P.D. Ouspensky ontmoet G.I. Gurdjieff – begin van het boek ‘Op zoek naar het wonderbaarlijke’

In november 1914, dat wil zeggen kort na het uitbreken van de eerste wereldoorlog, kwam ik in Rusland terug na een tamelijk lange reis door Egypte, Ceylon en India. Ik werd in Colombo door de oorlog verrast en vandaar aanvaardde ik via Engeland de terugreis. 

Toen ik aan het begin van mijn reis St. Petersburg verliet, had ik gezegd dat ik ‘op zoek ging naar het wonderbaarlijke’. Het ‘wonderbaarlijke’ valt heel moeilijk te definiëren. Maar voor mij had dit woord een zeer bepaalde betekenis. Ik was reeds lang geleden tot de slotsom gekomen dat er geen uitweg is uit de doolhof van tegenstrijdigheden waarin wij leven tenzij langs een volkomen nieuwe weg, totaal afwijkend van iedere die wij tot nu toe gekend of gevolgd hebben. Maar waar deze nieuwe of vergeten weg begon, kon ik niet zeggen.

Het stond toen als een onweerlegbaar feit voor mij vast dat er achter de dunne sluier van valse werkelijkheid een andere werkelijkheid schuilgaat, waarvan wij om de een of andere reden door iets gescheiden zijn. Het ‘wonderbaarlijke’ was een binnendringen in een onbekende werkelijkheid. En het scheen mij toe dat de weg naar het onbekende in het Oosten gevonden zou kunnen worden. Waarom in het Oosten? Dat was moeilijk te zeggen. In dit denkbeeld lag misschien iets romantisch; maar het kan ook de stellige overtuiging zijn geweest dat er in ieder geval in Europa niets kon worden gevonden. 

Op de thuisreis en gedurende de weken die ik in Londen doorbracht werd alles wat ik omtrent de resultaten van mijn zoeken had overdacht vertroebeld door de wilde verdwazing van van de oorlog en door alle emoties die de gesprekken en de kranten en de hele sfeer vulden en die mij vaak, tegen mijn wil, beroerden. 

Maar toen, na mijn terugkeer in Rusland, opnieuw als die gedachten in mij opkwamen waarmee ik vertrokken was, voelde ik dat mijn zoeken en alles wat ermee verband hield, belangrijker was dan wat er ook gebeurde of gebeuren kon in een wereld van ‘kennelijke ongerijmdheden’. 

Ik zei bij mijzelf dat de oorlog gezien moest worden al een van die over het algemeen rampzalige omstandigheden temidden waarvan wij moeten leven en werken en een antwoord zoeken op onze vragen en twijfels. De oorlog, de grote Europese oorlog, die ik niet voor mogelijk had gehouden en waarvan ik de realiteit lange tijd niet wenste te aanvaarden, was een feit geworden. Wij zaten er in en mijns inziens moest hij opgevat worden als één groot memento mori dat wees op de noodzaak spoed te betrachten en op de onmogelijkheid te geloven in een ‘leven’ dat nergens heen leidde.

De oorlog kon mij persoonlijk niet raken, in ieder geval niet voor de uiteindelijke catastrofe die volgens mij voor Rusland en misschien zelfs voor geheel Europa onvermijdelijk was, maar die nog niet direct voor de deur stond. De naderende ramp scheen toen natuurlijk slechts van voorbijgaande aard en niemand kon nog in volle omvang de innerlijke en uiterlijke ontbinding en vernietiging voorzien temidden waarvan wij in de toekomst zouden moeten leven. 

Al mijn indrukken van het Oosten en speciaal van India samenvattend, moest ik erkennen dat mijn probleem bij mijn terugkeer zelfs nog moeilijker en ingewikkelder scheen dan het bij mijn vertrek was. Niet alleen hadden India en het Oosten hun betovering van het wonderbaarlijke niet verloren, integendeel, de glans van deze betovering had flonkeringen verkregen die er voorheen nog niet waren. Ik zag duidelijk dat daar iets kon worden gevonden dat in Europa reeds lang niet meer bestond, en ik was van mening dat de door mij ingeslagen richting de juiste was. Maar ook was ik ervan overtuigd dat het geheim beter en dieper verborgen lag dan ik had kunnen veronderstellen.

Toen ik vertrok wist ik reeds dat ik op zoek ging naar een school of scholen. Tot deze conclusie was ik reeds lang gekomen. Ik besefte dat persoonlijke, zelfstandige pogingen ontoereikend waren en dat het nodig was in verbinding te komen met het werkelijke en levende denken, dat ergens moet bestaan maar waarmee wij het contact verloren hebben. 

Dit begreep ik; maar het denkbeeld van scholen zelf onderging een sterke wijziging tijdens mijn reizen: enerzijds werd het eenvoudiger en concreter, anderzijds werd het killer en meer veraf. Ik wilde hiermee zeggen dat de scholen veel van hun sprookjesachtige karakter verloren.

Bij mijn vertrek liet ik met betrekking tot de scholen nog veel fantastische elementen in mijn denken toe. ‘Toelaten’ is misschien wat te sterk. Beter gezegd: de mogelijkheid van een niet-stoffelijk contact met scholen zweefde mij voor de geest, een contact als het ware ‘op een ander plan’. Ik kon het niet duidelijk verklaren maar het kwam mij voor dat zelfs het eerste contact met een school van een wonderbaarlijke aard zou kunnen zijn. Ik stel mij bijvoorbeeld voor dat contact mogelijk moest zijn met scholen uit een ver verleden, met scholen van de bouwers van de Notre Dame, enzovoort. Het scheen mij toe dat de slagbomen van tijd en ruimte bij zo’n contact zouden wegvallen. Het denkbeeld van scholen was op zichzelf fantastisch, en in verband met dit denkbeeld kwam niets mij te fantastisch voor. En ik achtte deze denkbeelden niet in strijd met mijn pogingen om in India scholen te vinden. Het scheen mij toe dat het juist in India mogelijk moest zijn een soort contact tot stand te brengen dat later duurzaam zou kunnen worden en volkomen vrij van storende invloeden van buitenaf. 

Op de terugreis, na een lange reeks ontmoetingen en indrukken, werd het denkbeeld van scholen veel reëler en tastbaarder en verloor het zijn fantastisch karakter. Waarschijnlijk werd deze verandering veroorzaakt doordat ik toen besefte  dat de ‘school’ niet alleen een zoeken vereist maar ook een ‘keuze’ – ik bedoel van onze kant. 

Dat er scholen bestonden, daaraan twijfelde ik geen ogenblik. Maar ook kwam ik tot de overtuiging dat de scholen waarover ik hoorde spreken en waarmee ik in contact had kunnen komen, niets voor mij waren. Het waren òf scholen met een specifiek religieus karakter òf half-religieuze met een uitgesproken vrome inslag. Deze scholen trokken mij niet aan, voornamelijk omdat ik, indien ik een religieuze weg had gezocht, deze ook in Rusland had kunnen vinden. Andere scholen droegen een enigszins sentimenteel, zedelijk-wijsgerig karakter met een vleug van  ascetisme, zoals die van de discipelen of volgelingen van Râmakrishna; aan deze scholen waren bijzonder aardige mensen verbonden, maar ik had niet het gevoel dat zij werkelijke kennis bezaten. Andere, die gewoonlijk ‘yoga-scholen’ genoemd worden en berusten op het opwekken van trance-toestanden, hadden in mijn ogen iets te veel weg van ‘spiritisme’. Ik had er geen vertrouwen in; al hun resultaten waren òf zelfbedrog, òf wat de orthodoxe mystici in de Russische kloostercultuur ‘het schone’ of ‘verlokking’ noemden.

Er bestond nog een ander soort scholen, waarmee ik echter niet in contact kon komen en waarover ik alleen maar over hoorde spreken. Deze scholen beloofden heel veel, maar eisten ook heel veel. Zij eisten alles ineens. Ik zou in India moeten blijven en iedere gedachte aan terugkeer naar Europa laten varen en al mijn eigen denkbeelden, oogmerken en plannen opgeven om een weg te gaan waarvan ik van te voren niets zou afweten. 

Deze scholen wekten in hoge mate mijn belangstelling, en de mensen die ermee in contact waren geweest en mij erover vertelden, waren opvallend anders dan het gewone type. Maar toch kwam het mij voor dat er scholen moesten zijn van een redelijker soort, en dat een mens tot op zekere hoogte het recht heeft te weten waarheen hij gaat. 

Terzelfder tijd kwam ik tot de slotsom dat alle scholen, welke naam zij ook droegen – occulte, esoterische of yoga-scholen – op hetzelfde gewone aardse plan moesten bestaan als iedere andere soort school: een schilderschool, een dansschool, een medische school. Het werd mij duidelijk dat de gedachte aan scholen ‘op een ander plan’ louter een bewijs van zwakheid is, dromen die de plaats innemen van werkelijk zoeken. En ik begreep toen dat deze dromen een van de voornaamste obstakels vormen op onze mogelijke weg naar het wonderbaarlijke.

Op weg naar India had ik plannen gemaakt voor nieuwe reizen. Ditmaal wilde ik beginnen met het mohammedaanse Oosten: voornamelijk Russisch Centraal-Azië en Perzië. Maar niets van dit alles zou verwezenlijkt worden.    

Van Londen reisde ik over Noorwegen, Zweden en Finland naar St. Petersburg, dat toen reeds herdoopt was in ‘Petrograd’ en vol was van geruchten en patriottisme. Spoedig daarna vertrok ik naar Moskou en begon mijn redactionele arbeid voor de krant waaraan ik uit India mijn artikelen had gezonden. Ik bleef daar ongeveer zes weken, maar in die tijd vond er een klein voorval plaats dat verband hield met vele dingen die later zouden gebeuren. 

Op zekere dag vond ik op de redactie van de krant, terwijl ik het volgende nummer aan het voorbereiden was, een mededeling – ik meen in ‘de stem van Moskou’ – over het scenario van het ballet ‘De Strijd der Magiërs’, van de een of andere ‘hindoe’. Het speelde in India en heette een volledig beeld te geven van de oosterse magie, met fakir-wonderen, heilige dansen, enzovoort. De overdreven luchtige toon van de mededeling stond mij niet aan, maar daar hindoe-schrijvers van ballet-scenario’s in Moskou nogal zeldzaam waren, knipte ik het bericht uit en nam het in mijn blad over met de aantekening dat men in het ballet alles zou vinden wat men in het werkelijke India niet tegenkomt maar dat de reizigers er zoeken. 

Spoedig daarna verliet ik om verschillende redenen de krant en ging naar St. Petersburg. Daar hield ik in februari en maart openbare lezingen over mijn reizen door India. De titels van deze lezingen luidden: ‘Op zoek naar het wonderbaarlijke’ en ‘Het probleem van de dood’. In deze lezingen, die moesten dienen als inleiding tot een boek over mijn reizen dat ik van plan was te schrijven, zei ik dat in India het ‘wonderbaarlijke’ niet wordt gezocht waar het gezocht moet worden, dat alle gewone wegen nutteloos waren en dat India zijn geheimen beter bewaarden dan velen meenden; maar dat het ‘wonderbaarlijke’ er inderdaad bestond en vele dingen hierop wezen, dingen waaraan de mensen voorbijgingen zonder hun verborgen zin te bevroeden of zonder te weten hoe zij deze moesten benaderen. Opnieuw zweefde mij ‘scholen’ voor de geest. 

Ondanks de oorlog wekten mijn lezingen grote belangstelling. Meer dan duizend mensen vulden regelmatig de Alexandrowski-zaal van de stads-Doema van St. Petersburg. Ik ontving vele brieven; mensen kwamen mij bezoeken; en ik voelde dat het op de basis van een zoeken naar het ‘wonderbaarlijke’ mogelijk moest zijn  een groot aantal mensen samen te brengen die niet langer de gebruikelijke vormen van liegen en van leven in leugens konden slikken. 

Na Pasen hield ik deze zelfde lezingen in Moskou. Onder de personen die ik op deze lezingen ontmoette, waren er twee, een musicus en een beeldhouwer, die weldra met mij beginnen te praten over een groep in Moskou die zich bezig hield met verschillende ‘occulte’ onderzoekingen en proefnemingen onder leiding van een zekere G., een Kaukasische Griek, dezelfde ‘hindoe’, naar ik begreep, die de auteur was van het ballet-scenario, vermeld in de krant die mij drie of vier maanden tevoren onder ogen was gekomen. Ik moet bekennen dat wat deze twee mensen mij over die groep vertelden en wat daar voorviel: allerlei zelfgesuggereerde wonderen, mij heel weinig interesseerde. Soortgelijke verhalen had ik al zo vaak gehoord en ik had me daarover een zeer bepaald oordeel gevormd. 

Dames die plotseling ‘ogen’ in haar kamer zien die in de lucht zweven en haar fascineren, en die zij straat in, straat uit volgen totdat zij tenslotte belanden bij het huis van een of andere oosterling aan wie die ogen toebehoren. Of mensen die in tegenwoordigheid van dezelfde oosterling plotseling het gevoel krijgen dat hij dwars door hen heen kijkt en al hun gevoelens, gedachten en verlangens ziet; zij krijgen een vreemd gevoel in hun benen en kunnen zich niet bewegen en geraken dan zodanig in zijn macht dat hij hen alles kan laten doen wat hij maar wil, zelfs op afstand. 

Al dergelijke verhalen waren volgens mij eenvoudig tweederangs romanlectuur. De mensen verzinnen wonderen voor zichzelf en verzinnen precies wat er van hen verwacht wordt. Het is een mengsel van bijgeloof, auto-suggestie en defectief denken, en volgens mijn observatie ontstaan deze verhalen nooit zonder een zekere medewerking van de zijde van de mensen op wie ze betrekking hebben. 

Zo stemde ik er, in het licht van mijn vroegere ervaringen, pas na voortdurend aandringen van een van mijn nieuwe kennissen, M., in toe G. te ontmoeten en een gesprek met hem te hebben.  

Mijn eerste ontmoeting met G. (Gurdjieff) deed mijn opinie over hem en wat ik van hem kon verwachten volkomen veranderen. Ik herinner mij deze ontmoeting heel goed. Wij troffen elkaar in een cafeetje in een rumoerige straat buiten het centrum. Ik zag een man met een oosters uiterlijk, niet jong meer, met een zwarte snor en doordringende ogen die mij een wonderlijk gevoel gaf, vooral omdat hij vermomd scheen en in deze omgeving en sfeer volkomen uit de toon viel. Ik was nog vol indrukken van het Oosten; en deze man met het gelaat van een Indische radja of Arabische sjeik, die ik mij onmiddellijk voorstelde als in een witte boernoes of met een goudkleurige tulband, gezeten in dit cafeetje waar kleine neringdoenden en handelsreizigers elkaar ontmoetten, gekleed in een zwarte overjas met fluwelen kraag en met een zwarte dophoed op, maakte op mij de vreemde, onverwachte, ja bijna alarmerende indruk van iemand die slecht vermomd is en wiens aanblik je in verlegenheid brengt omdat je ziet dat hij niet is wat hij voorgeeft te zijn en je toch moet doen alsof je het niet ziet. Hij sprak gebrekkig Russisch met een sterk Kaukasisch accent, en dit accent, waarmee wij gewoonlijk alles verbinden behalve filosofische denkbeelden, versterkte nog het vreemde en onverwachte van deze indruk.

Ik herinner mij niet meer hoe het gesprek begon; ik meen dat wij over India spraken, over het esoterische en over yoga-scholen. Uit het gesprek maakte ik op dat Gurdjieff veel gereisd had en in plaatsen was geweest waarover ik enkel had gehoord en die ik heel graag had willen bezoeken. Niet alleen brachten mijn vragen hem niet in verlegenheid, maar het scheen mij toe dat hij in ieder antwoord meer legde dan ik had gevraagd. Zijn manier van spreken, die zorgvuldig en nauwkeurig was, stond mij aan. Gurdjieff vertelde mij van zijn werk in Moskou. Ik begreep hem niet helemaal. Uit wat hij zei maakte ik op dat in zijn werk, dat hoofdzakelijk van psychologische aard was, chemie een belangrijke rol speelde. Omdat ik hem voor de eerste maal hoorde, nam ik zijn woorden natuurlijk letterlijk op. 

‘Wat u zegt u,’ antwoordde ik, ‘herinnert mij aan iets wat ik over een school in Zuid-India hoorde. Een brahmaan, een in vele opzichten buitengewone man, vertelde een jonge Engelsman in Travancore over een school die de chemie van het menselijk lichaam bestudeerde en die door het toedienen of onttrekken van bepaalde substanties de morele en psychologische aard van de mens kon veranderen. Dit lijkt heel veel op wat u vertelt.’ 

‘Dat kan,’ zei Gurdjieff, ‘maar het kan evengoed iets heel anders zijn. Er zijn scholen die dezelfde methoden schijnen te gebruiken maar ze heel verschillend opvatten. Overeenkomst van methoden of zelfs van denkbeelden bewijst niets.’

Bron: Op zoek naar het wonderbaarlijke – Gurdjieffs leer van P.D. Ouspensky

LEES MEER OVER DE INSPIRATIE-AVOND OP DINSDAG 15 MEI 2018 IN AMSTERDAM

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *