Herfsttij der middeleeuwen, klassieker van Johan Huizinga

BESTEL HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN

Herfsttij der middeleeuwen is de klassieker van Johan Huizinga, de meest befaamde en literair begaafde historicus die Nederland kende. Geen boek in de cultuurgeschiedenis van de lage landen is zo spraakmakend is geweest als Herfsttij der middeleeuwen. Het is een synthese van de beeldende kunst en literaire bronnen, van de verstilde sfeer van de Vlaamse primitieven (waaronder Het Lam Gods) en de klacht om het bestaan in het werk van de contemporaine dichters en schrijvers – dit alles gezien tegen de achtergrond van schitterende feesten in extravagante kledij en van pompeuze praal.

Erudiet en beeldend beschrijft Johan Huizinga in de vurige kleuren van de herfst de teloorgang van de laatmiddeleeuwse beschaving. Van Latijnse, Franse en Duitse citaten worden vertalingen gegeven. Een tijdtafel, een stamboom van het Bourgondische vorstenhuis en een nawoord maken deze uitgave van Herfsttij der middeleeuwen werkelijk compleet.

1. ’S LEVENS FELHEID

Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu. Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk scheen de afstand groter dan voor ons; al wat men beleefde had nog die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed nu nog hebben in de kindergeest. Elke levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakke, vaste levensstijl. De grote dingen: de geboorte, het huwelijk, het sterven, stonden door het sacrament in de glans van het goddelijk mysterie. Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.

Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre koude en het bange duister van de winter waren een wezenlijker kwaad. Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden nog dat hoge genotsgehalte, dat misschien door de Engelse novelle in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende en gruwelijke openbaarheid.

De leprozen klepten met hun ratel en hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken, en stalden er hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar aan zijn kleed. De grote heren bewogen zich nooit zonder pralend vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging, venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg het teken van zijn dame, de genoten het embleem van hun broederschap, de partij de kleuren en blazoenen van haar heer.

Ook in het uiterlijk aanschijn van stad en land heerste die tegenstelling en die bontheid. De stad verliep niet zoals onze steden in slordig aangelegde buitenwijken van dorre fabrieken en onnozele landhuisjes, maar lag in haar muur besloten, een afgerond beeld, stekelig van talloze torens. Zo hoog en zwaar de stenen huizen van edelen of koopheren mochten zijn, de kerken bleven met haar omhoogrijzende massa’s de aanblik der stad beheersen.

Gelijk de tegenstelling van zomer en winter sterker was dan in ons leven, zo was het die van licht en duister, van stilte en gedruis. De moderne stad kent nauwelijks meer het zuivere donker en de zuivere stilte, het effect van een enkel lichtje of een enkele verre roep.

Door het voortdurend contrast, door de bonte vormen, waarmee alles zich aan de geest opdrong, ging er van het alledaagse leven een prikkeling, een hartstochtelijke suggestie uit, welke zich openbaart in die wankele stemming van ruwe uitgelatenheid, hevige wreedheid, innige vertedering, waartussen het middeleeuwse stadsleven zich beweegt.

Er was één geluid, dat al het gedruis van het drukke leven steeds weer overstemde, en dat, hoe bont dooreenklinkend, toch nooit verward, alles tijdelijk ophief in een sfeer van orde: de klokken. De klokken waren in het dagelijks leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke Jacqueline, klokke Roelant; men wist de betekenis van kleppen of luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor de klank.

Gedurende het beruchte tweegevecht tussen twee burgers van Valenciennes, dat in 1455 de stad en het gehele Bourgondische hof in buitengewone spanning heeft gehouden, luidde de grote klok, zolang de strijd duurde, ‘laquelle fait hideux à oyr’ [wat afschuwelijk was om te horen], zegt Chastellain. In de toren van Onze Lieve Vrouwe te Antwerpen hangt nog de oude alarmklok uit 1316, Orida, dat is horrida, de verschrikkelijke genaamd. ‘Sonner l’effroy’, ‘faire l’effroy’ heet het luiden der alarmklok; het woord betekende oorspronkelijk onvrede – exfredus, daarna de afkondiging van die toestand door klokgelui, dus alarmsignaal, eindelijk schrik. Welk een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als alle kerken en kloosters van Parijs de klokken luidden van de morgen tot de avond, en zelfs de gehele nacht, omdat er een paus gekozen was, die een einde aan het schisma zou maken, of om een vrede tussen Bourguignon en Armagnac.

Van een diep roerende werking moeten ook de processies zijn geweest. Wanneer het bange tijden waren, en die waren het dikwijls, liepen ze soms dag aan dag, weken achtereen. Als de noodlottige twist tussen de huizen van Orleans en Bourgondië eindelijk heeft geleid tot openlijke burgeroorlog, en de koning, Karel VI, in 1412 de oriflamme neemt, om met Jan zonder Vrees de Armagnacs te gaan bestrijden, die door een verbond met Engeland landverraders zijn geworden, laat men te Parijs, zodra de koning zich op vijandelijk gebied bevond, het houden van dagelijkse processies verordenen.

Zij duren van eind mei tot in juli, telkens van andere groepen, orden of gilden, telkens langs andere wegen, met andere relieken: ‘les plus piteuses processions qui oncques eussent été veues de aage de homme’ (de aandoenlijkste processies, die ooit bij mensenheugenis gezien waren). Allen liepen barrevoets en met nuchtere maag, de heren van het Parlement zogoed als de arme burgers; elk die kon droeg een kaars of een toorts; er waren steeds veel kleine kinderen bij. Ook uit de dorpen rondom Parijs kwamen de arme landlieden blootsvoets van ver gelopen. Men ging mede of keek het aan ‘en grant pleur, en grans lermes, en grant devocion’ (in hevig wenen, in bittere tranen, in grote devotie). En bijna al die dagen regende het hard.

Dan waren er de vorstelijke intochten, voorbereid met al de zinrijke kunstvaardigheid, waarover men beschikken kon. En in nooit onderbroken veelvuldigheid de terechtstellingen. De wrede prikkeling en de grove vertedering van het schavot waren een gewichtig element in de geestelijke voeding van het volk. Het was kijkspel met moraal. Tegen gruwelijke roverijen verzon de justitie gruwelijke straffen; een jonge brandstichter en moordenaar wordt te Brussel met een ketting, die aan een ring om een staak kan draaien, binnen een kring van brandende takkenbossen geplaatst.

Hij stelt zichzelf aan het volk in roerende woorden ten voorbeeld, ‘et tellement fit attendrir les coeurs que tout le monde fondoit en larmes de compassion’. ‘Et fus sa fin recommandée la plus belle que l’on avait oncques vue.’ (en hij vertederde de harten zodanig, dat iedereen smolt in tranen van medelijden. En men prees zijn einde het schoonste dat men ooit gezien had). Messire Mansart du Bois, een Armagnac, die in 1411 te Parijs wordt onthoofd tijdens het schrikbewind der Bourgondiërs, geeft niet alleen de beul gaarne de vergiffenis, die deze hem naar de gewoonte vraagt, maar verzoekt de beul, hem te kussen. ‘Foison de peuple y avoit, qui quasi tous ploroient à chaudes larmes’ (er was een menigte volk, die bijna allen hete tranen schreiden).

 Dikwijls waren de slachtoffers grote heren; dan genoot het volk de voldoening over het strenge recht en de ernstige vermaning over de wisselvalligheid van aardse grootheid levendiger, dan enig geschilderd exempel of dodendans het hun geven kon. De overheid zorgde, dat aan de indruk van het schouwspel niets ontbrak: in de tekenen van hun grootheid deden de heren hun droevige tocht. Jean de Montaigu, grand maître d’hôtel van de koning, slachtoffer van de haat van Jan zonder Vrees, rijdt naar het schavot, hoog op een kar gezeten, twee trompetters vooruit; hij draagt zijn staatsiekleed, kaproen, houppelande en hozen half wit half rood, en gouden sporen aan de voeten; met die gouden sporen hangt het onthoofde lijk aan de galg.

De rijke kanunnik Nicolas d’Orgemont, slachtoffer van de wraak der Armagnacs in 1416, wordt in een vuilniskar door Parijs gevoerd, in een grote violette mantel en kaproen, om de onthoofding van twee genoten aan te zien, vóór hij zelf veroordeeld werd tot levenslange opsluiting ‘au pain de doleur et à eaue d’angoisse’ [op brood van smart en water van angst]. Het hoofd van maître Oudart de Bussy, die een plaats in ’t Parlement geweigerd had, werd op bijzondere last van Lodewijk XI weer opgegraven en in een scharlaken kaproen met bont gevoerd ‘selon la mode des conseillers de parlement’ [overeenkomstig de mode van de raadsheren van het parlement] op de markt te Hesdin tentoongesteld, met een verklarend rijmpje. De koning zelf schrijft over het geval met grimmige grappigheid.

Zeldzamer dan de processies en de terechtstellingen waren de preken van de reizende predikers, die af en toe het volk kwamen schokken met hun woord. Wij krantenlezers kunnen ons nauwelijks meer de geweldige werking van het woord op een onverzadigde en onwetende geest voorstellen. De volksprediker broer Richard, die als biechtvader Jeanne d’Arc heeft mogen bijstaan, preekte te Parijs in 1429 tien achtereenvolgende dagen. Hij begon des morgens om vijf uur, en eindigde tussen tien en elf uur, meest op het kerkhof der Innocents, onder welks galerijen de beroemde dodendans geschilderd stond, met de rug naar de open knekelhuizen, waarin, boven de booggang rondom, de schedels voor het gezicht lagen opgestapeld.

Toen hij na zijn tiende preek meedeelde, dat het de laatste zou zijn, daar hij geen verlof voor meer had, ‘les gens grans et petiz plouroient si piteusement et si fondement, commes s’ilz veissent porter en terre leurs meilleurs amis, et lui aussi’ (groot en klein weende zo deerlijk en diep, alsof zij hun beste vrienden [= hun naaste verwanten] zagen begraven, en hij zelf ook). Als hij eindelijk Parijs gaat verlaten, meent het volk, dat hij de zondag nog te St. Denis zal preken; in grote troepen, wel zesduizend, zegt de burger van Parijs, trekken zij zaterdagsavonds uit de stad, om zich een goede plaats te verzekeren, en overnachten op het veld.

Ook aan de franciscaan Antoine Fradin werd te Parijs het preken verboden, omdat hij hevig uitvoer tegen de slechte regering. Maar juist daarom was hij het volk lief. Zij bewaakten hem dag en nacht in het klooster der cordeliers; de vrouwen stonden er op wacht, met haar munitie van as en stenen gereed. Om de proclamatie, die deze wacht verbiedt, lacht men: de koning weet er niets van! Als eindelijk Fradin, verbannen, toch de stad verlaten moet, doet het volk hem uitgeleide, ‘crians et soupirans moult fort son departement’ (zeer luide zijn vertrek met schreien en zuchten beklagende).

Wanneer de heilige dominicaan Vincent Ferrer komt preken, trekt uit alle steden het volk, de magistraat, de geestelijkheid, tot bisschoppen en prelaten toe, hem met lofzangen tegemoet, om hem in te halen. Hij reist met een talrijke schare van volgers, die iedere avond na zonsondergang in processie rondtrekken met geseling en zingen. Uit iedere stad vergezellen hem nieuwe scharen. Hij heeft de verzorging en herberging van al die volgelingen zorgvuldig geregeld door het aanstellen van onbesproken mannen tot kwartiermeesters. Tal van priesters uit verschillende orden reizen mee, om hem voortdurend bij te staan in het horen der biecht en de bediening der mis. Een paar notarissen vergezellen hem, om terstond akte op te maken van de bijlegging der geschillen, die de heilige prediker overal tot stand brengt.

De magistraat van de Spaanse stad Orihuela verklaart in een brief aan de bisschop van Murcia, dat hij in hun stad 123 verzoeningen had bewerkstelligd, waaronder 67 ter zake van moorden. Waar Vincent preekt, moet een houten getimmerte hem en zijn gevolg beschutten tegen de aandrang der menigte, die hem hand of kleed wil kussen. Het handwerk staat stil, zolang hij preekt. Zelden was het, dat hij zijn hoorders niet tot wenen bracht, en als hij sprak van het oordeel en de hellestraffen of van het lijden des Heren, dan braken zowel hij als de hoorders altijd uit in zulk een groot geween, dat hij geruime tijd moest zwijgen, totdat het wenen bedaarde. Boosdoeners kwamen zich voor alle aanwezigen ter aarde werpen, en hun grote zonden met tranen belijden. Toen de beroemde Olivier Maillard in 1485 te Orléans de vastenpreken hield, klommen er zoveel mensen op de daken der huizen, dat de leidekker 64 dagen herstellingsarbeid in rekening bracht.

Het is de stemming der Engels-Amerikaanse revivals en van het leger des heils, maar in het ongemetene en veel meer in het openbaar. Men behoeft bij de beschrijving van Ferrers uitwerking aan geen vrome overdrijving van zijn levensbeschrijver te denken; de nuchtere, droge Monstrelet geeft op bijna gelijke wijze de werking weer, die zekere broeder Thomas, zich uitgevend voor een karmeliet, maar later als bedrieger ontmaskerd, in 1428 met zijn preken in Noord-Frankrijk en Vlaanderen teweegbracht. Ook hem haalde de magistraat in, terwijl edelen de teugel van zijn muildier hielden; ook om hem verlieten velen, waaronder heren, die Monstrelet met name noemt, huis en gezin, om hem overal te volgen. De aanzienlijke burgers versierden het hoge gestoelte, dat zij voor hem oprichtten, met de kostbaarste hangtapijten, die men betalen kon.

Het was naast de lijdensstof en de laatste dingen vooral de bestrijding van weelde en ijdelheid, waarmee de volkspredikers zo diep de mensen aangrepen. Het volk, zegt Monstrelet, was broeder Thomas vooral dankbaar en genegen voor het neerwerpen van praal en opschik en in het bijzonder voor de blaam, waarmee hij adel en geestelijkheid overlaadde. Hij placht, wanneer aanzienlijke dames zich met haar hoge puntige kapsels onder zijn gehoor waagden, de kleine jongens op haar aan te hitsen (met belofte van aflaat, beweert Monstrelet), met de kreet: au hennin, au hennin! zodat de vrouwen gedurende al die tijd geen hennins meer durfden dragen en gehuifd gingen als begijnen.

‘Mais à l’exemple du lymeçon zegt de gemoedelijke chroniqueur lequel quand on passe près de luy retrait ses cornes par dedens et quand il ne ot plus riens les reboute dehors, ainsy firent ycelles. Car en assez brief terme après que ledit prescheur se fust départy du pays, elles mes- mes recommencèrent comme devant et oublièrent sa doctrine, et reprinrent petit à petit leur viel estat, tel ou plus grant qu’elles avoient accoustumé de porter’ (maar naar het voorbeeld van de slak, die haar horens intrekt, als men dicht bij haar komt, en ze weer uitsteekt, als zij niets meer hoort, deden ook deze. Want vrij kort nadat gezegde prediker uit het land vertrokken was, begonnen zij weer als tevoren, en vergaten zijn lering, en hernamen van lieverlede haar oude staatsie, even groot of nog groter dan zij die gewoon waren geweest te dragen).

Zowel broer Richard als broer Thomas deden de mutserts der ijdelheden vlammen, gelijk Florence er zestig jaar later op enorme schaal en met onherstelbaar verlies voor de kunst terwille van Savonarola ontsteken zou. In Parijs en Artois in 1428 en 1429 bleef het bij kaarten, verkeerborden, dobbelstenen, kapsels en sieradiën, die mannen en vrouwen gewillig aanbrachten. Deze verbrandingen waren in de vijftiende eeuw zowel in Frankrijk als Italië een veelvuldig element in de grote opwinding, die de predikers teweegbrachten. Het was de ceremoniële vorm, waarin zich de berouwvolle afkeer van ijdelheden en vermaken had vastgezet, de stilering van een heftige aandoening in een gemeenschappelijke, plechtige daad, zoals die tijd in alles neigt tot het scheppen van stijlvolle vormen.

In al deze ontvankelijkheid van gemoed, deze vatbaarheid voor tranen en geestelijke ommekeer, deze prikkelbaarheid moet men zich indenken, om te beseffen, welke kleur en felheid het leven had.

Een publieke rouw had toen nog het uiterlijk van een calamiteit. Bij de begrafenis van Karel VII geraakt het volk buiten zichzelf van aandoening, als het de stoet ziet: al de hofbeambten ‘vestus de dueil angoisseux, lesquelz il faisoit moult piteux veoir; et de la grant tristesse et courroux qu’on leur veoit porter pour la mort de leurdit maistre, furent grant pleurs et lamentacions faictes parmy toute ladicte ville’ (gekleed in bange rouw, zeer droevig om te zien, en in de ganse stad weende en klaagde men zeer om de grote droefheid en verdriet, waarin men hen om de dood huns meesters zag). Er waren zes pages van de koning op geheel in zwart fluweel gedoste paarden. ‘Et Dieu scet le doloreux et piteux dueil qu’ilz faisoient pour leur dit maistre!’ (en God weet welk een smartelijke en deerniswaardige rouw zij dreven om hun voorgenoemde heer). Een van de knapen had van verdriet in vier dagen niets gegeten of gedronken, vertelde het volk vertederd.

Het is echter niet alleen de aandoening van een grote rouw of over een hevige predikatie of over de mysteriën van het geloof, die een overvloed van tranen wekt. Ook bij elke wereldlijke plechtigheid wordt een vloed van tranen gestort. Een beleefdheidsgezant van de koning van Frankrijk aan Filips de Goede breekt bij zijn aanspraak herhaaldelijk in tranen uit. Bij het afscheid van de jonge Jan van Coïmbra van het Bourgondische hof weent alles luide, evenzo bij de verwelkoming van de dauphin, bij de samenkomst der koningen van Engeland en Frankrijk te Ardres. Men zag Lodewijk XI tranen storten bij zijn intocht in Atrecht; tijdens zijn verblijf als dauphin aan het Bourgondische hof beschrijft Chastellain hem herhaaldelijk in snikken en tranen.

Er is natuurlijk overdrijving in die beschrijvingen; men moet ze vergelijken met het ‘geen oog bleef droog’ van een dagbladbericht. Bij de beschrijving van het vredescongres te Atrecht in 1435 laat Jean Germain de toehoorders van de treffende aanspraken der gezanten van aandoening plat op de grond vallen, sprakeloos, met zuchten, snikken en gehuil. Zo zal het zeker niet geweest zijn, maar zo vond de bisschop van Chalon, dat het zijn moest: in de overdrijving ziet men de achtergrond van waarheid. Het is ermee als met de tranenvloeden der achttiende-eeuwse sentimentelen. Het wenen was verheffend en schoon. En bovendien: wie kent ook nu niet de sterke ontroering, tot huivering en tranen toe, die een intocht kan teweegbrengen, ook al is de vorst, die de praal geldt, ons volkomen onverschillig. Toen werd zulk een onmiddellijke aandoening gevuld door een half-religieuze verering van staatsie en grootheid, en brak zich vrij baan in echte tranen.

Wie het verschil in prikkelbaarheid tussen de vijftiende eeuw en onze tijd niet ziet, kan het leren uit een klein voorbeeld op een ander gebied dan dat der tranen, namelijk dat der heethoofdigheid. Wij kunnen ons waarschijnlijk moeilijk een vreedzamer en rustiger spel denken dan het schaakspel. La Marche zegt, dat het dikwijls gebeurt, dat er bij ’t schaakspel geschillen rijzen, ‘et que le plus saige y pert patience’ (en dat de bedaardste er het geduld bij verliest). Twist van koningszonen over een spel schaak was in de vijftiende eeuw nog een even gangbaar motief als in de Karel-romans.

Er was in het dagelijks leven voortdurend een onbegrensde ruimte voor gloeiende hartstocht en kinderlijke fantasie. De hedendaagse wetenschappelijke historie der middeleeuwen, die wegens de onbetrouwbaarheid der kronieken bij voorkeur zoveel mogelijk uit officiële oorkonden put, vervalt daardoor wel eens in een gevaarlijke fout. De oorkonden tonen ons weinig van het verschil in levenstoon, dat ons van die tijden scheidt. Zij doen ons het felle pathos van het middeleeuwse leven vergeten. Van al de hartstochten, die het kleuren, spreken de oorkonden doorgaans slechts van twee: de hebzucht en de strijdlust. Wie heeft zich niet dikwijls verbaasd over de schier onbegrijpelijke hevigheid en aanhoudendheid, waarmee hebzucht, twistzucht, wraakzucht uit gerechtelijke oorkonden van die tijd naar voren komen!

INHOUDSOPGAVE

Verantwoording
Voorberichten

  1. ’s Levens felheid
  2. De zucht naar schoner leven
  3. De hiërarchische opvatting der samenleving
  4. De ridderidee
  5. De droom van heldendaad en liefde
  6. Ridderorden en ridderlijke geloften
  7. De betekenis van het ridderideaal in oorlog en staatkunde
  8. De stilering der liefde
  9. De omgangsvormen der liefde
  10. Het idyllische levensbeeld
  11. Het beeld van de dood
  12. De verbeelding van al het heilige
  13. Typen van godsdienstig leven
  14. Godsdienstige aandoening en godsdienstige verbeelding
  15. Het symbolisme uitgebloeid
  16. Realisme en het bezwijken der verbeelding in de mystiek
  17. De denkvormen in het praktische leven
  18. De kunst in het leven
  19. Het schoonheidsgevoel
  20. Het beeld en het woord
  21. Het woord en het beeld
  22. Het komen van de nieuwe vorm

Noten
Nawoord
Stamboom
Tijdtafel
Register

BESTEL HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *