Goed denken en spreken over het Goede, symposion-voordracht van Jan Warndorff, auteur van ‘Geen idee’

Allereerst, veel dank aan de organisatoren voor de uitnodiging om hier vandaag voor u te komen spreken, naar aanleiding van mijn boek getiteld Geen idee. We zullen nog wel zien waarom ik die titel heb gekozen; maar ik zou graag willen beginnen met… Stilte. Want door deze stilte, daalt de aandacht neer op wat hier nu ter plekke gebeurt: wij zijn hier bijeen in deze zaal – en allemaal als ademende lichamen. Dus let u daar even op: op die adem in, en die adem uit. 

BESTEL ‘GEEN IDEE’ VAN JAN WARNDORFF

Merk hoe ook de personen die naast u zitten, die voor u en achter u zitten, net als u ademende lichamen zijn. In…. en uit. Waarom wil ik eerst hier de aandacht op laten neerdalen? Omdat dit is, volgens mij, waar alles uiteindelijk om draait. Dit is waar we elke ochtend toe wakker worden, en in opstaan, en de rest van de dag mee bezig zijn; en dit is wat ons ten diepste interesseert en motiveert. Wat hier gebeurt is geen droom, is geen illusie, is geen schim en ook geen fantasie: maar dit is het leven zelf. 

En dat is waar ik eerst en vooral goed bij stil wil staan. Dit lijkt mij goed om te doen; en niet alleen binnen het kleine uurtje van mijn presentatie, maar überhaupt. Als wij handen en voeten willen geven aan het Goede, dan zou ik niet weten waar anders te beginnen, dan door aandacht te hebben voor het leven zelf. Want dit staat op het spel; en niet alleen voor uzelf, en voor uw buurman en buurvrouw – maar dit staat op het spel voor ieder mens, overal ter wereld. Dit leven zelf, en onze instinctieve betrokkenheid daarop, is iets wat alle mensen met elkaar gemeen hebben.

Natuurlijk: hoe het leven per moment en voor elke persoon individueel eruit ziet verschilt enorm – het is in feite duizelingwekkend om je voor te stellen wat er per persoon gebeurt, alleen al binnen de ruimte van een kleine straat in een klein dorp – bijvoorbeeld hier in Bilthoven. Dus laat staan in alle dorpen en steden op alle continen- ten van de wereld. Maar we hebben wel met elkaar gemeen dat dit gebeurt, aan en in en met ons als ademend lichaam, hier ter plekke. Daardoor kunnen wij het leven niettemin beschouwen als een identieke situatie, waar wij ons allemaal toe moeten zien te verhouden – inclusief de duizelingwekkende verschillen.

Juist nu, in het multiculturele mondiale dorp anno 2017, waarin zoveel verschillende mensen en culturen en religies steeds dichter op elkaar worden gedrukt, is het niet alleen goed maar zelfs essentieel om stil te staan bij deze identieke situatie – bij deze universele reali- teit, en universele zorg – dus om stil te staan bij het leven zelf. Temeer, natuurlijk, omdat hier anders zo weinig bij wordt stilgestaan. In ons eigen dagelijkse leven zijn we gewoonlijk zo druk bezig met van alles en nog wat, altijd op weg naar iets ergens anders, ons zorgen makend over iets ergens anders – dat wij hier steeds doorheen kijken, en over het hoofd zien, en het de rug toedraaien. Als jongere, ja, toen nog wel: toen we 10, 12, 15 waren, toen konden we ons nog diep verwonderd voelen door wat hier op aarde gebeurt, en waarin wij zomaar, ongevraagd en zonder uitleg, in terecht waren gekomen. Toen was het leven echt nog een mysterie, een raadsel. Maar waren wij niet ook verbijsterd, hoe weinig dit mysterie leek te betekenen in de wereld van volwassenen; hoe weinig het er toe leek te doen? Voor volwassenen leek het leven op aarde compleet normaal, niets om je druk om te maken – zij maakten zich druk om hun baan en het huishouden en de politiek en de economie, en voor het overige leek alles geheel onder controle; met of zonder het verplichte uurtje naar de kerk op zondag. 

En nu zijn we zelf volwassen, en merken we denk ik allemaal hoe moeilijk het is om langdurig en diepgaand stil te staan bij wat hier op aarde gebeurt, en om het besef van mysterie, de ervaring van raadselachtigheid, levend te houden. Juist wij, die toch met elkaar een levendige belangstelling delen voor het diepere, voor het spirituele, voor het Goede, weten hoe moeilijk dat kan zijn; en juist daarom komen wij bijeen op dagen als deze, voor inspiratie. Daarom wilde ik dus beginnen met stilte, om hier als het ware aan te komen. En daarom wil ik ook in de rest van mijn verhaal vooral stil blijven staan bij wat hier gebeurt, met speciale aandacht voor de diverse redenen waarom het juist zo moeilijk is om hier bij stil te staan. 

In feite heb ik hiervoor al twee redenen genoemd; eerst het feit dat het leven voor ons zo gewoon is geworden. Ja, we zitten hier alle- maal met elkaar in deze zaal – so what? Dit is gewoon een moment in ons gewone dagelijkse leven, misschien wel doodgewone dage- lijkse leven; en dat is zo door en door vertrouwd dat u zich misschien afvraagt wat hier nog voor interessants over op te merken valt. Daarnaast is er het gegeven dat wat hier gebeurt per individu verschilt, en bovendien ook per moment verschilt; dus waar hebben we het dan eigenlijk over? 

Welnu, uit deze zelfde observaties blijkt dat we het dan hebben over iets dat wezenlijk dynamisch is, en wezenlijk plastisch is. In het af- gelopen kwartier heb ik al ongeveer 1500 woorden uitgesproken, als één lange aaneenrijging van klanken die zich in uw gehoor direct tot betekenissen omvormen, en op die manier heb ik vormgegeven aan wat hier gebeurt. Hier zullen vandaag nog andere mensen staan, en zij zullen op hun eigen manier vorm en inhoud geven aan wat hier gebeurt. Het leven is een voortdurende stroom, als een voortduren- de aaneenschakeling van momenten. Dus als je dit als met een speld zou willen vastpinnen – zo van, dát is wat hier gebeurt – dan merk je dat dat niet kan. Wat hier gebeurt kun je niet vastgrijpen; het ontglipt je steeds, als water. Dan merk je dus ook dat het leven zelf geen vorm heeft, het heeft geen omtrek, het heeft geen substantie. Je kunt het leven vergelijken met een ruimte waarin wij continu verkeren; een beetje zoals wij nu in de ruimte van deze zaal verkeren. Maar deze zaal is een ruimte in de wereld, die wij als een ruimtelijk ding tegenkomen binnen de ruimte van ons leven. En die ruimte van ons leven is een ruimte die nergens in de wereld ook maar enige ruimte in beslag neemt. De hele wereld doet zich voor binnen de ruimte van ons leven, als op een toneel; maar het leven zelf kan nooit op dat toneel verschijnen. 

Of, anders gezegd: de wereld is vol dingen, ons leven is vol dingen, maar ons leven zelf is geen ding in de wereld. Maar een realiteit die onzichtbaar is; die ongrijpbaar is; die geen vorm of substantie heeft – dat zijn natuurlijk de kenmerken die van oudsher worden toegeschreven aan hogere realiteiten, transcendente realiteiten, spirituele realiteiten. Ik wil dus onderstrepen hoezeer deze kenmerken direct van toepassing zijn op wat voor onszelf het meest vertrouwd en meest dierbaar is: ons eigen leven. Het is volgens mij van groot belang om te beseffen, en te erkennen, dat het mysterie, het raadsel
– dat wat ongrijpbaar en onbegrijpelijk is – niet iets vreemds is, niet iets vaags is, niet iets ergens op een afstand is: het gebeurt hier ter plekke. Dat wij hier zijn, dat dit hier gebeurt – ademende lichamen
– dit is het mysterie.

Elke keer wanneer u ’s ochtends in de spiegel kijkt, staart het mysterie u aan. En dat brengt ons dan tot de titel van mijn boek: Geen idee. Wat hier gebeurt: ik begrijp het niet, ik bevat het niet. ‘Geen idee’ is een volmondige erkenning van onbegrip ten aanzien van ons leven op aarde. En ik zou ook u, en alle mensen op aarde, willen aanmoedigen om deze fundamentele onwetendheid volmondig te erkennen. 

Dat is dan eerst misschien even schrikken, een gevoel van drijfzand, alsof we dan geen houvast meer hebben, en er geen richting meer is. Als wij fundamenteel onwetend zijn, dan zou je kunnen denken dat we ook stuurloos zijn. Maar in mijn boek laat ik zien dat we het leven op aarde niet hoeven te begrijpen, om ons toch met volle inzet te wijden aan goed leven. Sterker nog: juist vanuit een bekommernis om goed leven, is deze erkenning van onbegrip een hele goede en belangrijke stap. 

Om te beginnen omdat het alle grote verhalen over wat hier op aarde gaande is, alle grote waarheidsclaims, van religieuze, wetenschappelijke of politieke aard, tussen haakjes zet. We kunnen niet zeggen dat dergelijke verhalen onzin zijn, dat God bijvoorbeeld niet bestaat; maar ook niet dat Hij wel bestaat. 

Dus het zet ook tussen haakjes een heel gewichtig verhaal dat eigen- lijk al 2500 jaar op ons drukt; dat is het Oudgriekse verhaal over de mens als het animale rationele, als het kennende dier: de homo sapiens. Vanwege die definitie staat de betrekking tussen de Europese mens en de wereld allereerst in het teken van het kennen: de mens als het kennende ding tegenover de wereld als het kenbare ding. En daarmee is ons ook de taak, de plicht, de bestemming gegeven, om die twee als het ware in elkaar te schuiven, als een hand in een handschoen. Dus zolang wij daar nog niet in zijn geslaagd, zijn wij als mens nog niet geslaagd. Sinds 2500 jaar zijn wij dus steeds op weg naar het ultieme inzicht, en daarmee naar ons eigenlijke zelf; en het zou toch erg tragisch zijn wanneer wij daar nooit zouden arriveren, en dus nooit waarlijk mens zouden zijn. Het is een opvatting die ook de totale geschiedenis van de mensheid tot nu toe in feite diskwalificeert als zijnde één langgerekte slaapwandeling. 

De Spaanse filosoof José Ortega y Gasset beschrijft de notie van de homo sapiens als een keten die ons nog altijd gevangen houdt bin- nen het Oudgriekse levenslot; en hij stelt voor om dit te vervangen door de notie van de homo in-sipiens, de onwetende mens. Want als wij ervan uitgaan dat ons leven op aarde fundamenteel onbegrijpelijk is, dan hoeven we daar niet meer naar te streven, en eindeloos op te wachten. Dan hoeven we niet meer op weg te zijn, maar zijn we allang aangekomen, hier, vandaag, op deze aarde, in dit leven. En dan kunnen we pas echt de mouwen oprollen om er hier het beste van te maken. 

Door de erkenning van onwetendheid dragen we dus al bij aan een beter leven. Het is een stap waarmee wij niet alleen onszelf maar ook andere mensen vrij stellen. Vooral de Franse filosoof Emmanuel Levinas heeft vanuit de joodse inspiratie duidelijk gemaakt dat
het intrinsiek gewelddadig is ten opzichte van andere mensen om te willen kunnen zeggen wat het leven op aarde is – of wat ‘het goede’ is. De wil of de pretentie om boven jezelf en anderen uit te stijgen om het geheel te kunnen overzien, dat benoemt Levinas als de wil tot panoramisch denken; en vanuit dat verheven gezichtspunt verschijnen andere mensen als hele kleine poppetjes in het landschap.

En als die poppetjes jouw ideeën niet delen, dan zal je ze gauw beschouwen als een beetje dom, als mensen die het nog-niet-weten, die nog dwalende zijn. En dan is het maar een kleine stap verder om ze te beschouwen als ketters, als afvalligen, als opstandig. En als jij
dan ook nog grote praktische plannen hebt met dat landschap, dan zijn zij een sta-in-de-weg die simpelweg opgeruimd moeten worden. Hetgeen in onze geschiedenis natuurlijk veel te vaak is gebeurd.
Maar als we het leven en de wereld niet meer beschouwen en benaderen als iets om te begrijpen – dan kunnen we ons in plaats daarvan wijden aan het streven om hier zo veel en zo goed mogelijk van te houden. Vanuit een bekommernis om het goede, stel ik voor
om onze verhouding tot het leven en de wereld te verleggen van het kennen, naar het liefhebben. Dus om ons, als homo insipiens, nog verder te ontwikkelen tot een homo amore. De liefhebbende mens. In het voorbijgaan kunnen we ons trouwens afvragen of dit niet het meest betekenisvolle onderscheid is tussen de mens en andere dieren: dat wij ons vrijwillig kunnen en willen wijden aan het liefhebben. 

Vervolgens is het natuurlijk de vraag wat het betekent om te houden van, hoe doe je dat? En daartoe wil ik opnieuw even goed kijken naar wat hier ter plekke gebeurt. Eerder zagen we al dat wat hier gebeurt een voortdurend dynamische stroom betreft – en als we nu goed kijken dan zien we dat deze stroom uit een voortdurende interactie bestaat, tussen onszelf en de wereld. Ik sta nu op deze vloer, u zit op een stoel, ik slinger deze woorden de ruimte in, u hoort deze woorden tot u komen. Altijd bevinden wij ons in de wereld, en zijn wij deel van de wereld: het leven gebeurt als een permanent dynamische twee-eenheid van ik-en-wereld. De textuur van het leven wordt voortdurend geweven, als een permanente tango, een onop- houdelijke dans voor twee. 

Dat geeft een heel ander beeld dan het statisch Cartesiaanse dualisme tussen het denkende zijn en het strekkende zijn, tussen geest en materie, als twee volkomen van elkaar afgesloten domeinen. Natuurlijk is het zo dat wij onszelf vaak toch beleven als een afgeschei- den entiteit; alsof ik en de wereld twee verschillende domeinen zijn. En dat moet volgens mij ook wel, omdat de wereld zo duizelingwekkend groot is – we noemden het al eerder – dat we ons anders, fysiek en mentaal, niet staande konden houden. Als de hele wereld ongeremd bij mij naar binnen kon stromen, dan zou het effect letterlijk verpletterend zijn. Daarom is het nodig dat wij ons in hoge mate voor de wereld afsluiten. 

Maar tegelijkertijd willen we ons openen voor de wereld, willen we ons ermee verbinden, willen we erin opgaan. Zoals Friedrich Niet- zsche ook heeft betoogd, zitten we als mens gevangen tussen twee tegenovergestelde impulsen of bewegingen: om ons voor de wereld te openen, en ons ervoor te sluiten. En in deze openende beweging kunnen wij twee vormen onderscheiden: enerzijds het genieten, an- derzijds het liefhebben, of het houden van. Nu is het niet ongebruikelijk om daar een soort conflict tussen te zien, alsof de gerichtheid op genieten iets hedonistisch is, iets dat alleen om jezelf draait, terwijl liefde altruïstisch is en vooral om de ander draait. Maar het zijn allebei manieren waarop je aandacht hebt en je openstelt voor de wereld rondom; dus in mijn optiek vormen ze een continuüm, en zijn ze allebei goed en waardevol, hoewel verschillend.

Het verschil is dat genieten een passieve openstelling is, en houden van een actieve openstelling. Om te genieten van een glas wijn of kop koffie hoef ik mij er slechts voor open te stellen, door welwillende aandacht. Daarom kan je genot ook niet afdwingen, je kunt je alleen proberen ergens voor open te stellen, en dan volgt de genieting, of niet. Maar ik kan ook gaan houden van wijn, door mij te verdiepen in de verschillende soorten, de wijnregio’s, het maakproces, enzovoort. Dat is een veel ernstigere, actieve vorm van je- zelf ergens mee verbinden. 

Genieten, zou je kunnen zeggen, is een kwaliteit van beleving; houden van is een kwaliteit van verhouding. Houden van betekent het aangaan van een blijvende relatie, en dat vergt aanhoudende aandacht, vergt structurele zorg, vergt zelfdiscipline, en mede daardoor ook zelfbeperking. In mijn boek definieer ik het liefhebben als de cultivatie van betekenis, door de vrijwillige onderwerping aan een zelfgekozen structuur. 

U kunt dit goed vergelijken met het cultiveren van gewassen op het land: als boer kan je niet alle gewassen van de wereld verbouwen, je moet je beperken tot een beperkte reeks. En als je daar eenmaal aan begint kun je er niet zomaar van weglopen, want dan sterft het onherroepelijk: het is dus iets waar je jezelf toe verplicht. En vaak is het pas na vele maan- den of zelfs jaren dat al die inspanningen vrucht dragen; daarom vergt liefhebben ook geloof en doorzettingsvermogen. Alleen op die manier kan je een betekenisvolle relatie vormgeven, en blijvend verdiepen. 

Dergelijke relaties kun je aangaan ten opzichte van wijn, of meubels maken, of schilderen of muziek maken, of koken en het huishouden, en natuurlijk ook ten opzichte van jouw professionele occupatie, ongeacht wat deze is. En het kan ten opzichte van planten en dieren, en uiteraard ten opzichte van mensen, in verschillende gra- daties van nabijheid: van de anonieme mens op straat tot uw eigen levensgezel. En het kan rechtstreeks ten opzichte van het wonderbaarlijke raadsel van dit algehele leven op aarde. 

Ik denk dat iedereen in deze zaal wel het boekje kent over De Kleine Prins. Dat boekje gaat over precies deze moraal van de liefhebberij. Maak mij tam, vraagt de vos aan de kleine prins. En ‘tam’ is hier een beetje een beperkte vertaling van het oorspronkelijke Franse woord, apprivoiser, wat een ondertoon heeft van: je eigen maken, tot onderdeel van je leven maken. En als de kleine prins dan vraagt wat het woord betekent, dan zegt de vos volgens de Nederlandse vertaling: het betekent verbonden. Maar dat is echt een jammerlijke misser, want in feite zegt de vos dat het betekent, ‘creer des liens’: dus het betekent, het scheppen van verbindingen. Ofwel het aangaan van blijvende relaties. 

Daarom zegt de vos ook dat het wezenlijke voor de ogen onzichtbaar is: want het wezenlijke is niet iets dat je kunt zien, het is geen ding in de wereld, maar het is hoe jij je verhoudt tot de wereld. Het is de textuur die jij weeft; het is het leven dat je leeft. ‘En kijk eens! Zie je daar de korenvelden? Nu eet ik geen brood. Ik heb niets aan koren en korenvelden zeggen me niets – dat is heel verdrietig. Maar jij hebt goudkleurig haar. Dan zal het heerlijk zijn als je me tam gemaakt hebt! Door het goudkleurige koren zal ik aan jou moeten denken. En ik zal het geluid van de wind in het koren mooi vinden…’ 

Het is een prachtige omschrijving van de toename aan betekenis, ofwel de cultivatie van betekenis, wanneer je je ergens mee verbindt. Maar het liefhebben is ook van toepassing op hoe wij ons denkend en sprekend verhouden tot het leven zelf. Willen wij dit positioneren als een vreemd ding op een afstand om na te jagen, om te willen vangen in onze netten van begrippen, om te onderwerpen aan de wetten van de causale logica? 

Of willen wij dit omarmen als onze allereerste en meest trouwe partner in ons bestaan, als onze continue wederhelft – als de ruimte die ons de ruimte geeft om te leven? Willen wij heersend denken, panoramisch denken — of willen wij liefhebbend denken? Willen wij permanent lineair op weg zijn naar een verondersteld ultiem inzicht, ergens in een onbestemde toekomst – of zullen we het aandurven om concentrisch te denken: om steeds terug te keren tot waarom wij denken, als permanente spil? 

Ook woorden zijn daden, ook taal is een ethisch beladen handeling: dat is de les van Levinas. Binnen het bestek van deze presentatie kan ik hier niet teveel over uitwijden; maar u vindt mijn voorstel tot liefhebbend denken uitvoerig beschreven in mijn boek, en ik heb natuurlijk geprobeerd om het hier ter plekke te beoefenen. Het essentiële probleem is dat naam-gevende taal altijd de werkelijkheid geweld aan doet. 

Ik moest recent denken aan de mythe van Koning Midas, die wenste dat alles dat hij aanraakte zou veranderen in goud. Zijn wens ging in vervulling, en Midas stierf een spoedige dood – want ook het voedsel dat hij aanraakte, ook het water dat hij wou drinken, veranderde direct in star en levenloos goud. Zo doet ook naam-gevende taal alles wat het aanraakt onmiddellijk verstarren tot een levenloos ding. 

Dus ook als we het leven benoemen als ‘het leven’, dan creëren we daarmee het beeld, het idee, van iets dat bestaat als ding in de wereld, om na te jagen. Daardoor wordt het dus tot een object voor het denken, een onderwerp van discussie – en een bron van verwarring, van onenigheid, van conflict. ‘Taal is de moeder van alle dingen’, zegt daarom het taoïsme. Daarom is de tao die je kunt benoemen, niet de ware tao. Het leven dat je kunt benoemen, is niet het ware leven. Daarom zegt het taoïsme, en ook het boeddhisme, dat het goed is om op dit punt te zwijgen. Dat is precies waar ik deze voordracht mee begon, en waarom ik daarmee begon.

Maar we moeten goed beseffen dat het boeddhisme een reactie was op een situatie van 2500 jaar geleden. Vandaag hebben we te maken met de compleet nieuwe situatie van het mondiale dorp, en vanuit de bekommernis om goed leven, en goed samenleven, is het toch dringend nodig om de aandacht te vestigen op wat wij met elkaar gemeen hebben: ‘het zogenaamde leven zelf’. Dus moeten we daar toch universele woorden voor zien te vinden; maar het moeten woorden zijn die zichzelf als het ware direct schadeloos maken. Een Midas aanraking die zichzelf direct weer opheft. 

En ik meen die woorden te hebben gevonden, door dit wat hier gebeurt dus niet meer te benoemen als ‘het leven’ – maar precies zo, als ‘Dit wat hier gebeurt’. Want dat is de enige manier om wat hier gebeurt te benoemen, zonder het te doen verstarren tot een ding dat bestaat. 

Let u vooral ook hierop, dat dit een uitspraak is waarvan de woordelijke inhoud – ‘dit/is/wat/hier/gebeurt’ – onmiddellijk samenvalt met de praktische handeling: wat hier gebeurt is dat ik zeg, ‘dit is wat hier gebeurt’. Aldus treffen we hier een uitzonderlijk geval van de onmiddellijke overeenkomst tussen taal en werkelijkheid – wat natuurlijk de klassieke definitie is van waarheid. 

‘Dit is wat hier gebeurt’ is een uitspraak die zich onmiddellijk rekenschap geeft van zijn eigen participatie in en dus invloed op … wat hier gebeurt. En daardoor is het een Midas aanraking die zichzelf direct weer opheft. En dat maakt dit tot een geweldloze manier van denken en spreken, een liefhebbende manier van denken en spreken, die universeel toegankelijk en toepasbaar is.

Tot slot van deze voordracht wijs ik er graag nog op dat praktische alle religies en levensbeschouwingen uiteindelijk ook culmineren in een moraal van liefde. Alleen leggen ze vaak grote en ingewikkelde omwegen af, ook gewelddadige omwegen in de zin van Levinas, om daar bij uit te komen. Maar vanuit een bekommernis om het goede
is het dus misschien beter om die omwegen over te slaan, en direct aan de slag te gaan; en niet meer met ‘het leven zelf ’, maar met dit wat hier gebeurt. 

Bron: Het Schone, het Goede, het Ware, Symposionreeks 42

BESTEL HET SCHONE, HET GOEDE, HET WARE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *