Heiliging, een dorpsgeschiedenis – roman van Anker Larsen over voorbeelden stellen

‘Heiliging, een dorpsgeschiedenis’ van de beroemde Deense schrijver Johannes Anker Larsen (1874-1957) is de geschiedenis van een jonge man die een nieuwe wereld ontdekt, die weinig gemeen lijkt te hebben met zijn oude bekende wereld. Wanneer hij vertrouwd raakt met deze nieuwe wereld en er zijn dagwerk in weet te vinden, zie hij dat de twee werelden eigenlijk één en dezelfde zijn. Vanaf dat moment stelt hij zich ten doel zijn eigen leven te verwezenlijken, niet door verklaringen te geven, maar door voorbeelden te stellen. Larsen (1874-1957) studeerde theologie, rechten en filogie. Hij werkte daarna als journalist, vervolgens vele jaren als acteur en regisseur totdat hij zich geheel wijdde aan de literatuur. Zijn werk is beïnvloed door zowel Kierkegaard als door Chinese en Indische mystici en is in 11 talen vertaald. Johannes Anker Larsen behoort tot de groten uit de wereldliteratuur en wordt in de literatuurkritiek vergeleken met Dante, Dostojewski, Hamsun, Proust en Tagore. 

EEN WOORD VOORAF

Nu zijn ze allemaal volwassen. Zij die toen volwassen waren, zijn nu dood. Spoedig zullen ze allemaal weg zijn als een flits in het oog van een mens: vluchtig, ontastbaar, bode van een ziel, verdwenen, vergeten. Het zal zijn alsof deze kinderen en volwassenen nooit geleefd hadden. En hij die over hen hoort vertellen, zal denken: ‘Hebben die nu werkelijk bestaan, waar vindt men die gemeente, of is het maar “een verhaal”?’

Het kan lelijk flikkeren in het oog van een mens; men vangt de flits op, voelt zijn betekenis en weet dat wanneer het vaak zo flikkert, die flitsen de weg wijzen naar de hel waar ze ontbranden tot een vlam vol haat.

Het kan vrolijk schitteren in het oog van een mens en die blik is als de morgenzon op de dauw van het gras, weerspiegeling van het leven zoals dat is wanneer het nog een lange duur heeft en straalt van al wat een mensenhart kan hopen.

Er kan goedheid toeven in het oog van de mens, een bodemloze diepte, een zwijmelende rust als in de eindeloze ruimte zelve. Dat is de vrede die men ziet, die bestaat in de geest van de mensen; het is zondag in de gemeente; de vrede is op aarde als een vogel die een ogenblik rust van zijn vlucht, een van ’s hemels vogelen zit even vertrouwelijk tussen ons in – maar laat zich niet vangen of verlokken om te blijven. Een flits – en de vrede is weg, is nergens te vinden, is slechts een vertelsel dat men eens gehoord heeft, een hoop op iets dat nooit zal komen. Toch was hij.

Het menselijk lichaam verstijft; daar is geen ziel in te vinden. Maar gisteren was die er; vandaag is ze slechts een flits die nooit terugkomt. Op het veld liggen de gereedschappen van de mensen, in de keuken ligt het huishoudgerei, in het graf hun gebeente. Al deze dingen, die men kan verzamelen en bewaren in musea, waren iets wat ze hadden, maar zijzelf waren het onaantastbare: flitsen die kwamen en verdwenen, zodat men er later aan kon twijfelen of ze werkelijk bestonden. In deze geschiedenis komen niet veel anders dan flitsen voor, maar het zijn flitsen die werkelijk hebben bestaan.

Waarde heer Nielsen!

Het bovenstaande schreef ik in uw tuinhuisje, achter de rozen, de dag nadat ik u beloofd had een boek over hem te schrijven. Het kreeg deze vorm naar aanleiding van een opmerking die ik op een keer had afgeluisterd, toen uw vrouw in datzelfde tuinhuisje achter de rozen met Trine zat te praten terwijl ik bij het venster stond te luisteren. Ze zal de opmerking aan het eind van het boek vinden. Dus schreef ik deze regels als een inleiding of als een verontschuldiging, omdat ik mij vergrijpen wilde aan een ongrijpbare stof.

Maar toen ik aan het werk wilde gaan en trachten zou een beschrijving van hem te geven, voelde ik mij ongeveer zo te moede als u zelf, toen hij u had opgedragen dat werk uit te voeren waaraan hij zijn leven had willen wijden. Het leek me onmogelijk en ik was bijna geneigd om te volstaan met het schrijven van de kroniek van uw gemeente, waar ik op die zomerdag mee dreigde toen u, Rasmus en ik op een pelgrimstocht waren in uw nieuwe auto. 

Rasmus liet zijn stille blik verwarrend lang op mij rusten en zei, met zijn sceptische glimlach: ‘Dus wilt u de kroniek schrijven van ‘de gemeente die rijp werd voor de hemel? Maar u zei met die diepe ondertoon , die u allen in de stem krijgt al u over hem spreekt: ‘Wilt u over de nieuwe gemeente hier schrijven, schrijf dan over hem, want de nieuwe gemeente is – jij.’ En bij mijn vertrekt zei u: ‘Denk aan uw belofte – en houdt die.’

Nu heb ik haar gehouden zo goed als ik kon. En ik weet dat u zult vinden dat het niets betekent, dat hij in ieder geval niet die warmlevende figuur is geworden zoals u hem beleefd hebt. Maar ik heb gedaan wat ik kon op grond van wat u, uw vrouw Trine en Rasmus mij verteld hebben; ten zeerste geholpen door het collegeschrift met zijn aantekeningen dat u mij leende en door mijn eigen samenzijn met hem daar boven in de zandgroeve gedurende zijn paar laatste zomers. 

U zult het mij niet kwalijk nemen dat ik zo intiem over u en uw vrouw heb gesproken; dat was nodig voor een beschrijving van hem. Zelfs kon ik er niet toe komen u beider namen te veranderen, maar ik heb immer niet gezegd hoe de gemeente heet. En er zijn zoveel wakkere gemeenten in het district Funen; niemand zal u herkennen, behalve uw eigen dorpskinderen en die zijn toch op de hoogte.

Hierbij zend ik u het boek en evenals u, wilde ik wel dat het beter geworden was.

J.A.L.

Holter, maart 1928 

INLEIDING

Dit is de geschiedenis van een jonge man die ene nieuw wereld ontdekte, die helemaal niets gemeen had met de oude. Toen gaf hij na rustig overleg alles op wat de oude wereld hem te bieden had, en stelde daardoor de inwoners teleur in de grote verwachtingen die ze van hem koesterden. Toen hij vertrouwd geraakt was met de nieuwe wereld en er zijn dagwerk in gevonden had, zag hij dat de twee werelden één en dezelfde waren. Voortaan stelde hij zich als enig doel beide werelden in zijn eigen leven te verwezenlijken, zodanig dat allen die met hem leefden heel de volheid van het leven zouden ervaren.

Hij wilde geen verklaringen geven, maar voorbeelden. Daarvoor offerde hij zijn eerzucht op en alles wat zijn rijke vermogens hem hadden kunnen verschaffen. Maar hij kwam ertoe om een nog groter offer te brengen. Hij moest de vreugde opgeven van het bezit van het leven. Juist toen het levenslicht hem het sterkst doorgloeide, zodat allen werkelijk naar hem op moesten zien als naar een voorbeeld, deed hij vrijwillig afstand van het leven opdat dit de krachtige bevestiging van de dood kon krijgen. 

Misschien was de dood toch wel zo vroeg gekomen, afgezien van zijn moedige keuze. Maar hijzelf geloofde in ieder geval dat het van hem afhing of hij zou leven en een oude man worden, of zou sterven in zijn allerbeste jaren. Uit onbaatzuchtige liefde voor het leven koos hij de dood. Maar dit moet niet zo worden opgevat, dat hij door eigen hand stierf.

Er was niets merkwaardigs aan hem, niet in het oog vallend in ieder geval. Nu achteraf kan men kleine trekjes in zijn kinderleven vinden die toen niemands opmerkzaamheid trokken, maar waar men nu op wijst en waarvan men: ‘Ja, daar zien we immers al een aanduiding van wat later zijn hele persoonlijkheid gaf.’ Enige van deze kleine voorvallen en uitingen zullen daarom hier worden meegedeeld. 

Dicht bij een klein bos staat een huis waar een naaistertje woont; in haar huiskamer bevinden zich drie foto’s van hem, waarschijnlijk de enige die bestaan. De eerste is genomen op vier- of vijfjarige leeftijd; hij voelde niet veel voor het fotograferen, maar men kan zien dat hem gezegd was zoet stil te staan. Hij staat dan ook gedwongen stil als een pas gedresseerde jonge hond die op verlof wacht om zich weer te bewegen. Het haar is blond en er zit een lichte golving in. Het ziet eruit alsof het half en half bestemd was om te krullen, maar op het laatste ogenblik gevonden werd dat het geen nut had. Men zet de foto weg, men pakt hem telkens weer op, zonder eigenlijk te weten waarom. 

Er is niets in het geheel dat bijzonder aantrekt, maar het is een kunstwerk waarin men steeds nieuw leven ontdekt. Deze jongen, die plichtmatig stilstaat, is een en al leven door zijn hele lichaam heen. Het lijkt alsof de handen (deze boerenjongen heeft merkwaardig gevormde handen), de ronde stevige kuiten, ja, zelfs het goedgevormde buikje, elk hun eigen gedachten volgden die alle als kleine stroompjes uitliepen in de zee vol rustige verwachting, die in zijn ogen school. 

De tweede foto is een foto van de gehele dorpsschool. Hij staat midden tussen zijn kameraden. Men moet hem zoeken, want hij lijkt verloren onder hen; er zijn vele gezichten die, meer dan het zijne, opmerkzaamheid afdwingen. Maar heeft men hem opgemerkt dan vindt de blik een diepe rust, blijft men zich bij hem bepalen en worden de anderen vergeten. Naast hem staat een jongen van gelijke leeftijd, maar heel wat groter, met een open, glimlachend gelaat en een paar brede schouders. Er is van weerszijden iets verwants en goeds in de wijze waarop die twee naast elkaar staan, het lijkt alsof ze samen horen – maar dat is misschien alleen een vernuftige inval achteraf, van iemand die symboliek legt in een toevallige plaatsing. 

De derde foto toont hem met de pas verworven studentenmuts. Daar ontbreekt de ongekunsteldheid die de andere foto’s stempelt. Al het boerse is verdwenen; men ziet een overwerkte jonge man uit de stad, moe, maar zeker van zichzelf, als de eerste onder zijn makkers, verzekerd van een schitterende toekomst. Daarna is hij waarschijnlijk nooit meer gefotografeerd. 

In het dorp waar hij geboren werd en waar hij stief, leefde – en leeft nog – een grappige oude kerel die uurwerken repareerde en bij de mensen werk in de tuin verrichtte. Men beschouwde hem als een vagebond, ofschoon hij een mensenleeftijd op dezelfde plaats gewoond had. Het was zijn verleden en zijn bijzonder voorkomen, die hem de schijn gaven van een landloper. Hij had proponentsexamens gedaan en had dus predikant kunnen worden, wat in zijn jeugd door het volk op het platteland nog beschouwd werd als iets groots en verhevens. In plaats daarvan werd hij een zwerver en als een soort handwerksman kwam hij daar in de gemeente.

De eerste indruk dat men hem als mens niet serieus kon nemen, bleef bestaan doordat hij de spot dreef met alle volwassen mensen, ja, zelfs met de godsdienst – die toch klaarblijkelijk zijn diepste belangstelling had. Hij was geen man van veel woorden, behalve tegenover kinderen. Hij hield ervan om naar hen te luisteren en hun ernstige geschiedenissen op schertsende toon te vertellen. 

De kleine Hans Larsen heeft op de speelplaats gezeten en naar de verhalen van Rasmus Praatvaar geluisterd. En terwijl Rasmus zeker geen invloed heeft gehad op Hans’ latere wederwaardigheden, had hij ongetwijfeld wel enige invloed op de uitleg die Hans eraan gaf. Zijn neiging om wat uiteraard met woorden niet te zeggen is, in beelden uit te drukken, heeft Rasmus tenminste bevorderd. 

Uiterlijk verliep Hans Larsens jeugd geheel zoals die van andere kleine boerenjongens; het was alleen zijn innerlijke leven dat anders was, en dat kende alleen zijn even oude vriendinnetje, de kleine Trine, en zij vond het toen heel natuurlijk. Later kwam er een tijd dat het haar afschrikte, totdat zij er weer haar weg in vond. Althans voor zover althans zij erin kon komen en zich daar thuis voelde. 

Ook zijn moeder voelde zich eens angstig, zoals men angstig kan zijn als men teveel ziel ontmoet. Zij had hem nog niet zolang gehad; nog nauwelijks eraan gewend dat het kleine wezen een deel van haar eigen lichaam was geweest en nu een ik op zichzelf was geworden. Ze stond hem te bekijken terwijl hij in de lag te slapen; toen hij zich begon te verroeren nam ze hem op nog eens zijn kleine lichaampje dicht tegen het hare te voelen. Daar sloeg hij zijn oogjes op, onmiddellijk uit de diepe slaap, en keek haar aan met die grondeloze blik van een pas ontwaakt kind. Het leek haar dat hij haar onderzoekend aankeek om uit te vinden of zij er wel voor deugde zijn moeder te zijn. Ze werd aangegrepen door een gevoel van angst dat ze minder zou zijn dan hij. Ze keek in de ogen die ze niet begreep en haar handen begonnen te beven zodat ze hem niet langer houden kon en hem in de wieg meost leggen. Daarna ging ze het huis uit en bad nederig eenvoudig, haar eigen onwaardigheid voelende, Onze Lieve Heer voor wijsheid en kracht om dit kind op te voeden zoals het hoorde. 

Iets dergelijks gebeurt misschien met menige jonge moeder die denkt dat ze een kleine levende pop heeft gekregen en ontdekt dat ze vol verantwoordelijkheid staat tegenover een nieuw is, een eigen persoontje wiens karakter en lot ze kan kennen noch gebieden. Als de dreumes later zijn goede en slechte gewoonten krijgt, is hij een jongen die om beurten vreugde en ergernis geeft. En het ogenblik van onmacht wordt vergeten. Maar twintig jaar later kwam bij deze moeder in ieder geval de herinnering terug en de angst meldde zich weer aan. Het gevoel van onmacht was hetzelfde, maar de angst gold ditmaal niet haarzelf. Het was zijn ziel, en waar die heen zou sturen, wat haar zorg gaf.

En nu volgt zijn geschiedenis in kleine flitsen, zodanig dat hij van tijd tot tijd verdwijnt in andere verhalen, zoals hij op de schoolfoto tussen de kameraden verdwijnt tot men hem plotseling in het oog krijgt en dan niets anders ziet dan hem. 

INHOUD

Een woord vooraf
Inleiding

De mist
Het schaakspel
Fopspel
Het ogenblik
De zonnehemel
God?
Het geheim
De regen
De bloemen die niet geplukt konden worden
Groei
Nausikaä
In verdoving
Ontwaken
De vrijgevige
Het doel
Liefde en vriendschap
Over de Signaalheuvel
Dans
Waarom en hoe?
De frambozen
In de zandgroeve
De keuze
Bereid
Heilig bestaan
Ouderdom
Trine
De vijf plaatsen
De witte bruidsjapon
De gemeente die rijp wordt voor de hemel

Bron: ‘Heiliging, een dorpsgeschiedenis’ door J. Anker Larsen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *