Het verlangen naar de ideale maatschappij – utopieën uit de Renaissance

De hermetische gedachten lopen als een rode draad door de geschiedenis van de mensheid. Vooral in Europa werden steeds nieuwe plannen gemaakt voor een maatschappijvorm waarin de mensen volgens hermetische beginselen zou den kunnen leven. Zulke hooggestemde plannen noemt men utopieën, omdat zij niet tegen de bestaande orde waren opgewassen. Zoals Utopia van Thomas More. Maar ging het de plannenmakers wel om een nieuwe maatschappij?

De gedachten die ten grondslag liggen aan De ideale staat van Plato, de Zonnestaat van Tomasso Campanella, Utopia van Thomas More, Nieuw-Atlantis van Francis BaconChristianopolis van Johann Valentin Andreae, en Het Labyrint der Wereld en het Paradijs des Harten van Jan Amos Comenius lijken veel op elkaar. Het beeld van een geheel andere wereld zou dat van de gangbare orde moeten vervangen. Zo ging het in die tijd, zo ging het ook in de twintigste eeuw toen een nieuwe aanval werd gedaan op de gevestigde autoriteit van staat, kerk en kapitaal. De beweging die tijdens de zogeheten Renaissance tot ontwikkeling was gekomen, liep dood en moest door een nieuwe impuls worden doorbroken. En ook in de 20e eeuw waren er tientallen plannenmakers die zich de ideale wereld anders voorstelden dan de realiteit waarin zij moesten leven. Men wilde de Renaissance op de een of andere manier voortzetten.

Tijdens de Renaissance werden zulke plannen net zo gekleurd door de wereld waartegen men zich afzette als nu. Zonder dergelijke referentiepunten was het im mers onmogelijk om het nieuwe beeld een enigszins reëel en begrijpelijk karakter te geven. In Nieuw-Atlantis vertelt Francis Bacon hoe hij met enkele vrienden op zee uit de koers raakt en landt op het eiland Bensalem in de Stille Oceaan. Het beeld van de oceaan als de levenszee waarop de mens ervaringen moet op doen, werd ook door Johann Valentin Andreae gebruikt voor zijn Christianopolis. Het schip was het symbool van de microkosmos, de kleine wereld waarin de mens zijn tijdelijke levensreis moet ondernemen om het eeuwige leven te bereiken. In klassieke symbolentaal werd zo de louteringsweg van de mensheid beschreven.

Er was proviand voor 12 maanden aan boord. Daarmee werd verwezen naar de dierenriem, waarbinnen de levenscycli van een mens zich voltrekken en waaruit de aardse mens wordt gevoed. Maar de zeelieden waren ook aan hun schip gebonden. Vandaar het beeld van de gevangene die aan de galeibanken was geketend en tot roeien was veroordeeld. De koers van zijn schip werd bepaald door een stuurman die zijn hoger zelf verbeeldde. Pas wanneer er geen levensmiddelen meer waren en de dood zich aandiende — dat wil zeggen: alle hoop op voeding en vernieuwing vanuit de aardse natuur was op gegeven — openden de zeelieden hun harten voor hogere leiding. Zij riepen God aan om hulp. Zij verhieven hun harten en stemmen tot God in de hemel.

Ook in Bacons vertelling stemmen de zeelieden zich af op hogere leiding. In antwoord op hun verlangen verschijnt een wolk die zij moeten volgen. ‘Deze gaf ons de hoop op land.., toen volgden wij de hele nacht de uitgezette koers naar de plaats waar wij land vermoedden.’

Het beeld van de nacht werd vaak gebruikt om aan te geven dat de mens die het onvergankelijk licht zoekt, vertwijfeld raakt, omdat hij nog geen teken van de nieuwe ziel, de nieuwe wereld, kon waarnemen. Dat waren de momenten, waarin het geloof en het verlangen op zuiverheid werden beproefd. ‘En in de ochtend van de volgende dag werd het duidelijk, dat hetgeen wij gezien hadden, inderdaad land was ge weest.’ Daarmee werd dan aangegeven, dat het reine en open hart ook in de don kerste nacht de juiste koers kon vinden. Meestal werd het resultaat van die gang door de duisternis bij het aanbreken van de nieuwe dag herkend.

Aankomst op het eiland Bensalem

Voordat de hongerende zeelieden aan wal mochten gaan, moesten zij aantonen dat zij ‘in de afgelopen veertig dagen door rechtspraak noch door geweld men senbloed hebben vergoten.’ Het getal 40 verwijst hier wellicht naar een afgeronde levenservaring op vier fundamentele punten. Als poort naar een nieuwe ontwikkeling. Het eiland Bensalem was dan ook uitsluitend voor ‘ingewijden’ toegankelijk. Voor diegenen, die met hun levens houding konden bewijzen dat zij een proces van innerlijke vernieuwing waren binnengegaan.

Toen de aangekomenen hun gehele bezit aan de voeten van de priester neerlegden, deelde deze hen mede, dat hij alleen belangstelling had voor hun broederlijke liefde en voor het heil van hun zielen en lichamen.

Dat het in Nieuw-Atlantis niet primair ging om een ideale maatschappij of staat, kan worden afgeleid uit het gegeven dat het eiland alleen gevonden kon worden door diegenen die aan de nieuwe levenseisen willen en kunnen voldoen. Het hogere omvat dus wel het lagere, maar het lagere niet het hogere. Het lagere moet naar hoger goed streven om zich van zijn aan wezigheid bewust te worden.

Ideaalbeelden als die van Bacon waren in zijn tijd veelal gericht op een soort nieuwe hemel of op een samenleving met hemelse kenmerken. Zijn beschrijving van een paradijselijke samenleving waarin de mensen in harmonie met elkaar leven, doet dan ook revolutionair aan. Hij vertelde dat de dertien mannen op verschillende tijden naar de oude wereld terug keerden en daar met hun relaas alleen maar ongeloof oogstten. Zo legde hij verband tussen utopie en realiteit en bracht zijn ‘volmaakte wereld’ dichter bij de mensen.

Omwille van het Licht

De bewoners van Nieuw-Atlantis kenden geen egoïsme en de broederschap die in het Huis van Salomo werd beoefend, was gericht op inzicht in mens en wereld. ‘U ziet dat wij geen handelsverkeer onder houden om goud, zilver of edelstenen, ook niet om zijde en specerijen en evenmin om andere lucratieve en waardevolle dingen, maar uitsluitend om de eerste schepping van God: omwille van het Licht.’ Waar gezegd wordt dat het Huis van Salomo dient om kennis van de oorzaken en de bewegingen van de verborgen krachten in de natuur te verkrijgen en de menselijke heerschappij uit te breiden tot aan zijn grenzen, kan die uitspraak op verschillende manieren worden uitgelegd.

Doordat men zich geleidelijk aan leerde vrijmaken van kerkelijke dogma’s, was de nieuwe wetenschap nog zeer mystiek: men onder zocht de fysieke natuur maar hield rekening met zijn geestelijke achtergrond. Die weg werd later verlaten en het materialisme kreeg de overhand. Men onderzocht de ‘uiterlijke verschijning’ om haar in zijn macht te krijgen. Wat de kerk eeuwenlang onder drukt had, kon nu Vrij worden onderzocht. Sommigen zagen die weg dan ook als een diepere onderdompeling in de verleidingen van de Tuin van Eden. De ‘moderne tijd’ van de 15e eeuw ontdeed zich van de ‘bescherming’ en bevoogding van de kerk. De uomo universale (homo universalis) moest zichzelf ontplooien.

Op die wijze werd de basis gelegd voor het extreme zelfbewustzijn van vijf eeuwen later. Belangrijker was echter de nieuwe belevendiging van het spirituele zaad in de mens, waarvan de vrucht nu in het tijdperk van Aquarius geoogst zal wor den. De hedendaagse westerse mens met zijn toegespitste intellect is dus het antwoord op de drang naar innerlijke menswording. Hij is de vrucht van een lange ontwikkeling waarin hij zelf het roer kon nemen, maar waarin hij ook — zo hij dat wilde — van Godswege werd geleid. Zijn eigen besluit bepaalde echter steeds de volgende stap. Zo heeft de mens zich naar de grenzen van zijn eigen mogelijkheden gespoed.

Grens van de persoonlijkheid bereikt

Wie nu de moderne wetenschap beziet, zal zich zeker afvragen waar die grenzen dan liggen. Immers, elke ontdekking opent nieuwe werelden van onderzoek. De mens bewoont slechts een hoekje van het heelal. Waar loopt dan de grens van het mens-zijn? En waar begint de weg van het God-worden? Toch heeft hij met zijn kennis van de waarneembare schepping, met al haar beloftes van een gelukkige toekomst, de uiterste grens van zijn persoonlijke mogelijkheden bereikt. Dat wil zeggen: de grenzen die aan zijn vijf zintuigen zijn gesteld. Om die grenzen te doorbreken heeft hij een nieuw zintuig nodig dat niet uit de bekende vijf kan worden ontwikkeld.

Zoals een planeet aan het einde van zijn elliptische baan terugkeert, zo moet ook de mens zich aan de grens van zijn persoonlijke mogelijkheden omwenden naar de kern van zijn wezen. Nu blijkt, dat de mens meestal onder druk moet staan om naar andere mogelijkheden te kunnen uitkijken. Waar druk is, ontstaat ook tegendruk. Onder druk wordt het lichaam bewust ervaren en kan de gevan genschap in ruimte en tijd gevoeld worden. De mens leeft in een spanningsveld tussen twee polen. Hij wordt tussen beide polen heen en weer geslingerd zoals een schip op zee. Dat gaat net zolang door, tot hij het niet meer kan verdragen. Maar er zijn nog twee andere polen: de oorspronkelijke, goddelijke natuur en de huidige, menselijke natuur. Ook tussen die twee polen dook hij heen en weer.

Zodra iemand zich daarvan bewust wordt, kan hij ook zijn levensdoel gaan zien. Maar daarmee ontbrandt dan de strijd om dat doel te bereiken. Voor de een ligt het in de materie, voor de ander in de Geest. Strijd zal er zijn, want in beide gevallen moet hij zich ergens van losmaken. In het eerste geval van de beperkingen die zijn bloed, opvoeding en opleiding hem stellen. Dat is veelal een uiterlijk gevecht. In het tweede geval van de grenzen die aan zijn mens-zijn gesteld zijn, een innerlijk conflict.

De twee zielen van de mens zijn onverenigbaar. De ene zoekt de geborgenheid in de natuur en de ander streeft naar het goddelijke Licht. Sommige utopische vertellingen, zo ook Nieuw-Atlantis, houden de mens een spiegel voor. Zij tonen hem hoe irrationeel zijn aardse streven is. Dat dit in feite de utopie is, niet de ideale levensstaat die voor een utopie wordt uitgemaakt. Hij kan zich dan van zijn persoonlijke utopie afwenden en de ene realiteit ontdekken die in ieder mensenhart verborgen ligt.

Bron: Tijdschrift Pentagram 2001-3

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *