrouwbare behandeling op grond van de naam. Want er zijn net zo veel soorten matricaria als vrouwenziekten. Op deze wijze komt het voorschrift tot stand, en niet door tegen één ziekte van allerlei bij elkaar te gooien. 

Laat u daarom niet inpalmen door de fantasie van degenen die eigenschappen en getallen aan hun eigen speculatie willen ontlenen; de uitwendige ogen moeten alle dingen bevestigen. U zegt ook: dit is een gebrek van het bloed, dat is een gebrek van de lever, enzovoorts. Hoe komt u aan dergelijke lynxogen, dat u zomaar kunt weten dat het aan het bloed of aan de lever ligt, terwijl u niet eens weet wat bloed is? Bloed is in de grote anatomie net zoiets als hout. ‘Hout’ is gewoon een benaming. Zoals er vele honderden soorten hout zijn, zijn er niet minder soorten bloed; en zoveel vruchten als de bomen voortbrengen, zo veel aandoeningen kent het bloed. En zoals de hemel de bomen doet ontwaken door de zomer en zich te slapen legt gedurende de winter, legt hij ook een dergelijk ritme op aan het bloed. 

Dit betekent dat een ware, natuurkundige arts uitspraken doet zoals: dit is een terpentijnziekte, dit is een laserkruidziekte, dit is een helleborusziekte, en niet: dit is flegma, dit is branchus, dit is reuma ofwel neusverkoudheid, catarre dus. Deze namen zijn niet afgeleid uit de grondslag van de geneeskunst. Dingen die gelijksoortig aan elkaar zijn, moeten ook door een gelijkende naam met elkaar in verband worden gebracht, want de werken zijn gebaseerd op deze vergelijking, dat wil zeggen, hierdoor worden de arcana tegen de respectieve ziekten geopenbaard. Er is immers niet slechts één soort koliek, maar velerlei soorten, en wel zo veel als er arcana tegen koliek zijn. Dit betekent dat er een civetkat-koliek is en een muskushert-koliek, en niet een winderige koliek, een galkoliek enzovoorts, of volgens een andere oorsprong, zoals u het beschrijft. 

Ik moet nog eens terugkomen op degenen die me zo lang hebben tegengesproken en die de indrukken en de invloeden, de vruchten en mineralen voor de geneeskunst nutteloos en overbodig hebben genoemd. In plaats daarvan hebben ze hun speculatie omtrent de lichaamssappen naar voren geschoven en menen ze dat geen filosofie en geen uitwendige kunst voor het lichaam in zijn noden van nut zijn. 

Vanuit dit onbegrip hebben ze het concept verzonnen dat al wat een arts nodig heeft, het wezen en de eigenschappen van een ziekte, uit de vier lichaamssappen afgeleid zou kunnen worden. Dat slaat als een tang op een varken. Er is niets in het lichaam dat niet in de buitenwereld herkenbaar is. Trek u van de vormen en het stoffelijk uiterlijk [van de patiënt] niets aan, want de grondslag die u moet kennen, ligt in de natuur; naar een andere grondslag hoeft u niet te zoeken. God heeft de kunst van het genezen niet op uw aangeboren wijsheid gevestigd of op de aangeleerde sofisterij. 

Maar u hebt u afgezonderd van alle andere wetenschappers, dat wil zeggen, toen de artsen voor het bedrog hebben gekozen, hebben ze speciale, andere wegen gezocht om mensen te bekwamen en op te leiden. Hierdoor wordt het [voor een buitenstaander] onbegrijpelijk hoe deze kunst of faculteit tot stand is gekomen, en de grootste schoft hult zich in een geleerde schijn. Wie zou een jurist willen bemoeien om u tot orde te roepen? U hebt u zodanig ingekapseld dat keizers en pausen er niets van begrijpen wat u doet. Hoe zou een theoloog wijs uit u moeten worden terwijl die uit uw geschriften niet eens kan opmaken of u God volgt of de duivel? U verbergt uw leugens in de lichaamssappen, zodat men u noch boetedoening kan opleggen noch vergiffenis kan schenken. En wie zou Jan met de pet over u laten rechtspreken? Wat u zegt is een gebrabbel dat niemand kan verstaan. 

U hebt voor uzelf zo vreemde dictionaires en woordenlijsten gemaakt dat wie er maar naar kijkt, om de tuin wordt geleid. En met zulk vreemd koeterwaals stuurt u de mensen naar de apotheek, terwijl ze in hun eigen tuin iets beters zouden vinden. Hierdoor is de geneeskunde van de geleerde wereld afgezonderd zoals een hondenslager van de eerzame mensen. En dat terwijl de geneeskunst zo helder en duidelijk in de taal van ieders vaderland geformuleerd zou moeten zijn dat de Duitser de Arabier begrijpt en de Griek de Duitser. 

De geneeskunde zou haar kunst en wijsheid zodanig tot uitdrukking moeten brengen dat allen die erin bedreven zijn, een fantastisch aanzien genieten en verwondering teweegbrengen over de hoge ontwikkeling van deze kunst. Want wie wordt er getooid door de hemel, zo niet de dokter die hem herkent? Wie wordt er getooid door de aarde, zo niet de filosoof? Want de geheimen van het firmament en van de aarde worden door de arts geopenbaard. Voor de artsen zijn de geheimen van de natuur openbaar, en aan de andere wetenschappers worden ze meegedeeld door de artsen. 

De filosofie omvat dus alle organen en alle andere lichaamsdelen, gezondheid en ziekte. Zodoende moet de beoordeling van de urine aan de hand van de buitenwereld worden geleerd, de pols wordt in het firmament gevoeld, de fysionomie in het gesternte herkend, de chiromantie in de mineralen, de ademhaling in de wind uit oost en west, de koortsen in de aardbevingen, en zo heeft telkens het een met het ander te maken. 

Als de arts de dingen in de buitenwereld van woord tot woord beheerst en alle ziekten buiten de mens ziet en kent, als hij daardoor een innerlijk beeld heeft verkregen van de mens met al zijn behoeften – richt u dan tot de inwendige mens en wees een arts. Dan mag u de urine van de mens bekijken, zijn pols voelen, zijn uiterlijk beoordelen; maar niet zonder een diep inzicht in de uitwendige mens, die alleen hemel en aarde is. Wees niet zo armzalig en hoogmoedig om de mens aan te raken zonder een dergelijk fundament, en houd op uw grondslag te verdedigen die op speculaties berust en samenhangt als losse zand, die onbestendiger is dan riet in het water! Maar u neemt er genoegen mee dat u het voor elkaar hebt gekregen dat men u geloof moet schenken zonder werken, en dat u uw schuld op God kunt schuiven. 

Ik zal nu wat dieper ingaan op de filosoof. U moet weten dat hij als een tweevoud is op te vatten: er is er een van de hemel en een van de aarde. Iedere sfeer brengt één kant van de arts voort; geen van beide is een hele arts. Een filosoof is degene die inzicht heeft in de onderste sfeer, een astronoom degene die kennis heeft van de bovenste sfeer; en toch beschikken beide over hetzelfde inzicht en dezelfde kunst, en hun onderwerp zijn de mysteries van de vier elementen. Want degene die Mercurius kent, heeft hetzelfde inzicht als degene die de kwikverbindingen kent; wie de marcasieten kent, heeft hetzelfde inzicht als degene die de Melkweg kent; wie manna kent, lijkt op degene die angelica kent. 

Het is een en dezelfde anatomie die in alle vier de elementen terugkomt. Deze verschillen van elkaar op dezelfde wijze als beide armen en beide benen, of zoals een oog van het andere, de ondertanden van de boventanden, of het vlees in de voeten van het vlees in de wangen. Zo is er een Saturnus in de hemel, die van vuur is, en er is er een in de aarde, die is aards. Zo is er een Zon in het water, en er is er ook een in de hemel; en zo is er alles in viervoud, ieder onderdeel van de mens. 

Wat in de achterste hoek van de aarde ligt, werpt een schaduw in de mens; ook wat in het diepst van de zee ligt, brengt een indruk in de mens teweeg. Wat er onder de zuidpool ligt, geeft een weerschijn onder de noordpool, en wat er onder de noordpool ligt, weerkaatst op de mens en op de zuidpool. Wat is Venus aan het hemelgewelf anders dan de matrix in de buik? Want het is de Venus aan de hemel die de arts voor het vrouwelijk organisme voortbrengt. 

Hoe zou een vrucht ontvangen kunnen worden als de kosmische Venus niet de conceptie zou bewerkstelligen? Welk nut hebben de zaadballen wanneer de ballen van Venus ongunstig zijn? Wat is ijzer? Niets anders dan Mars; en wat is Mars? Niets anders dan ijzer. Beide zijn Mars, beide zijn ijzer. Wat is het verschil tussen de Zonnen, tussen de Manen, tussen de Mercuriussen, de Saturnussen, de Jupiters? Met betrekking tot de mens maakt het niets uit; alleen hun vormen zijn verschillend. 

Daarom zijn het niet vier, maar één arcanum, alleen in een viervoudige uitvoering, zoals een toren die naar de vier windrichtingen is georiënteerd. En zoals een toren het niet met een hoek minder kan stellen, zo kan ook een arts geen van deze delen missen. Een onderdeel maakt de arts niet heel, twee delen ook niet, drie delen ook niet, maar vier delen wel. Want hij moet net zo heel zijn als de arcana, die zich in de vier elementen uitdrukken. 

En net zoals een ei in zijn schil een beeld van de wereld is, waarin een kippetje met heel zijn vleugels verborgen zit, zo moeten al de dingen die er in de wereld en in de mens zijn, in de arts verborgen liggen. En zoals de hen de gemodelleerde wereld in de schil door haar broeden verandert in een kuiken, zo worden door de alchemie de arcana tot rijping gebracht die dankzij de filosofie in de arts liggen. Zoals het vuur alles bereidt en zuivert, zo worden de dingen op aarde gebracht. 

Hier ligt de vergissing waardoor er een verkeerd beeld van de arts is ontstaan. Want als ze dit niet weten, dan kennen ze de arcana niet. Als ze niet weten wat het koper voortbrengt en wat de zwavelverbindingen doet ontstaan, dan weten ze ook niet waardoor melaatsheid ontstaat. Als ze niet weten wat de roest op het ijzer voortbrengt, dan weten ze ook niet wat de zweren maakt. Als ze niet weten wat de aardbevingen veroorzaakt, weten ze ook niet wat koortsrillingen veroorzaakt. De dingen in de buitenwereld leren en tonen wat de mens mankeert; de mens toont dat niet zelf. Deze grondslag verslapen de artsen. 

Het is niet waar dat uit mercuur en sulfur de metalen groeien, zoals zij zeggen. Het is op zich niet zoals zij beweren, dat [alleen] de zuivere aarde geen stenen voortbrengt; de stenen in de aarde groeien [sowieso] niet uit de aarde, maar uit het water; ze zijn als het ware het erts van het water. Wat het ontstaan van de metalen betreft, vergeten ze datgene wat voor de verharding zorgt. Niet twee, maar drie krachten vormen de metalen. Op een dergelijke, waarachtige filosofie moet u de geneeskunst baseren, niet op de zwamfilosofie, die zich aan de buitenkant vastzet zoals de apothekerzwam op de lariks. 

Ik krijg niet de gelegenheid mijn uiteenzetting af te ronden zonder tegengesproken en enorm aangeblaft te worden door al degenen die noch mij noch mijn tegenstanders begrijpen. Het is noodzakelijk dat het ontstaan van de metalen, waar ik het over had, volgens de filosofie wordt beschreven en niet vanuit een andere grondslag. Want net zoals de artsen het concept van de vier lichaamssappen hebben verzonnen, waardoor de hele geneeskunde is opgelicht, zo is de filosofie vervalst door de theorie van mercuur en sulfur. En net zoals de patiënten verminkt zijn door [een geneeskunde gebaseerd op] deze vier lichaamssappen, zo zijn de filosofen verminkt door de theorie van mercuur en sulfur. Het één is net zo ongerijmd als het ander. 

Wie een filosoof wil zijn zonder valsheid, die moet een zodanige grondslag leggen voor de filosofie dat hij hemel en aarde naar de microkosmos vertaalt en er geen haarbreed naast zit. En ook degene die vanuit de grondslag van de geneeskunst wil schrijven, mag geen haarbreed afwijken van een beschrijving van de microkosmos die de loop van hemel en aarde weergeeft. De filosoof moet in de hemel en in de aarde niets anders vinden dan wat hij ook in de mens vindt, en de arts moet niets in de mens vinden wat hemel en aarde niet ook hebben. Het enige verschil tussen de twee is de uitwendige gedaante; en toch moet uit de gedaante van beide een en hetzelfde worden begrepen. 

Dit valt niet te begrijpen door de eigen fantasie, maar alleen vanuit het licht van de natuur, dat ontstoken wordt door de negende hemel. Deze openbaart de wijsheid en het inzicht van zijn leerlingen door hun werken, zodat het dierlijk verstand in verbazing erover moet beven. Hierin ligt het begin van alle diepere wijsheid. Zoals het schijnsel van de Zon over alle dingen gaat en goed en kwaad mag groeien dankzij de Zon, zo groeien ze ook dankzij het licht van de natuur. De dwaling is zoals de netels: ook deze groeien door het schijnsel van de Zon. 

De filosofie en de geneeskunde moeten zodanig overeenkomen en volledig zijn dat zij weten wat het is dat er smelt in het lood, wat de hardheid in het ijzer is, wat de kleuren in de robijn zijn en de arcana daarin. Dit inzicht moet worden verkregen door het ontstoken licht dat voor ieders ogen ligt; het gewone, dierlijke verstand kent dit. Degenen die buiten dit licht werken en niets tastbaars kunnen laten zien, baseren zich op de fantasie van een dierlijk denken. Hieruit zijn de genoemde filosofen en artsen voortgekomen, die het vertrouwen in de ware leermeester hebben verloren en die menen dat iets wat hun dierlijk verstand niet kan doorgronden, helemaal niet aan de mens gegeven kan worden – alsof de filosofie beperkt zou moeten blijven tot Aristoteles en de geneeskunst zich na Galenus niet verder zou kunnen ontwikkelen. Hun geschriften zijn geheel in tegenstrijd met de waarheid. 

Zo worden degenen verdedigd die het licht van de natuur tegenwerken, dat bij ons als zuiver goud zou moeten zijn – zo zuiver dat er geen stipje roest op kan groeien. Door de minste onzuiverheid wordt het fundament beschadigd. Want wie kan nou iets goeds vergelijken met koper door te zeggen: “Wat is er heel dat zonder roest is?” Iets dat niet zonder roest kan zijn, is niet heel; want op iets heels zit er geen roest.  Dat laat het hoogste licht van de apostelen zien, dat geen gebrek noch roest of enige smet mag vertonen. Dat Judas hier als roest beschouwd zou kunnen worden, is niet juist. Hij was uitgekozen voor deze taak, die niets te maken had met het hoogste licht. Hoewel hij naar getal en naam bij het licht hoorde, heeft er niets in hem gezeten dan alleen de naam. 

Wat dat betreft moet u weten dat ook degenen die afdwalen van het ware licht van de natuur, zich onderscheiden doordat ze de orde verbreken; want zonder dat de orde wordt verbroken, ontstaat er geen dwaling. Op deze wijze zullen wel mijn tegenstanders tot hun opvattingen zijn gekomen, die ze zelf als helder en duidelijk prijzen. Want de orde van het natuurlijk licht is in hun kindheid beschadigd, waarop het dierlijk verstand diens plaats heeft ingenomen en in alle beroepen is gaan overheersen. 

De eerste filosoof zou waarachtig versteld staan van de geschriften van Aristoteles en dergelijken, net zoals de eerste ware arts van de geschriften van Avicenna en Galenus. Want niemand van hen is de arts of de filosoof geweest die ons zou moeten voorgaan en die we in deze dingen moeten volgen. Aangezien zij in tegenspraak zijn met het ware fundament, moet hun kunst zich met macht staande houden – terwijl deze kunsten zich niet laten dwingen. 

Zoals iedere kunst op aarde zichzelf geloof onder het volk verschaft, zo zorgen zij ervoor dat dit geloof in hen wordt afgedwongen, en ze doen hun best om dit valse geloof als een uiting van liefde door te laten gaan. Op deze manier wekt hun persoon een verkeerd geloof. Geloof mag voor eens en voor altijd alleen op de kunst en de werken van de kunst gebaseerd zijn. Welke werken zijn er bij al die auteurs te vinden waarvan gewaarborgd is dat ze uit de kunst voortkomen? Daarom is er bij u sprake van verzonnen kunsten op grond van pure fantasie – waar vervolgens werk en inzet bij verzonnen moeten worden. Want een valse arts moet zich honderd keer meer inspannen dan een geboren arts. 

Zo kunnen zij makkelijk beoordeeld worden: ze moeten het hebben van bijzonder grote ijver, anders geven ze zichzelf gauw bloot. U moet beseffen dat er geen excuus is voor uw dwaling, ook niet het argument dat de werken er heus wel zijn omdat u nu eenmaal de naam hebt. Het is net zoals met Judas: u bent op dezelfde wijze uitgekozen. Want telkens als er iets waarachtigs uit de negen hemelen verschijnt, is daar tegenover een uitgekozen duivel geplaatst. 

Zo maakt de filosofie kenbaar wat uw oorsprong is: u groeit net als een marcasiet, die mooi fonkelt zodat de mijnwerker niet anders kan dan hem voor louter goud aanzien. Maar zodra hij hem in het vuur plaatst, blijkt het zwavel en arseen te zijn. En zo glanst u ook, en zodra u beproefd wordt zoals een marcasiet, talk of cachymia, blijkt het niets dan kattenzilver. Net zoals messing zijn kleur van het zink heeft ontvangen, zo hebt u uw kunst en doctoraat ontvangen. 

Wanneer u bij een patiënt komt, vervluchtigt zich de glans en doorstaat u geen enkele proef, zoals talk in het vuur. Kijk maar, de natuur heeft niets in de kleuren of in de vorm verborgen; het arcanum ligt in de dingen waar er geen kleur is, kleur noch vorm. Als de natuur het nodig heeft om dit zo in te richten, hoe kunt u, dokter van kattenzilver, dan menen dat ze in het spiegelbeeld zal zetten wat ze niet eens in het origineel heeft gezet? 

Waarom pak ik u zo hard aan? Ik doe dat omdat ik hoop u hierdoor dichter bij de natuur te brengen, zodat u daarin naar uzelf kijkt en ervaart dat de arts uit de dingen in de buitenwereld moet groeien, en niet uit de mens. Als hij vaststelt dat een mens ziek is, zal hij uit de plaats van de ziekte niet kunnen afleiden wat en hoe deze ziekte is. Hij moet dit in de buitenwereld ervaren en leren, zoals ik al vaak heb gezegd. 

De reden dat ik er nu weer op terugkom, is de volgende: paeonia  toont de vallende ziekte – de tijd, het moment, de aanval, het wezen en alle eigenschappen ervan. Dit moet u uit de natuur van de pioenroos leren; buiten deze bent u slechts een opgelapte dokter die niets weet behalve wat de zieke tegen hem zegt. En de mond van de zieke is geen arts noch kenner van de natuur. Ook kunt u van viscus quercinus de oorsprong van een ander soort vallende ziekte te weten komen, en hetzelfde geldt voor andere, soortgelijke arcana. Zoveel arcana er zijn, zo veel soorten zijn er van deze ziekten. En dan heb ik het niet alleen over deze ziekte, maar ook bijvoorbeeld over de oorsprong en afkomst van de wormen uit het sint-janskruid, uit de tünella en dergelijke. 

Als u geen ervaring hebt met deze grondslag, hebt u er geen verstand van. Want als u ze met duizendguldenkruid wilt uitdrijven of met gentiaan – wat voor arts is dit die zoiets doet? Hij is net als iemand die een ander een bord soep aanbiedt, maar om hem de keuken uit te drijven, doet hij er veel te veel zout in en geeft hij hem niets goeds. Meent u, artsen, dat u op deze basis ook de geneeskunst kunt beoefenen? Het is een dwaze aanpak die nergens voor dient. Alleen de filosofie is een moeder van de arts, alleen zij verklaart alle delen van de mens en al zijn ziekten. Want de grondslag ligt daar waar de hulp is: daarin liggen het inzicht, het verstand, de kennis en al wat hiervoor dient. Het probleem is alleen dat u hiermee nog steeds niet weet wat er in het ene en het andere kruid zit. U zult wel moedeloos worden van de kunst, of u zult doorgaan met de oplichterij ‘in de naam van de Heer’, dus voortdurend mensen blijven doden, verminken en verlammen. 

Wat een handigheid hebt u bewezen totdat u de hele techniek van het recepteren bij elkaar had! Wat hebt u zich daar eigenlijk bij gedacht, aangezien u niet in staat bent geweest om het wezen van de natuur in de ziekten te herkennen? Ook wat de simplicia betreft – op grond van welk verband en welke inzichtelijke overeenkomst hebt u het gebruik van siropen, pillen en andere dingen bepaald? Want de aard, het wezen en de eigenschappen van de natuur wordt geweld aangedaan door uw onbegrip. 

De kunst om recepten op te stellen, ligt in de natuur; zij doet dit zelf. Zoals ze in het goud heeft gestopt wat bij het goud hoort, heeft ze dat echt ook bij de viooltjes gedaan. Er zit iets in dat geen toevoeging van u nodig heeft, noch suiker noch honing, net zo min als u goud heel moet maken. De natuur heeft zelf parels gemaakt, zonder uw hulp, en zo heeft ze ook zonder u de verbena perfect gemaakt om bloedingen te stelpen, zodat u er noch herderstasje noch huislook aan toe hoeft te voegen. 

U moet mij dus zo begrijpen dat de hele kracht in één simplex zit, niet verdeeld over twee, drie, vier of vijf soorten. Ze zit in haar geheel in één ding, en dit simplex heeft verder niets nodig dan alleen de alchemie. Deze wederom doet precies hetzelfde als de mijnwerker of smelter: het is een kwestie van uittrekken, niet van samenstellen. Het is een kwestie van herkennen wat erin zit, en niet van iets vervaardigen van een samenraapsel van ingrediënten. 

Wat is de beste broek? Een die nog heel is. Gerepareerde en gelapte broeken zijn de slechtste. Welk verstandig mens is nou zo dwaas en naïef om te menen dat de natuur een kracht heeft opgedeeld en in het ene kruid zo veel, in het andere zo veel heeft gestopt, om het vervolgens aan u, de heren doctoren, over te laten de boel weer bij elkaar te brengen? In de natuur zit genoeg wijsheid om deze macht niet aan u toe te vertrouwen; want in u zit er niets. 

De natuur heeft krachtige arcana geschapen en bij elkaar gezet wat bij elkaar hoort. U moet haar alleen leren begrijpen en kennen, in plaats van uzelf te begrijpen maar niet de natuur. De natuur is de arts, niet u; van de natuur moet u uitgaan, niet van uzelf; zij stelt samen, niet u. U moet zien dat u leert waar haar apotheken zijn, waar haar geneeskrachten beschreven staan en in welke potten ze zitten – niet bij Mesue, niet in het Lumen apothecariorum, niet bij Praepositus. Deze zijn tegen de natuur, u vindt bij hen niets; want wat heel is, dat breken ze in stukken, en de brokstukken noemen ze dan ‘heel gemaakt’. Zou het onterecht zijn wat ik in De Gradibus heb geschreven? Omdat ik uw werkwijze niet heb gevolgd? Neen, want de natuur is de samensteller, niet de arts. 

Daarom zijn in uw recepten valsheid en oplichterij met allerlei onjuistheden vermengd, die uiteindelijk allemaal een voor een aangewezen zullen worden, en u zult ze niet kunnen verdedigen – tenzij de leugen terrein gaat winnen. Wel zult u bereiken dat een aantal samenstellingen deugdelijk blijken, en daarmee wilt u dan meteen ook een hoop andere redden. Het liefst wilt u er zo veel bij pakken dat u hemel en aarde in uw hand hebt. Het is net zoals met het piskijken van u: daar ziet u zo veel bij elkaar dat er wel iets bij moet zitten dat klopt. En net zo is het met uw samenstellingen. Wat dunkt u? Laat me drie ingrediënten wegdoen uit de recepten voor triakel, trifera en mithridatum, en de overige, dat moeten er aan de honderd zijn, doen dan niets? Hoe zit het dan met uw samenstelling? Oh, blinden die u bent!

De filosofie, het inzicht in de natuur, is dus een moeder van de geneeskunst. Dit is wat we als mensen moeten doen en nodig hebben: de natuur herkennen als een uitwendige manifestatie van de hele mens en al wat met de mens te maken heeft. En zoals niemand in staat is om zonder natuurlijke aanwijzing kleurstoffen te maken of bomen op te kweken, is het net zo min mogelijk om in het binnenste van de mens te kijken. 

Zoals u door de natuur kunt zien wat er binnen in een zaadkorrel ligt, zo moet u ook door de natuur zien en leren wat de mens is. Zoals galappels samen met zwavelzuur een zwarte kleurstof afgeven, zo komt u er ook achter wat er in de mens zit; want alle dingen worden u geopenbaard door de natuur. En zoals u aan het zwart niet kunt zien waar het zwarte van afkomstig is, kunt u ook geen zicht krijgen op de ziekten. Degene die weet wat het is dat iets zwart maakt, is de filosoof. Wie dat niet weet, maar alleen weet dat het zwart is, die is niets en deugt niets behalve om te bedriegen of om te schilderen met de zwarte verf. 

Degene nu die filosoof is, kan vervolgens de faculteit van de geneeskunst betreden en de buitenwereld naar de binnenwereld vertalen. Deze omzetting van de grote naar de kleine wereld maakt je tot arts. Er is een zodanige instelling vereist dat je in geen geval leert van de inwendige mens; daar vind je niets dan misleiding en dood. Want om alles over de inwendige mens te leren en te ervaren zonder de uitwendige, zal een arts aan al zijn patiënten, van de eerste tot de laatste, niet genoeg hebben. 

Om van de mens zelf te leren, zou het nodig zijn om de laatste en de eerste mens en iedereen ertussenin voor ogen te hebben, want bij alle mensen samen vind je alle ziekten, bij één mens slechts één. Als je arts voor alle mensen wilt zijn, hoe kun je dan de nodige kennis opdoen aan de hand van één mens, of tien of een paar honderd, terwijl je daarmee niets hebt dat het geheel omvat, ook niet met wat er al over geschreven is? Wat is er dan geschreven dat meer omvat dan slechts een begin? En dan nog ontbreekt het fundament. 

Daarom moet de wereld de mens vertolken. Want deze mens, die je leert kennen aan de hand van de grote wereld, draagt alle ziekten, die van de overledenen en die van hen die nog geboren moeten worden. Het leren aan de hand van de mens is dus onvolmaakt, er komt geen eind aan, er zit geen fundament onder, en de proef op de som is dat mensen worden verminkt, verlamd, verprutst en gedood. Dat is wat de artsen leren die aan de hand van de mens leren, dat is wat ze kunnen. Zolang de uitwendige mens niet in u ligt, bent u alleen aan het experimenteren, dat wil zeggen, u behandelt op goed geluk en hoopt wanhopig op een goede afloop. Is dat de manier waarop een dokter moet leren, of is het die van een moordenaar? 

Laten alle lezers hier zelf over oordelen of het in de bedoeling van God gelegen kan hebben dat we de geneeskunst op deze moorddadige wijze zouden leren en proberen. Echt, dat was niet zijn bedoeling. Het moet afgelopen zijn met wat er op de universiteiten wordt geleerd; want God heeft de artsen geschapen om leven te geven, en zij nemen het. En door dergelijke moorddadige leerstellingen en probeersels zouden wij tot meesters en doctoren worden? Dan zou het beter zijn als God nooit een geneeskunde had geschapen, want door wat er op de universiteiten wordt geleerd, worden meer mensen vermoord dan alle meesters zouden kunnen herstellen. 

Daarom heeft God ons de filosofie gegeven zodat we daaruit kunnen leren, van daaruit tot arts en meester geboren kunnen worden, buiten de mens, want dan wordt er niet meer gemoord. Maar voor u is het misschien niet mogelijk om zo ver te komen; de ongeremde domheid zal het winnen. Laat ik uw eigen geweten hier de rechter over zijn, dat u met al wat u doet, vals en twijfelachtig bent. Als God de zieken niet zou behoeden, wie zou er dan nog in leven blijven? U zult verbaasd en versteld staan van de goedheid van God. 

De anatomie van deze uitwendige mens moet door de arts helemaal verinnerlijkt zijn, en wel zo volledig dat hij geen haartje op zijn hoofd, geen enkele porie kan vinden die hij niet vooraf al tien keer heeft gevonden en gekend en waarvan hij alles aanschouwelijk heeft begrepen. Want de recepteerkunst is op de anatomie gebaseerd, zodanig dat orgaan met orgaan, arcanum met arcanum en ziekte met de overeenkomstige ziekte in verband worden gebracht. Dit is de spil waar het om draait, niet het getal – de eerste, tweede, derde graad enzovoorts – maar orgaan bij orgaan; op deze wijze komen ziekte en arcanum bij elkaar. Zo wil de natuur dat de geneeskunst wordt aangepakt, niet op de manier van de oplichters. 

Waar is het concept ontstaan dat warmte, koude, vocht of droogte tot ziekte en ook tot genezing zouden leiden? Wat is het dat de droogte verdroogt? Wat is uitdrogen anders dan dat het vocht gewoon wordt verplaatst? Net als wanneer de zon een plas doet opdrogen, dan wordt het vocht niet verteerd, maar op die plaats weggenomen en naar een andere plaats gebracht. Welke koude wordt door warmte weggenomen, anders dan dat de koude gewoon blijft, alleen niet meer in het gewicht valt? Bovendien moet hier een andere factor in beschouwing worden genomen: de werking van de geneesmiddelen heeft met het wezen van de tijd te maken. 

Kijk maar hoe leeg u bent wat de filosofie betreft; hoe kan er dan iets waars zijn aan uw opvatting van de geneeskunst? Het klopt natuurlijk dat alle dingen een bepaalde temperatuur en vochtigheid moeten hebben; alleen, dat heeft niets met geneeskunde te maken, ook niet met de arcana. Wat spreekt er in de mens? Wat kijkt er uit zijn ogen? 

Wat is het in zijn oren dat hoort? Koude of warmte? Niets daarvan. En toch zijn de zintuigen koud en warm, vochtig en droog – maar wat heeft dat met het gezichtsvermogen te maken? Op deze wijze moeten we ook naar de geneeskunst kijken: zoals het gezichtsvermogen niet als een kwestie van koude en warmte kan worden beschouwd, maar een arcanum van de ogen is, zo is het met alle arcana, voor de ogen en voor andere organen. Daarom is het logisch dat ik zeg: gebruik het orgaan voor het overeenkomstige orgaan. Hierop berust de kunst van het genezen. De arcana vormen de apotheek van de arts. 

Want warmte blijft warmte, koude blijft koude, ze kunnen niet worden vernietigd. Water blijft water, vuur blijft vuur, het zijn onveranderlijke elementen. Naar deze onveranderlijkheid is nog nooit gekeken, dat het vocht onveranderlijk met koude is verbonden – en zij willen er een ‘warme ziekte’ mee verdrijven. Geen ziekte is onveranderlijk qua koude of warmte. Zij willen het onveranderlijke tegen het veranderlijke laten strijden; dat is hun fundament. 

Contraria a contrariis curantur, dat wil zeggen, ‘het warme verdrijft het koude’, dat is verkeerd, dat is in de geneeskunst nooit waar geweest. Of alleen in deze zin: het arcanum en de ziekte zijn ‘contraria’. Het arcanum betekent gezondheid, en de ziekte is het tegendeel van gezondheid. Deze twee verdrijven elkaar, het een verdrijft het ander. Dat zijn de tegendelen die elkaar verdrijven, en het ene verdrijft het andere met de dood, zodat van zijn tegendeel niets meer over is. Een dergelijke volledige verdrijving bestaat niet ten aanzien van koude en warmte. Als je iets wilt verdrijven, is de kunst dat het nooit meer terugkomt. 

Waar is ooit de winter verdreven of de zomer? Dat is nog nooit gebeurd. Daarom tonen deze ons de loop van de tijd, niet de loop van de ziekten. De ziekte is één ding, de elementen zijn iets anders. De elementen worden niet ziek; de persoon wordt ziek. Scorpio geneest dus Scorpio, realgar geneest realgar, kwik geneest kwik, melisse melisse, het hart het hart, de milt de milt, de long de long. Niet het hart van een varken, de milt van een koe of de long van een geit, maar het orgaan van de grote mens geneest het orgaan van de inwendige mens. 

Om mijn toehoorders niet te lang op te houden, wil ik u gewoon op het hart drukken om naar inzicht te streven in de grote mens, en om hierdoor vervolgens de inwendige mens te leren kennen. Hecht geen geloof aan de praatjes en leerstellingen van uw leermeesters, die zich als overwinnaars beschouwen en zichzelf altijd gelijk geven. Al lopen ze over van eigengerechtigheid en claimen ze nog ieder dispuut gewonnen te hebben – let daar niet op, kijk naar hun werken, dan zult u erachter komen wie ze zijn. 

Wat zouden ze u kunnen leren, aangezien ze zelf vaak genoeg in schande moeten afdruipen en zich op aperte leugens laten betrappen, zoals u gezien en gehoord hebt? Moeten degenen die zelf nooit hebben gedeugd, u tot grote doctoren en meesters maken? Neem het u ter harte, hecht geloof aan de werken, niet aan de woorden; de woorden zijn leeg, maar de werken tonen hun meester.

Ik vraag u indringend: lees wat ik schrijf, neem het in overweging, doe er moeite voor. Bekijk het niet met nijd, met minachting, met spot. Want dat zou er uiteindelijk toe leiden dat uw minachting voor mij op uzelf terugvalt. Aangezien u studerende bent: leer en luister in beide kampen en haal eruit wat nuttig is. Want als u niet dagelijks herkauwt wat ik u vertel, waar zal u anders de grondslag van de geneeskunst worden gegeven? Zodanig dat u de microkosmos herkent in de uitwendige natuur, waar u wonderen en grote geheimen zult begrijpen die in de mens liggen? Doe dat niet om mij een dienst te bewijzen, maar voor uzelf en uw patiënten, en om God te prijzen. Want wie is er ooit geweest die de mens als mens heeft benaderd? 

Alle faculteiten zijn er blind voor, niemand kent de mens; er is alleen maar verderf uit voortgekomen. De theologen zouden nogal beteuterd zijn als ze arts zouden worden, met het inzicht [in de mens dat ze hebben]. De juristen zouden direct merken waar ze met hun slimmigheid zouden blijven, en anderen insgelijks. Allemaal hebben ze de mens tot onderwerp, en toch wil niemand hem echt kennen. Want u hebt metalen in het water, maar ook metalen van de aarde, van het vuur en van de lucht. U hebt vier soorten kwik, vier soorten betonica, vier soorten tereniabin, vier soorten amethist, en ze verschillen van elkaar alleen in hun vorm. Zo zijn er ook vier soorten stinkende gouwe en vier soorten goud. 

Deze dingen zijn niet anders dan zoals ze in de mens zijn, want ook bij de mens komt het viervoud goed tot uitdrukking in de vormen. Op deze structuur berusten de kennis, de kunst en het geheim van de arts; daar moet hij zich naar richten en niet naar andere beroepen, want die zijn niet adequaat voor zijn taak. Hiermee heb ik voldoende gezegd over de eerste grondslag van de geneeskunst: dat je zonder deze filosofie geen arts kunt zijn, maar alleen een bedrieger die groeit als een korstmos op een boomstam. 

Bron: Het boek Paragranum – de tempel van de geneeskunst door Paracelsus

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *