Het boek Paragranum – De tempel van de geneeskunst door Paracelsus: nieuwe Nederlands-Duitse uitgave

BESTEL DE TEMPEL VAN DE GENEESKUNST – PARAGRANUM

Onlangs verscheen een nieuwe tweetalige uitgave (Nederlands en Duits) van misschien wel het belangrijkste geschrift van Paracelsus (fakkeldrager van het Rozenkruis 1, 1493-1541): Paragranum – De tempel van de geneeskunst. De inleiding, noten en vertaling van dit boek zijn verzorgd door Elke Bußler van uitgeverij De Woudezel. Dit werk gaat over de grondslagen van Paracelsus’ geneeskunst, die berust ophet oude hermetische adagium: ‘Zo boven, zo beneden’ uit de Tabula Smaragdina oftewel: je kunt de mens, de microkosmos, alleen kennen aan de hand van de macrokosmos. Het boek Paragranum is de ideale instap om een Paracelsus-studie te beginnen, en voor wie al andere boeken van hem heeft gelezen, zullen misschien een aantal zaken op hun plaats vallen. Hieronder volgt de integrale tekst uit de inleiding.

INLEIDING

Voor Paracelsus moet het een geschenk uit de hemel zijn geweest toen hij onverwachts de uitnodiging kreeg om in Bazel de functie van stadsgeneesheer op zich te nemen, niet in de laatste plaats vanwege de daarmee verbonden leerstoel aan de medische faculteit. Eindelijk een gelegenheid om zijn nieuwe geneeskunst uit te leggen aan jonge mensen die ervoor openstonden!

Na jaren van omzwervingen was hij net van plan zich in Straatsburg te gaan vestigen. Hij had er einde 1526 het burgerrecht verworven en was lid geworden van het gilde van de chirurgijns, korenhandelaars en molenaars. Maar al gauw werd hij verzocht een patiënt in Bazel te komen behandelen: Johannes Froben, een bekende boekdrukker die tot de kring van humanisten rond Erasmus behoorde. Froben had een probleem aan zijn rechter enkel, en zijn artsen konden het er niet over eens worden; sommigen wilden de voet zelfs amputeren. Erasmus vertelde later over de behandeling door Paracelsus: ‘Eindelijk kwam er een arts van elders die in staat was het lijden zo ver te verzachten dat het draaglijker werd en de zieke weer kon eten en slapen. Niet lang daarna was hij voldoende hersteld om twee keer te paard naar Frankfurt te kunnen reizen.’

Erasmus heeft Paracelsus zelf ook geconsulteerd, zoals uit een korte briefwisseling blijkt, al is het uiteindelijk niet tot een behandeling gekomen. De brief waarin Erasmus hem bedankt voor het advies, sluit met de wens dat het lot Paracelsus langer in Bazel moge vasthouden. Hoe het precies tot de benoeming tot stadsarts is gekomen, is niet bekend, maar deze contacten hebben er zeker mee te maken gehad. Ook andere verhalen over Paracelsus’ vakmanschap als arts zullen de ronde hebben gedaan; als auteur van medische werken was hij echter tot nog toe niet bekend. Zijn eerste medische publicatie was het pamflet waarmee hij zijn werkzaamheid als hoogleraar aankondigde, en dit was een frontale aanval op de toenmalige geneeskunde.

Het medisch bedrijf in de tijd van Paracelsus

Wat op dat moment aan de universiteiten werd geleerd, was de geneeskunde van Hippocrates en Galenus zoals die via Arabische auteurs was overgeleverd. Het dogma van deze ‘humoraalpathologie’ luidde dat de menselijke constitutie wordt bepaald door het samenspel van de vier lichaamssappen: gele gal, bloed, slijm en zwarte gal. Deze worden telkens gekenmerkt door een combinatie van de kwaliteiten droog/nat en warm/koud. Een mens is gezond zolang de vier lichaamssappen in evenwicht zijn; ziekte is verlies van dit evenwicht. Het vocht dat dit evenwicht verstoorde, werd materia peccans, de schuldige materie, genoemd. Deze moest worden uitgedreven door purgeren, braken, zweten, aderlaten en dergelijke. De gebruikte geneesmiddelen berustten op het principe contraria contrariis, dus iedere toestand werd bestreden door zijn tegendeel: warm tegen koud, droog tegen nat, enzovoorts.

Het belangrijkste middel om tot een diagnose te komen, was de uroscopie, ofwel het piskijken; een praktijk die zo’n centrale plaats in het medisch handelen innam dat het urineglas eeuwenlang het symbool van de arts was. Vaak kwamen diagnose en voorschrift alleen op basis van de urine tot stand, zonder dat de arts de patiënt te zien kreeg. Beoordeeld werden met name consistentie, kleur en bijmengsels.

Een ander diagnosemiddel was het voelen van de pols, dat in de tijd van Galenus hoog ontwikkeld was: een bekwame arts kon toen zo’n dertig verschillende polssoorten onderscheiden. In de loop van de eeuwen raakte deze kunst echter ondergeschikt aan het piskijken. Ook het door aderlating verkregen bloed werd voor diagnosedoeleinden gebruikt.

Dit hele systeem van medische theorie, dat in de tijd van Paracelsus al zo’n 1900 jaar de basis van de geneeskunde vormde, werd in de universiteiten via de scholastieke methode doorgegeven. Onderwerp van studie waren daarbij geen op ervaringen gebaseerde feiten, maar de teksten van autoriteiten, in de eerste plaats Aristoteles, en op medisch gebied Hippocrates, Galenus, Avicenna, Rhazes, Mesue en hun commentatoren; zij hadden immers – daar bestond geen twijfel over – alles al juist en volledig beschreven. 

Theoretische kennis die met een onberispelijke logica was afgeleid uit algemeen aanvaarde grondslagen, werd als veel betrouwbaarder beschouwd dan eigen observaties, waarbij tenslotte altijd vergissingen mogelijk zijn. Zodoende bestonden de universitaire lessen voornamelijk uit het lezen en becommentariëren van de oude teksten. Hierop volgde de quaestio, het bespreken van vragen over de diverse commentaren. Het doel van deze oefening was de verschillende teksten, die immers een voor een als waar werden beschouwd, zo uit te leggen dat ze elkaar niet tegenspraken.

Naast deze academische geneeskunde bestond er ook een praktische tak: het handwerk van de arts werd beoefend door de laag aangeschreven beroepsgroep van barbiers, badmeesters en chirurgijns. Deze scheiding was grotendeels het gevolg van een besluit van het Concilie van Tours in 1163, waarbij het aan de geestelijkheid – en de meeste artsen waren in die tijd geestelijken – verboden werd om de chirurgie te beoefenen. Chirurgische ingrepen waren weleens dodelijk, en dat strookte niet met het ambt van een clericus. Pas in de loop van de 16e eeuw begon de chirurgie zeer geleidelijk aan een plaats in de universitaire opleiding te krijgen, een proces dat pas enkele eeuwen later was voltooid. In Ferrara, waar Paracelsus waarschijnlijk rond 1515 zijn doctorstitel behaalde, werd in 1551 het eerste anatomische theater opgericht.

Ondanks zijn universitaire opleiding heeft Paracelsus altijd het handwerk in ere gehouden en zichzelf ook regelmatig doctor beider arzneien genoemd, dus doctor in de interne geneeskunde én in de chirurgie. Na zijn studie heeft hij, zoals hij in zijn Spitalbuch vertelt, als veldscheerder aan ‘de Venetiaanse, Deense en Nederlandse oorlogen’ deelgenomen. De vruchten van dit werk hebben hun neerslag gevonden in verschillende boeken over wondheelkunst, met name de Große Wundarznei, een van de weinige medische werken die tijdens zijn leven werden gedrukt. De grondtoon van deze boeken is dat de natuur haar eigen arts is; de balsem in het lichaam doet het helende werk. De taak van de wondheelkundige bestaat erin bescherming te bieden tegen schadelijke invloeden van buitenaf. Daarnaast ‘is ook voor de chirurgie meer interne geneeskunde vereist dan voor alle ziekten die u als inwendig betitelt’. Hij gaat zelfs nog verder: ‘Alle chirurgische ziekten kunnen door inwendige geneesmiddelen worden genezen, mits de arts de anatomie van hun essentie kent en begrijpt.’

De anatomie – een kernbegrip voor Paracelsus, en ook een wetenschap die in zijn tijd een hoge vlucht nam. Nu men hier en daar begon de lichamen van terechtgestelde misdadigers te seceren, veranderde de kijk op het menselijk lichaam. De dode mens werd tot lijk, en dit lijk bleek een schat aan informatie op te leveren die de levende mens voor de wetenschap verborgen hield. Het hoogtepunt van deze omslag vormde de publicatie van het werk van Andreas Vesalius: De humani corporis fabrica, gedrukt te Bazel in 1543 door Johannes Oporinus, voormalig assistent van Paracelsus.

Wel, dit is niet wat Paracelsus bedoelt wanneer hij het over anatomie heeft. Integendeel. De nieuwe tak van wetenschap noemt hij ‘kadaveranatomie’: ‘Wie zou arts kunnen zijn zonder de anatomie van de ziekte te kennen? Daarom mag ik wel zeggen dat de artsen die zich met de kadaveranatomie bezighouden, er niets van begrepen hebben. Want het kadaver toont niet de anatomie; dat toont alleen de botten en de structuren daaromheen, maar daarmee heb je nog geen ziekte. Ik heb het over de anatomie van de ziekten, niet die van het lichaam. Daarom betrek ik de astrale krachten hierbij. Alleen op basis van hun aanwijzingen kun je de anatomie van de ziekte herkennen.’

Anatomie zijn de vormkrachten, het onzichtbare, scheppende principe dat zich in alle verschijnselen – telkens op een specifieke, herkenbare manier – openbaart. Iedere ziekte heeft haar anatomie, net zoals ieder geneesmiddel. In homeopathische termen: anatomie is het ziektebeeld en het geneesmiddelbeeld. De taak van de arts is het te zien welke beelden bij elkaar passen. ‘Een voorbeeld: koraal is een arcanum bij syphita [een psychische aandoening]. De anatomie van koraal en de anatomie van syphita hebben een en dezelfde vorm. Nu pakt de natuur een wapen tegen deze ziekte dat op de ziekte lijkt, dat er gelijksoortig aan is, en ze gedraagt zich als een meesterlijke krijgsheer die zijn wapen hanteert naar gelang zijn vijand hem tegemoet treedt. Net zo werkt ook de natuur. Ik wil de artsen op het hart drukken deze wijsheid te doorgronden als ze hun pretenties willen waarmaken. Want hierin herkent de theorie de anatomie, en de ana- tomie is de theorie van de artsen – en niet uw theorie. En dan hebben we het niet over de anatomie van de Italianen, dat wil zeggen, de kadaveranatomie.’

Zoals het lijk geen inzicht kan bieden in de levende mens, kan volgens Paracelsus ook het bloed dat bij een mens is afgenomen, niets vertellen over diens gezondheidstoestand. Want zodra het bloed het lichaam heeft verlaten, is het dood, en ‘wie wil op basis van iets doods het levende beoordelen? (…) Je kunt er niets in zien dat nuttig zou zijn voor de levende.’ Dit dode bloed noemt Paracelsus ‘schervenbloed’.

Paracelsus in Bazel

Met deze uitgesproken overtuigingen begon Paracelsus aan zijn dubbelfunctie in Bazel. Zijn taken als stadsgeneesheer waren nogal divers: hij moest de arme patiënten in het gasthuis verzorgen, de bestrijding van epidemieën organiseren – in 1526 heerste er nog een zware pestepidemie – en toezicht houden op de apothekers.

Ten aanzien van zijn leerstoel bestond er vanaf het begin een controverse. De vanzelfsprekendheid waarmee zowel Paracelsus als ook het hervormingsgezinde stadsbestuur ervan uit waren gegaan dat deze benoeming tot hoogleraar door de stad rechtmatig was, werd door de conservatief ingestelde faculteit niet gedeeld – wat niet verbazingwekkend is, gezien de aanval op de klassieke geneeskunde die in Paracelsus’ collegeaankondiging was verwoord. Hij deed er nog een schepje bovenop door een of ander medisch leerboek demonstratief in het vuur van de viering van het feest van Sint-Jan te smijten.

De colleges die hij deels in het Latijn, deels in het Duits hield – ook dit was een affront; hij was waarschijnlijk de eerste die medische colleges aan een universiteit in de Duitse taal gaf – gingen over 

  1. farmacologie (De Gradibus et Compositionibus), 
  2. chirurgische ziekten (Von Apostemen, Geschwären, offenen Schäden),
  3. uroscopie en polsdiagnostiek (De Urinarum ac Pulsuum Judiciis),
  4. tartarische ziekten,
  5. geelzuchten (De Icteritiis),
  6. speciale pathologie en therapie (Libri Paragraphorum) en
  7. wonden en wondgenezing.

Het is een enorm programma gezien het feit dat zijn verblijf in Bazel amper tien maanden duurde. Aan de hand van deze onderwerpen ontvouwt hij zijn nieuwe geneeskunde. De termen sulfur, mercuur en sal worden al genoemd, net zoals vele andere paracelsische kernbegrippen. In feite worden alle grote onderwerpen die hij in de rest van zijn leven verder uitwerkt, hier reeds aangesproken. Het is duidelijk dat dit voor Paracelsus de gelegenheid was om de oogst van zijn studies, ervaringen en inzichten binnen te rijden en in de handen van een nieuwe generatie aankomende artsen te leggen.

De reactie van de universiteit: het gewoon hoogleraarschap van Paracelsus werd niet erkend. De universiteit, die vanwege geloofskwesties toch al met de gemeenteraad in de clinch lag, had haar eigen statuten, en die luidden dat een kandidaat in het universiteitsregister ingeschreven moest zijn, het bewijs van zijn doctorstitel moest leveren en een aantal zaken moest beloven, namelijk:

  1. naar zijn beste weten en geweten altijd in het belang van de faculteit te handelen, 
  2. bij te dragen tot vrede en eendracht aldaar,
  3. aan de doctores van de faculteit de verschuldigde eerbied te betonen,
  4. de zaken van de faculteit geheim te houden,
  5. zich net zo te gedragen als degenen die in Bazel gepromoveerd waren, en
  6. de in de statuten opgenomen voorschriften precies op te volgen.

Paracelsus zal te trots zijn geweest om zich aan deze procedure te onderwerpen, waarop de faculteit hem verbood colleges te houden, hem het recht ontzegde om promovendi te begeleiden, en zijn bevoegdheid om een medische praktijk uit te oefenen in twijfel trok. De reactie van de studenten: op een ochtend was er op de poort van de domkerk en enkele andere plaatsen in de stad een spotgedicht geplakt, afkomstig van de ‘schim van Galenus’ in de onderwereld, gericht ‘tegen Theophrastus of beter gezegd Cacophrastus’:

Luister, jij die de verheerlijking van onze roem belet,
Voor jou ben ik slechts een kletskous, arm van geest.
Ik zou geen idee hebben gehad van de kunst van Machaon
En als ik die al had, heb ik er geen gebruik van gemaakt.
Wie kan zo iets verdragen. (…)
Ik geef toe dat ik jouw spagyrische dromen niet ken, Blaaskaak.
Ik weet niet wat jouw ‘Ares’, jouw ‘Yliadus’ zou zijn
Of het ‘Essatum’ en de heilige, onaantastbare ‘Taphneus’
En jouw ‘Archeus’, de grondlegger van al wat geschapen is. (…)
Wat pronk je met andermans veren, torenkraai!
Jouw opschepperij heeft korte benen.
Wat had je dan in je colleges nog willen zeggen?
Je stompzinnige spraak mist Latijnse termen
En het bijeengestolen werk laat je in de steek.
Wat had jij, waanzinnige die qua innerlijk en uiterlijk bekend is, kunnen doen?
Ons advies zou zijn: een strop om je nek (…).

Paracelsus reageerde, in beide zaken, met verzoekschriften aan de stad. Hij klaagt daarin dat de artsen hem heftig beschimpen, dat hem belet wordt colleges te geven omdat hij ongebruikelijke dingen voordraagt en de artsen bang zijn dat zijn onderwijs, dat voor iedereen toegankelijk is, nadelige gevolgen voor hen zal hebben. Paracelsus vraagt aan de raad, ‘die hem tenslotte als gewoon hoogleraar en stadsarts heeft aangesteld’, ervoor te zorgen dat hij zijn werk kan doen zonder lastig gevallen te worden. Daarnaast vraagt hij de apotheken te laten visiteren, de apothekers tot een eedaflegging te verplichten en het delen van winst tussen artsen en apothekers te verbieden. Van een antwoord hierop is niets bekend. Het belemmeren van zijn werkzaamheid als docent wordt alleen in een conceptversie van het verzoekschrift genoemd, niet in het uiteindelijk ingediende stuk, zodat aan te nemen is dat in dit opzicht iets geregeld kon worden. Misschien heeft hij ook gebruik gemaakt van de mogelijkheid om thuis colleges te geven in plaats van in de collegezaal van de faculteit.

In een tweede verzoekschrift, vergezeld van een exemplaar van de Manes Galeni adversus Theophrastum sed potius Cacophrastum, vraagt hij aan de raad, aangezien het overduidelijk is dat de auteur onder zijn toehoorders gezocht moet worden, deze te dagvaarden en te ondervragen om erachter te komen wie de schuldige is. Ook in deze aangelegenheid is geen vervolg bekend. De lezer mag de reactie van Paracelsus overdreven vinden, of het jammer vinden dat hij de humor ervan niet kon inzien. En inderdaad, bevorderlijk voor zijn situatie was deze stap zeker niet; begrijpelijk wel. In het gedicht zit ook geen humor; met volledig onbegrip en extreme hatelijkheid wordt hier het allerheiligste wat Paracelsus aan de wereld wilde geven, door het slijk gehaald.Hoe diep hem dit gekwetst heeft, blijkt nog jaren later wanneer hij het over deze episode heeft, en met name in de diverse aanlopen tot het boek Paragranum. En het verklaart voor een deel de heftigheid van zijn eigen scheldpartijen.

De sfeer in Bazel laat zich raden nu artsen, apothekers en de faculteit tot open vijanden waren geworden en onder de studenten slechts een zeer kleine groep geïnteresseerd en in staat bleek om zijn ideeën te volgen. Tot overmaat van ramp was de patiënt die hem eerst zo veel prestige had verschaft, Froben, plotseling overleden toen Paracelsus in de herfst enkele weken in Zürich verbleef. Al gauw na zijn terugkeer liep de situatie volledig uit de hand. Een kanunnik, Cornelius von Lichtenfels, had zich met succes door Paracelsus laten behandelen. Hij had hem van tevoren een enorm honorarium beloofd, dat hij achteraf echter weigerde te betalen. De zaak werd voor de rechter uitgevochten, die het bedrag veel te hoog vond, waarop Paracelsus boos werd en, naar het schijnt, de rechterlijke macht beledigde. Door vrienden gewaarschuwd dat hij riskeerde in de gevangenis te belanden, heeft hij Bazel in allerijl verlaten.

Colmar en Neurenberg: syfilis en drukverbod

Hij ging naar Colmar, waar hij door de arts Lorenz Fries gastvrij werd onthaald en al snel weer een grote praktijk opbouwde. Uit deze tijd zijn twee brieven aan Bonifacius Amerbach bewaard gebleven, rechtsgeleerde en hoogleraar aan de universiteit van Bazel, met wie hij daar bevriend was: ‘Welke maatregelen het vijandige Bazel – vroeger mijn Bazel – tegen mij getroffen heeft, is mij nog volledig onbekend. Zo hevig was de zeestorm tegen mij dat ik dacht, ja, er zeker van was daar niet veilig te zijn, en nu nog niet. Aan deze storm ben ik ontvlucht, op zoek naar wat rust en veiligheid. Deze heb ik in Colmar gevonden, waar ik je niet minder hartelijk ben toegedaan. Ik zal pas op de zondag van laetare in Neuenburg arriveren; eerder kan ik niet omdat ik vol zit met patiënten. Ik zal je weer schrijven vanwege je gezondheid, als ik je van nut kan zijn’ (28 februari 1528).

En enkele dagen later: ‘Misschien heb ik inderdaad tegenover het stadsbestuur en anderen het een en ander te vrijmoedig uitgesproken; maar wat dan nog, zolang ik maar kan aantonen dat dit – wat het ook is wat ik gezegd heb – in overeenstemming is met de feiten? Alleen kom ik er dan uiteindelijk achter dat het maar al te waar is dat waarheid vijanden maakt. En zo is het gekomen dat het stadsbestuur, gedreven door haat, toorn en afgunst, heeft bepaald dat men me, als ik maar een half uur langer was gebleven, moest oppakken en naar willekeur behandelen. Er zijn geen woorden voor hoezeer me dat in mijn hart kwelt. Toch laat ik het voor het moment erbij berusten, hoewel zijzelf nog niet genoeg hebben aan de laster die ze over me hebben uitgestort, want ik hoor dat ze nog dagelijks en steeds meer met hun kwaadsprekerij over mij doorgaan. Maar dat moet ik nu eenmaal verdragen. De waarheid heeft echter haar tijd en haar plaats, waar deze en andere dingen door mij beslecht zullen worden.’

De hervonden rust gaf hem de gelegenheid zich met volle kracht op de nieuwe ziekte te storten die Europa sinds kort teisterde: de syfilis. Terwijl deze in Frankrijk al langer bekend was, kwam in Duits- land en Noord-Italië vanaf eind 15e eeuw een grote stroom aan literatuur hierover op gang. Het inzicht in de ziekte was echter bedroevend; zo beschouwde Leoniceno, hoogleraar in Ferrara bij wie Paracelsus misschien nog gestudeerd heeft, syfilis als een seizoensziekte die Hippocrates al beschreven zou hebben. De gebruikelijke behandeling bestond uit grote hoeveelheden kwik in diverse toedieningsvormen en, nog heel recent, het kostbare, uit Amerika geïmporteerde guajakhout, dat vooral door een enthousiaste publicatie van Ulrich von Hutten veel bekendheid kreeg. Paracelsus schreef kort achter elkaar een aantal boeken over het wezen, het ontstaan, de overdracht en de behandeling van syfilis, waarbij zijn inzicht in de veelvormigheid van de ziekte een diepgang toonde die volgens Sudhoff pas in de 19e eeuw weer bereikt werd.

Nog in Colmar voltooide hij twee boeken, een werk over algemene chirurgie: Sieben Bücher von allen ofnen Scheden, so aus der Natur geboren werden, en het eerste werk over syfilis: Zehn Bücher von Blatern, Lähmi, Beulen, Löchern und Zitrachten der Franzosen. Beide waren opgedragen aan notabelen van de stad, wat echter niet hielp om ze gepubliceerd te krijgen. Een aantal maanden later trok hij al weer verder, via Esslingen naar Neurenberg, waar het hem lukte een kort traktaat, Vom Holtz Guaiaco gründlicher Heylung, in druk te laten verschijnen. Hij waarschuwde daarin voor een overmatig gebruik van het hout, zonder het echter helemaal af te wijzen. Direct daarna verscheen Von der Frantzösischen Kranckheit Drey Bücher, waarin hij het ongebreidelde gebruik van kwik en guajakhout hekelde.

Daarnaast ontstonden het Spitalbuch, opgedragen aan de ‘arme patiënten’, waarin met name algemene therapeutische principes aan de orde komen en syfilis slechts zijdelings wordt besproken, en Von Ursprung und Herkommen der Franzosen samt der Recepten Heilung. Beide werden bij zijn leven niet gedrukt. Hij was alweer onderweg richting Beratzhausen, toen hij bericht kreeg van het stadsbestuur van Neurenberg dat er geen boeken meer van hem gedrukt mochten worden. Het verbod zou op instigatie van de medische faculteit van Leipzig tot stand zijn gekomen. Volgens onderzoek van Sudhoff was het echter niet de faculteit als zodanig, maar de decaan persoonlijk, professor Heinrich Stromer, die hierachter zat; hij had verbindingen met het machtige handelshuis van de Fuggers, die met de import van guajakhout enorme winst maakten. Met de handel in kwik trouwens ook.

Paracelsus formuleerde een antwoordschrijven aan de raad: ‘Aan de eerbare, omzichtige en wijze burgemeester en raad van de prijzenswaardige stad Neurenberg. Beste, geachte heren, er wordt me bericht dat u onlangs een schrijven hebt ontvangen, en wel uit Leipzig. U hebt over de druk niet te oordelen; waarom geeft u een oordeel af over mijn werk? U hebt hier geen verstand van. (…) Als de Leipzigers iets tegen mij hebben in te brengen, laat hen dan een redelijk debat voeren. Daar mag niemand zich in mengen; wij maken het onder elkaar wel uit. Ik belaster niemand. Hoe velen zijn er niet, afkomstig uit alle groeperingen en standen, zowel geestelijken als leken, edelen en onedelen, die openlijk de raad belasteren, hetzij door het gedrukte woord of op andere wijze? Aan zulke lasterpraat doe ik niet mee. Dat wordt echter toegestaan en getolereerd, in tegenstelling tot mijn werk, dat noch de overheid, vorsten of heren noch het stadsbestuur raakt, maar alleen de bedriegers in de geneeskunde, opdat de gewone man, arm of rijk, niet meer belazerd zou worden. Om welke reden wordt me dit geweigerd, terwijl ik nog nooit als lasteraar ben opgevallen of betrapt? Als de universiteit over me klaagt, dient ze zich persoonlijk tot mij te wenden, maar niet de druk te verbieden. De druk zelf mag niet ter discussie staan; het kan niet het onderwerp van debat zijn een druk te verbieden; daar heeft niemand mee te maken. De reden en het doel van de druk is dat de waarheid aan het licht komt. Wie de druk verhindert, verhindert de waarheid…’

Dit leek hem dan toch te grof, en hij herschreef zijn verzoek. Het volgende heeft hij naar de Neurenbergse raad gezonden: ‘Eerbare, omzichtige, wijze en beste, geachte heren, laat ik in de eerste plaats Uw Eerbare, Omzichtige Wijsheid mijn gewillige, ijverige dienstbaarheid betuigen. Beste, geachte heren, nadat ik met toestemming van Uw Eerbare, Omzichtige Wijsheid het boek over de dwalingen in de geneeskunst in druk heb laten bezorgen, heb ik vervolgens, tegemoetkomend aan een grotere behoefte, een boek geschreven dat alle zieken in het algemeen betreft.
Het was mijn bedoeling de arme patiënten daarin aan een zorgvuldiger onderzoek te onderwerpen, opdat zij tenminste met meer toewijding behandeld en niet zo jammerlijk verprutst zouden worden. Dit boek heb ik door Hectors bediende op de secretarie laten bezorgen. Aangezien ik daarin niets anders op het oog heb dan de arme zieken en daarnaast het gebrek aan ervaring van een aantal artsen aan de kaak stel, verkeerde ik in de overtuiging hiermee juist gehandeld te hebben. 
Uw Eerbare, Omzichtige Wijsheid heeft de druk hiervan echter niet laten doorgaan en er geen toestemming voor gegeven. En nu ik niet meer in de stad verblijf, krijg ik schriftelijk bericht dat het genoemde boek, evenals mijn overige geschriften, door Uw Eerbare, Omzichtige Wijsheid aan de kant geschoven en geweigerd zou zijn omdat een aantal personen uit Leipzig, misschien niet zonder scheldwoorden, daarop hebben aangedrongen. Hierop is mijn nederig verzoek aan Uw Eerbare, Omzichtige Wijsheid, geachte heren, om me niet op deze wijze, zonder mij gehoord te hebben, met onwelwillendheid te bejegenen en niet zo makkelijk geloof te hechten aan de woorden van hen die ik door de waarheid heb geraakt. (…) 
Als de universiteit van Leipzig of de faculteit meent iets tegen mij te moeten ondernemen, dan is dat mijn persoonlijke aangelegenheid, waarin noch Uw Eerbare, Omzichtige Wijsheid noch andere rechters iets dienen te ondernemen of te beoordelen. Dit behoort tot de vrijheid van de universiteiten, waar eerst een discussie gevoerd dient te worden waaruit vanzelf blijkt wat redelijk en wat onredelijk is; pas dan mag de onredelijke partij op deze wijze worden verworpen.
Zo wil ik Uw Eerbare, Omzichtige Wijsheid ook te bedenken geven dat, mocht dit drukverbod overeind blijven en zou het werk – dat immers met de toestemming van Uw Eerbare, Omzichtige Wijsheid is begonnen – niet afgemaakt kunnen worden, dit zou betekenen dat het reeds gedrukte boek, waar ik nu toelichtingen bij geef om het bruikbaarder te maken, van tafel geveegd zou worden en moeilijk te begrijpen zou zijn. (…) Ik neem aan dat de Leipzigers, als ze het ver- volg zullen lezen, verder geen bezwaar tegen mij zullen maken. (…) In afwachting van een positief, schriftelijk antwoord, Theophrastus von Hohenheim, doctor in beide takken van de geneeskunst.’

Een reactie is niet bekend, het drukverbod bleef van kracht.

Het antwoord van Paracelsus

In deze stemming ging Paracelsus aan het schrijven van zijn Paragranum. Hij begon verschillende keren opnieuw, met name aan het voorwoord. De voorwoorden van Paracelsus zijn meestal toch al kleine verhandelingen op zich, waarin hij allerlei algemene beschouwingen verwerkt en ook op concrete gebeurtenissen en persoonlijke ervaringen ingaat. En dat is in het Paragranum nog meer dan anders het geval. Het was zijn manier om de gebeurtenissen van Bazel en Neurenberg te verwerken en van zich af te zetten.

Is het echt nodig om al die scheldpartijen hier te reproduceren? Ja, dat is het. Je kunt niet zijn wereldvisie bestuderen en daarbij aan het leed van de mens voorbijgaan die deze heeft ontworpen. Het is ook niet zomaar gescheld; het is terecht, het is oprecht, en het gaat vaak onverhoeds over in de zuiverste smeekbeden om toch na te willen denken, om niet te oordelen alvorens beide zijden goed bestudeerd te hebben. En het is in zijn plastische beschrijving van de toestanden vaak grimmig humoristisch. Prachtig toch hoe hij de met hun uiterlijk vertoon pronkende artsen – hij zal ze in Neurenberg geregeld zijn tegengekomen – als voorbeeld voor de signatuurleer aanvoert: door de natuur als narren getekend, al is dat niet in de moederschoot gebeurd, maar op latere leeftijd door middel van magie. De natuur heeft ze op ‘magische’ wijze ertoe gebracht zich in een narrenkostuum te kleden.

Over de grove taal van Paracelsus is al veel gezegd. Het hoorde bij zijn tijd, natuurlijk, maar ook voor zijn tijd was hij grof. Vaak wordt in verband met zijn moeilijke persoonlijkheid op zijn vermeend alcoholisme gewezen, waarbij steeds de brief wordt aangehaald die zijn voormalige assistent Oporinus in 1555, dus 14 jaar na de dood van Paracelsus, aan de arts Johannes Weyrer schreef, een bekende vijand van Paracelsus en de paracelsisten: ‘Gedurende de bijna twee jaar dat ik met hem omging en bij hem woonde, was hij dag en nacht zodanig aan de drank en aan het brassen dat je hem nauwelijks een of twee uur nuchter kon aantreffen, vooral nadat hij uit Bazel was vertrokken en in de Elzas onder de edelen, boeren en boerinnen als een tweede Asklepios werd vereerd. En toch, wanneer hij het meest dronken was en, zodra hij thuiskwam, mij iets van zijn filosofie dicteerde, leek deze zo coherent dat een nuchter persoon er niets beters van had kunnen maken.’ De tegenstrijdigheden in deze brief spreken voor zich.

Een andere verklaring werd met de postuum gesuggereerde diagnose van een genetische afwijking geopperd, het adrenogenitaal syndroom, wat zou betekenen dat Paracelsus deels een vrouw was. Zijn skeletresten vertonen vrouwelijke kenmerken, en ook andere eigenschappen passen bij dit ziektebeeld: kleine gestalte, vroegtijdig beginnende kaalheid, ontbreken van seksuele belangstelling, een opvliegend karakter.

Op een derde omstandigheid, die nogal voor de hand ligt, wijst Werner Heinz: Paracelsus behandelde, ondanks zijn kritiek op de gangbare methoden, syfilispatiënten zelf ook met kwik en was hierdoor en vooral door zijn voortdurende experimenten steeds weer blootgesteld aan kwikdampen. Uit het boven genoemde onderzoek naar de skeletresten bleek dan ook dat de concentratie aan onoplosbaar kwik in zijn botten tot honderd keer hoger was dan in andere beenderen uit die tijd. 

De symptomen van een chronische kwikvergiftiging lijken aanvankelijk sterk op de symptomen van alcoholmisbruik, zodat wat Oporinus als alcoholisme beschreef, makkelijk tot een vergiftiging met kwik herleid zou kunnen worden. Het botonderzoek heeft de hieruit voortvloeiende neurologische verschijnselen kunnen bevestigen. De erbij behorende psychische symptomen, die tot depressies en hallucinaties kunnen leiden en bij de patiënten met name ‘s nachts zware opwindingstoestanden kunnen veroorzaken, komen goed met het beeld overeen dat door Oporinus wordt geschetst: ‘Vaak kwam hij tegen middernacht, altijd dronken, thuis om te slapen. Hij ging op bed liggen zoals hij gekleed was, en hield zijn zwaard bij zich dat hij, zoals hij beweerde, van een folteraar of beul cadeau had gekregen. Soms stond hij met getrokken zwaard midden in de nacht op, nadat hij nog nauwelijks had geslapen, ging als een razende tekeer en smeet het op de grond of tegen de muur.’

Vandaar ook dat hij op de ‘Cacophrastus’ zo overgevoelig reageerde – al is de persoonlijkheid van Paracelsus zeker niet door één of enkele factoren te verklaren. Waar het me op aankwam, was duidelijk te maken dat de mens aan wie we dit boek en vele andere werken te danken hebben, er een hoge prijs voor heeft betaald. Des te belangrijker is het om niet in het gescheld te blijven hangen, maar het grote tafereel te doordenken dat hier geschilderd wordt.

HET PARAGRANUM

In het Paragranum wordt het wereldbeeld uitgelegd dat aan de hele paracelsische geneeskunst ten grondslag ligt. Samengevat in vier woorden komt het neer op de spreuk van de Smaragden Tafel van Hermes Trismegistus: ‘Zo boven, zo beneden.’ Met andere woorden, de mens als microkosmos is een afspiegeling van de macrokosmos, de grote wereld, want daar is hij tenslotte van gemaakt. Wij zijn de kwintessens van de kosmos. Hoe zou het anders ook mogelijk zijn dat stoffen of wezens uit de buitenwereld gebruikt kunnen worden om de gezondheid van een mens te herstellen?

Paracelsus vat de relatie tussen micro- en macrokosmos in een mooi beeld, dat hij niet in het Paragranum, maar op andere plaatsen schetst: ‘Al wat geschapen is, zijn letters en boeken die de oorsprong van de mens beschrijven. Dat wil zeggen, als je een oud verhaal wilt leren kennen, moet je dat in de boeken opzoeken, en zo’n boek is niets anders dan een reeks letters. Op dezelfde wijze bestaat de schepping uit letters waarin je kunt lezen wie de mens is.’

Over dit lezen van de schepping gaan de eerste twee zuilen van het Paragranum, filosofie en astronomie. Het meest basale wat de arts nodig heeft, is immers kennis van de mens, en deze kennis kun je volgens Paracelsus onmogelijk rechtstreeks bij de mens zelf opdoen. De hele theorie van de lichaamssappen berust dus op speculatie, op meningen en waan- denkbeelden. De enige manier om inzicht in de mens te krijgen, is via het ontcijferen, het spellen, van de kosmos: ‘De arts moet in de eerste plaats hemel en aarde in hun stof, verschijningsvorm en essentie ken- nen; wanneer hij daarvan op de hoogte is, kan hij zich vervolgens met geneeskunst bezighouden’ (p. 43).

Aangezien de mens, voor zover het om zijn sterfelijk lichaam gaat, uit de vier elementen bestaat, is het zaak deze te bestuderen. Filosofie betekent, in paracelsische termen, de studie van de elementen aarde en water; astronomie is de studie van lucht en vuur, ofwel de filosofie van de bovenste elementen. Met ons huidige filosofiebegrip heeft dit weinig te maken; het sluit aan bij de Griekse natuurfilosofen. 

‘Met filosofie’, zegt Paracelsus, ‘bedoel ik niet moraalfilosofie of ethiek of andere onzin waar Erasmus zich mee bezighoudt.’ Ook zijn astronomie lijkt niet op ons huidige begrip van astronomie, want in feite gaat het niet om de sterrenhemel, maar om het astrale, met andere woorden, om onzichtbare krachten en werkingen. De filosofie biedt een ingang tot het fysiek lichaam van de mens, de astronomie tot zijn siderisch (astraal) lichaam.

De derde zuil is de alchemie, door Paracelsus ook spagyriek genoemd: geen goudmakerskunst, maar de kunst om door middel van scheiding arcana te vervaardigen, ontstoffelijkte, geestachtige geneesmiddelen, en daarmee de goddelijke schepping te voltooien, waarvoor de mens tot medewerking is opgeroepen. 

De vierde zuil gaat over het karakter van de arts, ofwel ethiek.

Met de viervoudige grondslag van de geneeskunst was Paracelsus al eerder bezig: ‘God heeft de geneeskunst geschapen tot vier natuurlijke zuilen, namelijk filosofie, astronomie, fysica en alchemie’, zei hij in een verhandeling over de honing uit de tijd vóór Bazel, en nog eens in zijn commentaar bij de Aforismen van Hippocrates, dat misschien als uitgangstekst voor een college was bedoeld: ‘De medische theorie rust op vier zuilen: filosofie, astronomie, alchemie en fysica’ 

Oorspronkelijk had hij dus de interne geneeskunde op het oog als vierde zuil. Dit lijkt een sluitend geheel: twee zuilen theorie om inzicht te verkrijgen in de mens en in de wereld, en twee zuilen praktijk, namelijk het verwerken van de wereld tot geneesmiddel en ten slotte het gebruik daarvan voor de behandeling van de zieke mens. Waarom hij van deze vierheid is afgestapt, is niet duidelijk – behalve dat hij doorgaans stopt wanneer het te praktisch dreigt te worden. Paracelsus wil het grote geheel onderwijzen – wie dat begrijpt, kan van daaruit zelf zijn praktijk ontwikkelen – maar geen makkelijk toepasbare instructieboekjes aanleveren die door personen die er niets van begrijpen, misbruikt zouden worden.

Toen hij even later aan het neerschrijven van het Paragranum ging, liet hij de interne geneeskunde dus vallen en maakte hij er drie zuilen van. Nog in het hier als eerste weergegeven voorwoord heeft hij het over ‘drie fundamenten’ en ‘drie dingen waarin een arts ervaring moet hebben’ (p. 35, 37); geen fysica, maar ook nog geen woord over ethiek.

Vervolgens worden het dan toch weer vier, waarbij de laatste zuil niet meer naast de andere drie, maar op een dieper fundament staat: ‘De vierde zuil is de ethiek, die de arts zal vergezellen tot in de dood en die de andere drie zuilen omvat en overeind houdt’ (p. 125). Deze lijkt er haast een beetje kunstmatig ondergeschoven, en het lijkt zelfs alsof hij dat zelf ook zo heeft gevoeld, want zes jaar na het formuleren van het Paragranum – dat bij zijn leven nooit gepubliceerd werd – kwam hij nog een keer op het onderwerp terug: ‘Het zijn vier dingen waaruit de arts groeit: filosofie, astronomie, alchemie en geneeskunde. Al zijn er heel wat artsen die er niet aan willen dat een arts naast datgene wat geneeskunde wordt genoemd, de andere drie nodig heeft; maar zij kunnen geen volmaakte artsen worden genoemd.’

Verschillende versies

Van delen van het Paragranum bestaan er verschillende versies, wat tot nogal wat verwarring heeft geleid. Huser heeft in deel II van zijn monumentale uitgave van het verzameld werk van Paracelsus, uit de jaren negentig van de 16e eeuw, in de eerste plaats een volledige versie opgenomen. Daarvan zijn het voorwoord, waarin sprake is van vier zuilen, en de hoofdstukken over filosofie en astronomie op een manuscript van Johannes Montanus gebaseerd, terwijl hij voor de hoofdstukken over alchemie en ethiek de beschikking had over een eigen handschrift van Paracelsus. Hierop aansluitend brengt hij een ‘tweede Paragranum’, dat alleen uit een voorwoord – dat slechts drie zuilen kent – en de hoofdstukken over filosofie en astronomie bestaat, op basis van een handschrift van Paracelsus. Verder zijn er nog vier concepten voor een voorwoord en enkele aantekeningen over filosofie en alchemie, die Huser in deel V van zijn uitgave heeft ondergebracht.

Sudhoff heeft in zijn standaarduitgave, in de jaren twintig van de vorige eeuw, de onderdelen herschikt en daarbij alle delen uit het eigen handschrift van Paracelsus gecombineerd tot wat hij de ‘laatste bewerking’ noemt, dus het ‘tweede Paragranum’ van Huser plus de hoofdstukken over alchemie en ethiek, waarvan slechts één versie bestaat. Deze ingreep blijkt bij nader onderzoek onhoudbaar. Het begint er al mee dat dit werk over vier zuilen wordt ingeleid door een voorwoord dat maar over drie zuilen rept. Verder kun je de twee voorwoorden en de hoofdstukken over filosofie en astronomie naast elkaar leggen en bijna alinea voor alinea met elkaar vergelijken. Dan blijkt dat in het vier-zuilen-voorwoord dezelfde gedachten worden uitgedrukt als in het drie-zuilen-voorwoord, maar in een verder uitgewerkte vorm. 

Er komen citaten uit de Bijbel bij, een sneer naar ‘de joden en farizeeën’ wordt geschrapt. Daarnaast bevat het vier-zuilen-voorwoord een inleiding over deze zuilen, die in het drie-zuilen-voorwoord geheel ontbreekt. Maar ook hiervan bestaat een vroegere versie, namelijk het voor- woord dat hier in de appendix onder nummer IV wordt weergegeven. Het vier-zuilen-voorwoord is dus een verder uitgewerkte versie van het drie-zuilen-voorwoord gevolgd door voorwoord IV. Alleen het slot is helemaal nieuw, waarbij vier in plaats van drie zuilen worden genoemd. Een vergelijking van de hoofdstukken over filosofie levert een soortgelijk beeld op. Langere scheldpartijen worden verzacht en ingekort. In plaats van tegenstanders rechtstreeks voor rot te schelden, wordt vaker de derde persoon gebruikt. Het is duidelijk dat Paracelsus zijn best doet om het didactisch aan te pakken en het begrip van de lezer aan te moedigen. In de vroegere versie staat zelfs nog een aantekening (p. 63): uitleggen waarom ik zo tegen de artsen tekeerga. Wat hij in de volgende bewerking dan ook doet.

Maar u kunt zich hierover uw eigen oordeel vormen, want in deze uitgave zijn alle beschikbare teksten opgenomen: eerst het fragment bestaande uit het drie-zuilen-voorwoord en twee hoofdstukken (Husers ‘tweede Paragranum’), vervolgens de complete, meest uitgewerkte versie, en ten slotte in de appendix nog vier voorwoorden – waarvan niet eens zeker is of deze allemaal als voorwoord bij het Paragranum waren bedoeld – en nog enkele losse aantekeningen. Ik heb hiervoor gekozen omdat alle teksten op zich interessant zijn; overal vind je unieke, belangrijke en typerende uitspraken van Paracelsus die iets aan ons beeld van hem kunnen toevoegen. 

Bovendien wordt in de literatuur bijzonder graag uit het vier-zuilen-voorwoord geciteerd, terwijl een aantal nieuwere uitgaven Sudhoff volgen, waarin deze citaten niet terug te vinden zijn. Nog een voordeel van deze volledige weergave is dat je door het vergelijken van de verschillende versies Paracelsus als het ware bij het werk over de schouder kunt kijken en zijn schrijfproces kunt volgen.

Dat er sprake is van een ‘meest uitgewerkte versie’ of ‘laatste bewerking’, wil niet zeggen dat deze af is of door Paracelsus als persklaar werd beschouwd. We moeten niet vergeten dat het allermeeste wat wij van Paracelsus kennen, voorlopige ontwerpen zijn, haastig op papier gezette schetsen, en geen manuscripten die klaar waren voor publicatie. En dat geldt zeker voor het Paragranum. Er bestaat een enorm verschil in duidelijkheid en coherentie tussen deze concep- ten en de boeken die wel klaar waren om gedrukt te worden, zoals bijvoorbeeld de Labyrinthus. Dit wordt vaak over het hoofd gezien wanneer er geklaagd wordt over de ‘duistere, warrige, onbegrijpelijke taal’ van Paracelsus.

Hierbij speelt nog iets anders wat het begrip voor ons bemoeilijkt: wij zijn gewend termen op een eenduidige en consequente manier te gebruiken. Afgezien van het feit dat het hier om een tekst van vijfhonderd jaar geleden gaat, moeten we ons ervan bewust zijn dat Paracelsus het niet alleen over de materiële wereld heeft, maar voor een groot deel over het astrale. Rudolf Steiner zegt hierover: ‘Wanneer we naar het astrale plan gaan, is er een wereld van voortdurende beweeglijkheid. (…) We zouden erg in het nauw komen als we daar onze begrippen zo star en onveranderlijk wilden maken als voor het fysieke plan. We moeten ons aanpassen aan de beweeglijkheid van de gedaanten, we moeten beweeglijke begrippen hebben en een begrip soms op de ene, soms op de andere manier kunnen gebruiken. Dit is in nog veel hogere mate het geval in de nog hogere werelden. Voor een hogere wereldbeschouwing is alles wat er in de fysieke wereld is, een uitdrukking van de krachten en wezens van die hogere werelden. In alles wat wij rond om ons zien, zijn dergelijke krachten en wezens verborgen.’

Paracelsus had een soort natuurlijke helderziendheid voor deze krachten en wezens. Daarover gaat een groot deel van zijn werk.

Na het Paragranum

Wanneer, waarom en onder welke omstandigheden hij verder trok, is niet bekend. De eerstvolgende verblijfplaats voor langere tijd – een aantal maanden – was St. Gallen, waar hij in 1531 vorm gaf aan alweer een ander van zijn hoofdwerken: het Opus paramirum. Net als het eer- der geschreven Volumen paramirum gaat ook het Opus paramirum over de oorsprong van ziekte, maar dan vanuit een andere invalshoek. In het Volumen, het boek over de vijf entia, had hij het ruimst mogelijke kader geschetst van alles wat invloed heeft op ziekte en genezing. Hij had er de balans opgemaakt van de geneeskunde door de eeuwen heen tot aan zijn tijd, en zijn eigen vertrekpunt bepaald. Het veel uitgebreider Opus bestaat uit verschillende delen: twee boeken over de oorsprong van de ziekten vanuit de drie basisprincipes sulfur, mercuur en sal; een boek over tartarus: steenvorming en afzettingen, stofwisselingsziekten in het algemeen; dan een boek over de ‘microcosma’, het vrouwelijk wezen en haar ziekten; en een vijfde boek over ‘de onzichtbare ziekten’, ofwel zielsziekten.

De hele ergernis over de gebeurtenissen in Bazel en het drukverbod lijkt nu ver achter hem te liggen. Hier is hij weer helemaal en uitsluitend degene die de grote lijnen uitzet voor een toekomstige geneeskunst. Het is hem duidelijk dat de meeste tijdgenoten helemaal niet in staat zijn om zijn werk te beoordelen, zoals hij in het nawoord van boek II aan Joachim von Watt schrijft, de stadsgeneesheer en burgemeester van St. Gallen aan wie hij dit werk heeft opgedragen: ‘Vreemd, nieuw, wonderbaarlijk, ongehoord, zeggen ze, zijn mijn natuurleer, mijn hemelkunde, mijn theorie, mijn praktijk. Hoe kan ik ook niet vreemd zijn voor iemand die nog nooit in de zon heeft gewandeld?’ Paracelsus wandelt in de zon, ook in de geestelijke zon, dat weet hij zeker.

Rond deze tijd ontstonden ook opnieuw een aantal theologische verhandelingen, waaronder zijn meest omvangrijke werk, een psalmencommentaar. Zijn wandeling voerde hem verder langs Innsbruck, Meran, Bad Pfäfers en in 1536 naar Augsburg, waar een dik leerboek over wondheelkunde van zijn hand verscheen, dat al gauw uitverkocht was en verschillende herdrukken beleefde: Die große Wundarznei, het enige medische werk van enige omvang dat bij zijn leven gedrukt werd. Hij trok verder naar Bohemen en schreef daar deel I van zijn magnum opus: Astronomia magna, een groots opgezet werk over mens en kosmos, over natuur, boven- en ondernatuur, dat vier boeken zou omvatten, maar helaas fragment is gebleven. Een volgende bestemming was Karinthië, zijn ‘tweede vaderland’, waar hij vanaf zijn achtste was opgegroeid. Het landsbestuur leek genegen om een bundel van drie boeken van hem te laten drukken, de Sieben Defensiones, een verweerschrift tegen alles wat hem gedurende zijn hele leven was verweten; verder de Labyrinthus medicorum errantium, een soort capita selecta uit zijn nieuwe geneeskunst, en nogmaals een boek over tartarus. De belofte om deze uit te geven werd nagekomen – zij het een dikke vierhonderd jaar later. 

De reis ging verder, en alweer is het grootste deel ervan in duisternis gehuld. Hij was bezig met een omvangrijke theologische bundel over het ware christelijke leven. In 1540 sloeg hij in een voorwoord hierbij een heel nieuwe toon aan: ‘Aan de sneeuw van mijn ellende is een einde gekomen. De groei is voltooid, de zomer is aangebroken. Waar dit vandaan komt, ik weet het niet; waar het naartoe gaat, ik weet het niet. Het is er gewoon. Zoals na lange jaren van terughouding en uitstel de tijd nu rijp is voor de dingen die zichtbaar zijn voor het fysieke oog, zo is de tijd ook rijp om over het gelukzalige en het eeuwige leven te schrijven. (…) Het is nu de tijd dat de vruchten rijpen; de winter is voorbij.’ 

Of hij betere tijden zag aankomen, of dat hij zijn einde voelde naderen, is moeilijk te zeggen. Het jaar daarop was het afgelopen met zijn ‘ellende’ en ging hij naar huis, ofwel ‘verruilde hij het leven met de dood’, zoals er op zijn grafsteen staat. Paracelsus stierf op 24 september 1541 in Salzburg. Hij werd 48 jaar.

De Duitse teksten in deze uitgave zijn afkomstig uit deel VIII van het verzameld medisch, natuurwetenschappelijk en filosofisch werk van Paracelsus, uitgegeven door Karl Sudhoff.

De tekstvarianten die Sudhoff aangeeft en die grotendeels voor de strekking van de tekst niet van belang zijn, zijn hier achterwege gelaten. Alleen in de gevallen waar ik in de vertaling van de hoofdtekst van Sudhoff ben afgeweken en een variant heb gevolgd, wordt deze in een voetnoot vermeld. Evidente zetfouten in de tekst van Sudhoff zijn stilzwijgend verbeterd.

Elke Bußler

Herfst 2019

BESTEL DE TEMPEL VAN DE GENEESKUNST – PARAGRANUM

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *