Godsvrucht 3 – hoofdstuk 7 uit deel 2 van ‘De komende nieuwe mens’ – een onvergankelijk bouwwerk oprichten

 

GODSVRUCHT 1GODSVRUCHT 2GODSVRUCHT 3

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt hoofdstuk 7 met de titel ‘Godsvrucht 3’ uit deel 2 van De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

‘Schraag, met betoon van alle ijver,
door uw geloof de deugd,
door de deugd de kennis,
door de kennis de zelfbeheersing
door de zelfbeheersing de volharding,
door de volharding de godsvrucht.’

Tot dit punt hebben wij het zevenvoudige pad nu min of meer uitvoerig besproken en ten laatste gezien dat godsvrucht betrekking heeft op een nieuwe, wonderlijke magnetische kringloop van Heilige Geest-kracht in de nervus sympathicus, die in de Universele Leer wordt aangeduid als het tweede ruggenmerg, of het tweede slangenvuur. Het tweede slangenvuur is de basis van alle nieuwe menswording. Op deze basis wordt een nieuwe lichaamsgestalte, een nieuwe persoonlijkheid gevormd, welker aanzichten en hoedanigheden wij uitvoerig zullen bespreken wanneer de tijd daarvoor rijp is.

Het betreft hier leringen die betrekking hebben op de Apostolische Kring, de Derde Tempel. Wie de Derde Tempel op grond van zijn godsvrucht kan binnengaan, ontvangt de vereiste hulp, ten einde te kunnen leren:

    1. hoe het nieuwe lichaam te voeden,
    2. hoe het nieuwe lichaam te doen groeien,
    3. hoe er zich in te bewegen,
    4. hoe het te gebruiken, en
    5. hoe van het oude lichaam der natuur procesmatig afscheid te nemen.

Wellicht zal deze, uiteraard sobere, inlichting u opheldering geven inzake een van de grootste, voor het grote publiek nog steeds gesluierde problemen van de aloude heiligen der katharen: hun zogenaamde zelfmoord. De verslagen vertellen hoe in de middeleeuwse Albigenzenoorlog de gevangenen van de Romeinen, geen enkele uitkomst meer ziende en aan de meest geraffineerde martelingen blootgesteld, met een verzaligde glimlach op het gelaat geforceerd uit het lichaam traden en zich door zelfmoord aan de greep van hun beulen onttrokken. Men vond hun ontzielde lichamen, zonder enig uiterlijk letsel en niet gedood door vergif, in volstrekte rust. Wat moeten wij hiervan denken?

U weet wat zelfmoord is. Men slaat de hand aan zichzelf, forceert de dood van het lichaam, waarna de rest van de persoonlijkheid in de spiegelsfeer terechtkomt, in zekere gebieden van gene zijde een hoogst ellendige en smartelijke tijd doorlijden moet, tot het moment aanbreekt waarop normaliter de dood gekomen zou zijn. Er volgt dan onmiddellijk reïncarnatie, waarbij de geforceerd afgebroken levensdraad onder verzwaarde omstandigheden weer moet worden opgenomen.

U zult wel begrijpen dat er geen enkele kathaar overgegaan is tot een dergelijke daad, die, afgezien van de overige gevolgen van zelfmoord, een einde zou maken aan een aanwezige kans op werkelijke bevrijding van het wiel. Nee, de heiligen der katharen bezaten het nieuwe lichaam, de nieuwe persoonlijkheid. Zij waren deelhebbers aan de Apostolische Kring van die dagen en behoren sedertdien tot de algemene Apostolische Broederschap. Daarom kunnen wij uit hun aloude lotgevallen een klaar beeld krijgen dat volkomen in overeenstemming is met de wetmatigheid der transfiguristische processen.

Zo hebt u dan te verstaan dat de kandidaat met het gnostieke slangenvuur in de sympathicus een nieuwe persoonlijkheid bouwt, die volkomen is toegerust met bouwstoffen van de Gnosis en volkomen vrij en los is van deze natuur. Het is een persoonlijkheid die tot ontwikkeling komt in een totaal ander magnetisch levensveld, terwijl zij toch dezelfde ruimte inneemt als de dialectische persoonlijkheid. In de microkosmos van de kandidaat zijn dus op een gegeven moment, behalve de aurische persoonlijkheid, nog twee persoonlijkheden aanwezig: die van de oude natuur, en die van de nieuwe natuur. Er zijn derhalve in die toestand ook twee bewustzijnskernen, twee ik-wezens.

Maak nimmer de vergissing te denken dat uw gewone ik in het nieuwe lichaam wordt overgedragen, dat u zelf, als dialectische bewustzijnskern, deel krijgt aan het nieuwe leven. Uw bewustzijn als dialectische mens behoort bij de verschijnselen van deze natuur. Het zal verdwijnen, het zal eenmaal ophouden te bestaan, indien u het pad gaat. De Andere moet wassen, u zelf zult óndergaan.

Als de Broederschap u aanspreekt, dan spreekt zij u aan in uw microkosmische totaliteit. Zij spreekt tot u èn tot de Andere, die, zo u hem nog niet bezit in de gedaante ener persoonlijkheid, toch potentieel in u, in uw microkosmos, aanwezig is, als ‘zaad’ verhuld.

U zult zich kunnen voorstellen dat het in ons bestaansveld voor dienaren van de dienende Broederschap, wanneer zij de ‘nieuwe mens’ reeds bezitten, toch van het grootste belang is de oude dialectische persoonlijkheid zo lang mogelijk te handhaven, daar zij in deze persoonlijkheid contact kunnen opnemen met dialectische mensen en onopvallend en op gewone, natuurlijke wijze kunnen arbeiden om mensen te vissen uit de levenszee der gevallenheid. Zij zullen daarom in deze zin hun dialectische persoonlijkheid tot aan de uiterste grens van het praktisch bereikbare in stand houden.

Eerst wanneer hun tijd gekomen is, verlaten zij, zonder ook maar enigszins op te vallen, hun oude gedaante der natuur. Zij sterven, doch u begrijpt dat dit sterven dan geheel anders is dan dat van iedere andere mens. Deze dood is dan niet de vrucht der zonde, geen persoonlijkheidssplitsing, waarbij de rest naar het land aan gene zijde verhuist, doch het is een dood waarbij het graf volkomen ledig bevonden wordt; er ligt slechts het kleed van de oude natuur. Niet een lichaam dat verlaten werd, want dat was al jaren en jaren voordien slechts camouflage, een kleed, een sluier van een andere werkelijkheid.

Bij een gewone dode ziet men na de dood van het lichaam de rest der persoonlijkheid aanwezig. Doch bij de transfiguristische ingewijde was deze al sedert lang verdwenen. Zij was, zoals de oude rozenkruisers het noemden, ‘in Jezus de Heer gestorven.’ Wat overbleef was slechts de camouflage, de uiterlijke verschijning van de oude lichaamsgestalte, die nog zolang mogelijk in mensendienst werd gebruikt. Als dit oude gewaad dan op een gegeven moment wordt afgeworpen, blijkt dat er niets meer van de oude existentie bestaat, noch in het hier, noch aan gene zijde.

Daarom wordt er ook gezegd dat het graf van Jezus de Heer volstrekt ledig werd bevonden. Men zag niets dan wat opgerolde doeken, het uiterlijke kleed van de oude lichaamsgestalte. Als Maria de Heer wil schouwen, moet zij ‘achterwaarts’ blikken. Dit is een oude gnostieke uitdrukking voor het schouwen in de oorspronkelijke, thans voor haar weer nieuwe magnetische ruimte. Daar ziet zij hem die zij innerlijk altijd heeft gekend, doch die zij zelf, daar zij nog in de oude staat der gewone natuur existeert, nog niet kan benaderen. Daarom klinkt tot haar: ‘Raak mij niet aan!’ Hier wordt gedoeld op dezelfde wet die Ananias en Saffira doet sterven. Men kan het gans andere niet met het dialectische benaderen zonder een catastrofe te veroorzaken.

Wanneer u zich nu, in het licht van het bovenstaande, op de oude katharen bezint, dan zult u verstaan. Daar werd een groep gevangenen levend ingemetseld in een grot. Een metersdikke muur scheidde hen van de buitenwereld. De bedoeling was duidelijk: een langzame dood door verhongering. Geen enkele kans op bevrijding. Dacht u, dat zij dagen en wellicht weken daar in de donkerte en in het vuil, te midden van het ongedierte, zouden liggen te stumperen en te sterven? Nee, zij die reeds sedert lang het sympathische zenuwstelsel cerebrospinaal hadden gemaakt, zij wisten: ‘Nu is onze tijd gekomen, nu is onze taak voleindigd’, en met een rukje van de wil aan de nervus vagus ontvloden zij het gewaad hunner camouflage, de eeuwige vrijheid tegemoet, het graf ledig achterlatend.

Elders werd een groep katharen van de top van de kruisberg te Foix geboeid naar beneden geworpen in het ravijn. Dacht u dat zij het resultaat van hun val zouden hebben afgewacht? Gekneusd, bloedend uit afzichtelijke wonden, met gebroken ledematen, stervend onder helse pijnen? Nee, voor zij beneden waren, waren zij hun kleed der camouflage ontvloden en wiekten opwaarts, de klaarten van het nieuwe leven tegemoet. Zo ging het ook met hen die de brandstapels moesten bestijgen, met hen die in onderaardse kerkers werden gesmeten. Daar zij niet meer van deze wereld waren en de schennende hand van het dialectische geweld zich naar hen uitstrekte, gingen zij hun vaderland binnen. Dit is de waarheid van het sterven van Jezus, dit is de waarheid van de zogenaamde zelfmoord der katharen.

Zij die niet weten en niet kunnen zien, slaan de handen vertwijfeld voor het gelaat, zeggend: ‘O, wat ontzettend, welk een onmetelijk lijden!’ Doch zij die weten, zingen een lied, een lied van klaterende blijdschap, want degenen die levend de vrijwillige dood der natuur sterven in het endura, kunnen van de tweede dood, de dood van het camouflagelichaam, niet meer beschadigd worden.

Mocht u dit alles verstaan, let dan nu eens, tot uw nadere informatie, op de Bergrede. Tot de leerlingen van de Apostolische Broederschap, die ‘de Andere’ bezitten, wordt daar gezegd:
‘Ge hebt gehoord dat er gezegd is: “Oog om oog en tand om tand.” Maar ik zeg u geen tegenstand te bieden aan de boze, doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe, en wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel.’

Wat de Romeinse horden in de Albigenzenoorlog beoogden, was het neerslaan van de mantel, de vernietiging van de uiterlijke verschijning der heilige katharen, daar zij van de mystificatie uitgingen dat onder deze mantel het levende hart van de Gnosis klopte. Doch met een lachen dat door de bergen weerklonk, nadat zij zo lang mogelijk hun taak hadden vervuld en daarin tot het uiterste waren gegaan, lieten de katharen hun vijand de dialectische mantel en gingen op in de serene hoogten der heilige stilte.

Zij stonden op uit de oorden zat van tranen, in een nieuwe morgenstond. Zij waren tevoren reeds broeders en zusters van het morgenrood, zij bezaten daartoe het lichaam, doch zij bleven zolang het mogelijk was in de landouwen van de nacht, om de zoekers te helpen in hun duisternis. Maar dacht u dat zij daarom zouden vechten?

Zij gingen het nieuwe leven binnen omdat zij wisten dat er steeds helpers, broeders en zusters, zullen zijn. De keten der dienende Broederschap op aarde wordt nimmer verbroken. Is er een van hen, van wie men het hemd wil nemen? Hij laat zijn aanvallers ook de mantel. Hij zal hen niet tarten, want hij kent zijn plicht. Maar spontaan en vanzelfsprekend zal hij hunkeren naar het moment van afscheid. En komt dit afscheid, dan wordt zijn plaats onmiddellijk ingenomen door een opvolger. Vindt u dit misschien een onjuist standpunt? Let dan eens op 2 Korinthe 5, waarin Paulus zegt:

‘Want wij weten, dat indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. En hierom zuchten en hunkeren wij: wij haken er naar met die nieuwe woonstede te worden overkleed. Wij die nog in onze aardse tent zijn, hebben dus maar een doel: dat wij niet ontkleed zullen worden bevonden, en het sterfelijke door het ware leven zal worden verslonden. God is het die ons juist daartoe bereid heeft, en die ons de godsvrucht als bouwstof gegeven heeft.’

Zo richten wij ons tot allen die op de vijfde trede staan, en tot hen die naar deze vrije metselaarsstaat hunkeren. Dichter dan ooit zijn de heilige waarden van het nieuwe leven tot u gedragen. Woord voor woord worden de waarden van het consolamentum, dat op de vijfde trede als godsvrucht een feit wordt in de sympathicus, u voorgesteld. Daarom kunt u de woorden van Efeze 2 ook als tot u gesproken in u opnemen:

‘Ge zijt nu geen vreemdelingen en bijwoners meer, doch medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op de grondslagen der apostolische broederschap, terwijl Jezus Christus zelf de Hoeksteen is. In Hem wast het gehele bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Heer, waarbij ook gij mede als bouwstenen dient voor een woonstede Gods in de geest.’

Vrij van alle dialectische natuur kan op basis van een nieuwe magnetische kring een onvergankelijk bouwwerk worden opgericht. Tot dit bouwersambt wordt u geroepen. Wie zijn werktuigen daartoe kan tonen, zal in de Apostolische Kring de gelegenheid ontvangen tot nieuwe tempelbouw, heilig in de Heer, goed ineensluitend, een nieuwe woonstede. Wie in deze hemel binnengaat, is veilig; hij is onschendbaar voor alle geweld. Wie in deze hemel woont, zal, voor het eerst in zijn microkosmische bestaan der gevallenheid, lachen, bevrijdend lachen, juichend van vreugde.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS