Korte biografie van Leonardo da Vinci, in 2019 ruim 500 jaar kunst van een veelzijdig genie uit de Italiaanse renaissance

Op 2 mei 2019 is het precies 500 jaar geleden dat Leonardo da Vinci (1442-1519) stierf. Het leven en het werk van deze universele mens (uomo universale) zal daarom op via allerlei tentoonstellingen, symposia en lezingen worden herdacht. Zo zal er van 5 oktober 2018 t/m 6 januari 2019 een tentoonstelling zijn van originele tekeningen van Leonardo da Vinci in Teylers museum in Haarlem. Hierboven staat een optische illusie gebaseerd op een zelfportret van Leonardo da Vinci dat verwijst naar Don Quichot Hieronder volgt een biografie van één van de grootste genieën  van de Italiaanse Renaissance.

Leonardo werd als buitenechtelijk kind van een Florentijnse notaris in Vinci geboren, een boerendorp tussen Florence en Pisa. Leonardo groeide in het huis van zijn vader op en trad in 1466 in de leer bij Verrocchio; hij bleef hem trouw, ook nadat hij in 1472 las meester in het schildersgilde was opgenomen. Zij eerste werken zijn verloren gegaan. Zijn eerste bekende schepping zijn de beide engelen op het schilderij van Verrocchio, de ‘Doop in de Jordaan’. 

In 1482 liet hij verschillende onvoltooide werken in Florence achter en vertrok hij naar Milaan. Uit de brief waarmee hij zich aanbeveelt bij Lodovico Sforza, de hertog van Milaan, blijkt zijn unieke veelzijdigheid. Zij bood zich aan al vestingingenieur en voor het vervaardigen van oorlogswerktuigen, bommen, geschut, gepantserde schepen, mijngangen. Verder wilde hij zich belasten met het herstellen van het kanalensysteem in Lombardije en het modelleren voor de vieringstoren van de dom en een ontwerp voor een ideale stad. 

Aanleiding tot de reis naar Milaan was de opdracht Lorenzo il Magnifico een lier te brengen, omdat Leonardo op een door hemzelf vervaardigde luit onvergelijkelijk mooi speelde. Vasari zegt van hem: ‘In één mens waren schoonheid, beminnelijkheid en kracht in zo overweldigende mate aanwezig, dat hij in elk van zijn handelingen door goddelijke begaafdheid alle andere mensen ver achter zich liet.’

Bij de ontwerpen voor een bronzen ‘ruiterstandbeeld’ van Francesco Sforza had men eerst gedacht aan een steigerend paard met berijder, boven een gevallen vijand. Dit motief, maar zonder die gevallen vijand, werd in de 17e eeuw uitgevoerd in de monumenten voor Philips IV in Madrid, van augustus de Sterke in Dresden en Peter de Grote in Petersburg. Het in 1493 gereedgekomen model van Leonardo beperkte zich, evenals de Romeinse keizerlijke monumenten en die voor Gattamelata en Colleoni, tot een ruiter op een telganger. Door de val van Lodovico in 1499 is het beeld echter niet gegoten. 

Meer nog dan deze ontwerpen werd de roem van Leonardo over heel Italië verbreid door ‘Het laatste avondmaal’ in het refectorium, de eetzaal, van de Dominicanen in Sta. Maria deel Grazie in Milaan. Hij schilderde het tussen 1495 en 1498. Christus zit voor een deuropening in het midden van zaal aan tafel met zijn discipelen. Zijn woorden: ‘Eén van u zal mij verraden’ hebben een heftige beroering teweeggebracht. Zij weerspiegelt zich op het gelaat en in de gebaren van de leerlingen. Nog nooit tevoren had men zulk een dramatisch contrast gezien als dat tussen de opgewonden discipelen en Christus, die met plechtig uitgestrekte handen gelaten zijn lot afwacht.  

Dit werk, dat een nieuwe periode inluidde, geraakte al spoedig in verval. Om langzaam en zorgvuldig, zoals zijn aard was, te kunnen schilderen, had Leonardo niet op de natte kalk al fresco, maar op de gedroogde muur met temperaverf geschilderd. De verf liet daardoor al gauw los. Bovendien was het hoofd van Christus onvoltooid gebleven, omdat Leonardo, zoals bijna honderd jaar later Lomazzo schreef, de beide apostelen Jacobus al zulk een schoonheid en majesteit had verleend, dat hij die in de figuur van Christus niet kon overtreffen. Reeds bedorven door verscheidene  pogingen tot herstel, kreeg het werk de genadeslag bij een bombardement in de Tweede Wereldoorlog. Ondanks een vakkundige restauratie is er van de oude glorie weinig of niets meer over. 

Leonardo heeft slechts weinig werken voltooid; aan vele hebben leerlingen meegewerkt. In hoofdzaak eigenhandig zijn drie paneelschilderingen: ‘De madonna in de grot’, ‘Anna te drieën’ en de ‘Mona Lisa’. Zij bevinden zich alledrie in het Louvre. Leonardo heeft in 1501 in Florence een begin gemaakt met de H. Anna; het ontwerp, dat tentoongesteld was in het klooster van de Annunziata, werd door geheel intellectueel Florence bewonderd. Voltooid werd het in Milaan, waar een twaalftal kopieën bewaard zijn gebleven. Maria zit op schoot bij de heilige Anna en grijpt het kindje dat een lammetje aan de oren trekt. De groep is zo opgebouwd, dat hij door een piramide kan worden omsloten. De bewegingen van Maria contrasteren met die van Anna. 

Het principe van de klassieke kunst treedt hier al duidelijk aan het licht: en groot aantal contrasterende bewegingen zijn zo tegen elkaar afgewogen, dat er een harmonische compositie ontstaat. Deze compositie is hier zo kunstig dat het woord van Alberti ervoor geldt: Het volmaakte is een toestand waaraan niet het kleine onderdeel veranderd zou kunnen worden zonder de schoonheid van het geheel te schaden.’ Elke beweging, elk gezicht karakteristiek voor het Quatrrocento, de 15e eeuw; zij zouden zonder de ontdekkingen van deze eeuw niet mogelijk zijn geweest. Maar toch spreekt er een geheel nieuwe geest uit. De gestalten zijn grootser en waardiger. 

Trouwens de gehele generatie van omstreeks 1500 streeft ook in het dagelijks leven naar ernst en waardigheid in houding en gebaar, zoals blijkt uit het boek van graaf Castiglione over de volmaakte hoveling. Nieuw is ook de belichting. Het quattrocento had alle onderdelen gelijkmatig belicht; Leonardo echter versterkt de contrasten door diepe schaduwen. de belichte gezichten duiken op uit een diffuse schemering, het beroemde clair-obscur van Leonardo, dat zijn tijdgenoten sfumato noemden.   

Tenslotte is de verhouding tot de werkelijkheid anders geworden. Het Quattrocento had als het ware gezweeld in realistische details. Maar wat voor het Quattrocento een boeiend probleem was geweest, sprak voor het Cinquecento, de 16e eeuw, vanzelf. De kunstenaars uit het Quattrocento waren dienaren van de natuur geweest, Leonardo echter was haar meester. Hij beperkt zich tot het wezen van de dingen, hij zoekt de grote vorm. Op de tijd van ontdekkingen is die van de beheersing en de bezinning gevolgd. De 15e eeuw liet zien wat er al zo bestond, de 16e eeuw wat waard was te bestaan. 

Leonardo zette intussen de studies in gelaatkunde van zijn voorgangers voort; hij tekende zelfs de eerste karikaturen. Maar in zijn schilderijen verhief hij zich ver boven alle individuele onvolkomenheden; hij schiep daarin gezichten van een volmaakte ideale schoonheid. De gezichten van de middeleeuwen waren aan het individuele niet toegekomen, die van Leonardo komen erboven uit. Hij schiep het klassieke gezicht, dat van alle tijden is. 

Nog duidelijker dan uit de gezichten spreekt de tegenstelling met het Quattrocento uit het landschap op de achtergrond. De Nederlanders en ook de Italianen hadden met een overvloed van details werkelijke landschappen en stadsgezichten geschilderd. Leonardo echter plaatst zijn figuren voor gefantaseerde berglandschappen, die in een blauwe schemering opgaan. Wanneer sommige biografen zijn landschappen in het Arnodal zoeken, geven zij blijk, hem niet goed te begrijpen. Want Leonardo’s landschappen zijn niet werkelijk in die zin, dat zij de werkelijkheid min of meer getrouw weergeven. Het zijn als het ware gedroomde landschappen, die tussen werkelijkheid en ideaal in staan. Ook hier is het realisme van de 15e eeuw overgegaan in idealisme , de klassieke vorm van de 16e eeuw. 

Mona Lisa, een Napolitaanse, was de vrouw van de Florentijn Francesco de Giocondo. Zij was in 1503, toen zij voor het portret ging zitten, zesentwintig jaar oud. Leonardo heeft vier jaar aan dit portret gewerkt zonder het geheel te viltooien. De Gioconda zit voor een borstwering, waarachter zich een blauwgroen droomlandschap uitstrekt. Zij draagt geen enkel sieraad, hoofd en lichaam zijn bijna en face; de gevoelige handen liggen over elkaar. Zij vullen de expressie van het gezicht aan. Om ogen en mond speelt de flauwe, ondoorgrondelijk glimlach, die Leonardo moet hebben geboeid en die nog steeds de beschouwer fascineert en in verwarring brengt. Het is echter onzeker wie voor deze glimlach verantwoordelijk is, de vrouw of de schilder, want de heiige Anna vertoont ook een dergelijk lachje en in de school van Leonardo is het een manier geworden. 

In ieder portret ligt iets van het wezen van zowel de schilder als van de geportretteerde en hier schijnt Leonardo de sterkste te zijn geweest. Waarschijnlijk was het portret meer symbool van werkelijkheid. Leonardo heeft als het ware een portret van de ziel gemaakt. en daarin niet alleen de tweestrijd van de beide fundamentele krachten, begeerte en afweer, maar tevens de superioriteit van de mens, die zich van deze tweestrijd bewust is, tot uitdrukking gebracht. 

In hetzelfde jaar, waarin hij de ‘Mona Lisa’ begon, kreeg Leonardo de opdracht van de signoria om in de zaal van de grote raad van het Palazzo Vecchio de zege van de Florentijnen op de Milanezen bij Anghiari te schilderen. Ertegenover zou Michelangelo, die Leonardo als een vijand zag, de slag bij Cascina uitbeelden. Toen Leonardo weer naar Milaan vertrok, was het werk nog niet af en ten dele door technische experimenten beschadigd. Tenslotte is het vervangen door fresco’s van Vasari. Het is bewaard gebleven in een kopie van Rubens naar een oude gravure. 

In dit werk, dat zijn tijd ver vooruit was, zijn vier ruiters in zulk een hartstochtelijke strijd omzet vaandel gewikkeld, dat de liefde van Rubens voor deze voorstelling, die hij in verschillende van zijn eigen schilderijen heeft verwerkt, gemakkelijk te begrijpen is. Het blijft echter een raadsel hoe het zelfs voor een genie mogelijk is om tegelijkertijd de klassieke rust van de ‘Mona Lisa’ en dit stuk onstuimige Barok te scheppen. 

In 1507 trad Leonardo in dienst bij de Franse koning Lodewijk XII, dei Milan bezet had. Hier wijdde hij zich voornamelijk aan de studie van anatomie, waterbouwkunde en vliegtuigbouw. Van 1513-1516 werkt hij in Rome in het Vaticaan en van 1517 af woonde hij in Frankrijk op het slot Cloux bij Amboise, waar hij in 1519 stierf. 

Uit zijn met de linkerhand in spiegelschrift geschreven aantekeningen hebben leerlingen een traktaat over de schilderkunst samengesteld, dat in losse zinsneden een heel stelsel omvat. Eén van zijn uitspraken was: ‘een schilder moet eenzaam zijn, want wanneer men eenzaam is, behoort men geheel aan zichzelf.’ Leonardo heeft zich aan geen vrouw, geen vriend of vorst, aan geest stad, zelfs aan geen soort werk gebonden. 

Zelfs Michelangelo was opgetogen over zijn werk. geen van de grote kunstenaars heeft zoveel onvoltooide werken nagelaten als Leonardo. Het ging hem niet om het werk zelf, maar om de arbeid eraan, het telkens opnieuw onderzoeken en ontwerpen, dat nooit aan het doe komt. De middeleeuwen hadden voldoening gevonden in het kunstwerk in de dienst aan God. Leonardo echter is de steeds opgejaagde mens van de nieuwe tijd. Van alle schepselen benadert hij het meest de schepper van de wereld, die met een oneindige liefde zijn schepenen vormt om ze dan met even grote wreedheid aan de vernietiging prijs te geven. De ironie, de tegenstellingen, liefde en vernietiging, verbindt, schijnt vorm te hebben gekregen in de veel omstreden glimlach, die symbolisch is voor het wezen van Leonardo. 

Bron: Geschiedenis van de Europese kunst, Hans Weigert

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *