Wat betekent het als de mens een microkosmos wordt genoemd?

In de manifesten van de klassieke rozenkruisers wordt de mens een microkosmos genoemd. Dat idee is ontleend aan de hermetische wijsbegeerte, die in de eerste eeuwen van de jaartelling op schrift is gesteld in Alexandrië in Egypte onder de naam van de legendarische ingewijde Hermes Trismegistus.  

Eén van de bekendste axioma’s uit de Smaragden Tafel van Hermes Trismegistus luidt: “Wat beneden is, is gelijk aan wat boven is, en wat boven is, is gelijk aan wat beneden is”, kort samengevat als: “Zoals in het groot, zo ook in het klein.” Als we dit inzicht op onszelf betrekken zien we dat er een directe relatie bestaat tussen wereld en mens, tussen God en mens, tussen kosmos en microkosmos. Het grote vindt altijd zijn afspiegeling in het kleine. 

Wij als sterfelijke natuurgestalten zijn tot en met verbonden met deze vergankelijke, aardse natuur. Maar naar de geestkern zijn we ten diepste verbonden met die onvergankelijke natuur. Want een mens is meer dan alleen zijn lichaam, meer dan vlees en bloed. Hij is onderdeel van een groter stelsel, een microkosmos of kleine wereld, die een afspiegeling is van de macrokosmos. De uitspraak: “God schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis” uit Genesis 1, vindt daarin zijn oorsprong. 

Nu kan er in een mensenleven een moment aanbreken, waarop er in de microkosmos zóveel verlangd en nagestreefd is binnen deze stoffelijke natuur, dat de volgende vraag steeds dringender wordt: Wat is de werkelijke zin van mijn leven op aarde? 

De kern van het menselijke stelsel is verbonden met de goddelijke oorsprong, als een lichtvonk uit het grote plan, symbolisch gezien als een rozenknop. Uit die oorsprong is hij voortgekomen en dat moet hij zich weer bewust worden. Door een incident in het verre verleden, de zogenaamde val, is hij verbroken van dit bewustzijn. Het kernwezen is latent, als slapend, en het ego kan door ik-centraliteit het goddelijke leven niet meer waarnemen. 

Het leven in de tweevoudigheid wordt ons geschonken als een leerschool, bedoeld om ons te doen beseffen dat alleen het goddelijke leven ons het ware geluk kan schenken. 

De microkosmos en zijn geestkern zijn onsterfelijk. Maar steeds weer wordt
de microkosmos ontledigd door de sterfelijkheid van de natuurziel en haar persoonlijkheid. De microkosmos wentelt eeuw na eeuw door het aardeveld (het wiel van geboorte en dood, reïncarnatie) en moet telkens opnieuw een sterfelijke ziel in zijn stelsel opnemen, opdat eens uit en door deze ziel de mogelijkheid zal vrijkomen om de microkosmos door het proces van transfiguratie in zijn oorspronkelijke luister te herstellen. 

Als de mens sterft blijven het stoffelijke lichaam en een deel van het etherlichaam achter in de zichtbare wereld. De ijlere aanzichten van de mens (astraal, mentaal) gaan naar het onzichtbare gebied van de dialectische natuurorde en vervluchtigen daar na enige tijd. Dan pas is de microkosmos geheel ontledigd. 

De ervaringen, die in vele levens worden opgedaan, worden opgetekend in de microkosmos. Dit gebeurt in een deel van het aurische wezen, de lipika genoemd, wat letterlijk ‘schrijver’ betekent. De lipika functioneert als een geheugen van de microkosmos, waardoor dezelfde lessen niet steeds opnieuw geleerd hoeven te worden. 

Het leven in onze natuur is gebonden aan bepaalde natuurwetten. We kennen de wet van oorzaak en gevolg, van actie en reactie. Deze wet wordt ook wel de wet van karma genoemd. Dankzij deze wet van karma wordt de natuurmens geplaatst voor de consequenties van zijn handelen, zowel individueel als collectief. Ook blijft hierdoor de cirkelgang van het dialectische leven voortdurend in stand. Actie volgt op reactie, enzovoorts. Dit drukt zich uit in ademveld en aurisch wezen. Wat gezaaid wordt moet ook worden geoogst. 

Een volgende incarnatie wordt voorbereid op basis van dit geheugen van het aurische wezen. Het zijn de gegevens, opgeslagen in de microkosmos, samen met de bloedserfenis van ouders en voorouders, die de staat-van-zijn van de nieuwe incarnatie bepalen. Elk mens krijgt zo een geschikt uitgangspunt voor zijn leven. 

De basis voor een nieuwe bezieling is de roep die doorklinkt in het stil geworden hart – een geopend hart. Deze bezieling vormt op haar beurt het uitgangspunt voor het herstel van de verbroken binding van de microkosmos met de goddelijke wereld. De nieuwe ziel is het intermediair, de verbindende schakel tussen het lichaam en het eeuwigheidswezen. 

Bron: Syllabus van de verkenningen van de cursus Rozenkruis en Gnosis 

LEES MEER OVER DE CURSUS ROZENKRUIS EN GNOSIS 2018 IN UTRECHT

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *