Honderd parafrasen op de Daodejing van Lao Zi door C. van Dijk uit ‘Tao, universeel bewustzijn’ en ‘Teh, universele bewustwording’

In 1933 en 1934 werden er in totaal 569 parafrasen op de Daodejing van Lao Zi gepubliceerd. Die diepzinnige spreuken zijn op rijm geformuleerd door C. van Dijk en verdeeld over twee boekjes:

  1. Dijk, C. van: Tao – universeel bewustzijn (pdf), Nederlandse Keurboekerij Amsterdam 1933
  2. Dijk, C. van: Teh – universele bewustwording (pdf), Nederlandse Keurboekerij Amsterdam 1934

Beide publicaties zijn niet meer nieuw verkrijgbaar. Hieronder volgt een selectie van honderd op zichzelf staande citaten uit de beide boeken.

Onvergankelijk is levende kracht van ‘t ontstaan.
Want niets is wordend’, of  ‘t is reeds geweest,
In sluimertoestand – in d’Alwijzen Geest,
Waarin eenmaal al wat vorm kreeg, weder op zal gaan.

Tao 46

De “Alom-tegenwoordige” is onvergankelijk,
Want het is nu, en het is overal.
Het is alomvattend en voor alles toegankelijk.
Het is de éénheid, in veelvoud – ‘ getal.

Tao 50

De volmaakte openbaart zich al verdwijnend.
Lost op de vorm in het oorspronk’lijk “Zijn”,
Zoals ‘t “wezen” – kern omsluiert al verschijnend,
‘t “In-wezen” offert aan ‘t fantoom, de schijn.

Tao 51

Zich verliezen, is eind’loos zijn verwerven,
Het naakt blijft over, onder ‘t afgelegde kleed.
“Zich” is de schil, bestemd om af te sterven.
Terwijl ‘t onthulde ‘n nieuwe sfeer betreedt.

Tao 52

Aldus wordt zelf-verloren “één”.
Het nauwe kleed belette ‘t gaan.
Ontpopte vlinder blijft alleen,
En fladdert rond in ‘n nieuw bestaan.

Tao 53

Het leven is als ‘t water, dat stroomt naar laagste oorden,
‘t Neemt alles in zich op, en dringt in alles door.
Zo zoekt dan naar de “zin” dezer “klaterende” woorden.
Duikt durvend in de stroom met open hart en oor.

Tao 54

van dijk

 

Wie zich naar ‘t minste voegt, komt ‘t Hogere nabij.
Naar diepste plaatsen gaan, is met water stromen
Aan deze wet kan toch geen sterveling ontkomen.
Wie daarnaar ‘t leven richt, die maakt krachten vrij.

Tao 55

van dijk.017

Zich voegen naar het aardse, is in stof gewinnen.
Is bouwen in de stof, wat geest’lijk is ontstaan.
Aldus bevredigd zijn de schoonheidsdrift der zinnen,
Wordt stoffelijke “zin” – door “stof-vorm” aangedaan.

Tao 56

In de sfeer van de ziel is voegen: “zich verdiepen”.
Gereed zijn, openstaan, met zeilen in de wind.
Totdat in ons ontwaken, stemmingen die sliepen.
Totdat de “stroom” in ons ‘n kanaal tot doorgang vindt.

Tao 57

In de sfeer van ‘t gevoel is het: “liefde doen groeien”.
Aandoeningen vereed’len, “in ontroering zijn”.
d’Ontroering die uit mest, de wond’re bloem doet bloeien,
Die ‘t gist is in de druiven, die dronken maakt van wijn.

Tao 58

In gedachte-sfeerwordt aanpassing: “redelijkheid”.
Dus zoeken wij de “zin” van ‘t ons bestormend denken,
Dan kan ons niet meer ‘t anders denkend wezen krenken.
Want wie met “rede” denkt, is van zijn eigen dunk bevrijd.

Tao 59

In ‘t daadgebied is werkzaamheid: “zich voegen”.
Zodanig werkzaam zijn, dat daad wordt tot idee.
Daar ligt een eind’loos veld nog braak tot ploegen,
Zo wordt het werkzaam zijn: “perpepetuum mobiler”.

Tao 62

In nietigheid levend het werk volbrengen,
Verlangende, niet meer dan werktuig te zijn.
Naar binnen verwijden, naar buiten verengen,
Dat is voorbeeld gevend, en volgend de “lijn”.

Tao 68

Waar ziel heerst over zinnen,
Het fijne boven grof.
Daar zal het “wezen” winnen,
En past zich aan, – de stof.

Tao 69

Mens zijn is opwaarts streven.
een bloem naar zon gericht.
Het Geest’lijke voedt ‘t leven.
Het duist’re drinkt het licht.

Tao 70

Gevoel van and’ren sparen, doet zelf-tucht in ons groeien.
Gemeenschap grondt op wederkerigheidsgevoel.
Wat laag is moet omhoog en wat hoog is zich besnoeien.
Zo lost zich ‘t ego op, in ‘t hoog gestelde doel.

Tao 73

Lotswisseling voert tot ontvankelijkheid
Wie zelf dooreengewoeld werd, leert stormen begrijpen.
Slechts in doorploegde aarde kan ‘t korenzaad rijpen.
Koren geeft brood, brood onafhankelijkheid.

Tao 74

Het ware inzicht toont de onbelangrijkheid van ‘t weten.
Het weten dat op ‘t uiterlijk verschijnsel is gebouwd.
Inzicht is schouwen-in, daarbij zichzelf volmaakt vergeten,
Terwijl de wetenschap ‘t object vanuit zich zelf beschouwt.

Tao 75

“Scheppen dus en verder geven.”
“Vlam zijn, die ontbranden doet.”
Dat’s de grote wet van ‘t leven.
Is de stuwkracht in ons bloed.

Tao 76

Tè scherp zien, ontaardt in staren.
In de schaduw onontdekt,
Blijft nog zoveel te verklaren,
Sluim’rend buiten ‘t lichteffect.

Tao 86

Tè scherp luist’ren naar de dingen
Die luidruchtig langs ons gaan,
Maakt ons doof voor fluisteringen,
In ‘t zielsgebied ontstaan.

Tao 87

Wie geest van stof weet te onderscheiden,
Streeft niet naar aardse roem en eer,
Bewaart de afstand tussen hen beiden,
En leidt ze in de juiste sfeer.

Tao 100

Wie laag’re neiging goed wil leiden
Die leidt ze naar hoog’re af.
Zich van het “lager-zelf” bevrijden,
Is wederopstand uit het graf.

Tao 101

van dijk.018

 

De oorsprong van de stroom, is niet in zee te vinden.
De kracht die leven wèkt, mondt uit in het bestaan.
Naar buiten is de stof, die waait met alle winden,
Naar binnen stroomt de “Baan” door storm onaangedaan.

Tao 114

Eerst het rustpunt vinden,
Onbewogen staan.
Wat ons boeit – òntbinden,
Daarna voorwaarts gaan.

Tao 115

Meesters in wijsheid die de dingen doorgrondden,
Kenden “aanleg – “wezen” en “werkelijkheid”.
Wisten dat zij slechts in het aardse bestonden,
Om tot ‘t hogere te worden voorbereid.

Tao 116

Wie van de huidige intellectuelen,
Heeft de moed en de kracht om muren te slechten.
Opgestapeld verstand, dat het mensdom blijft knechten
Waarbinnen dwazen de rol van wijsgeer spelen.

Tao 126

Het leven is als het licht alom.
De mens de lamp, die het openbaart
En tijdelijk ‘t Licht in zich bewaart.
De mens denkt zelf ‘t licht te zijn – hoe dom.

Tao 131

Ieder wezen is een openbaring.
Wat wij zien, dat is het stoff’lijk kleed.
Het omhulsel sluiert de verklaring
Dús verklaart de wetenschap – concreet.

Tao 137

Terug dus naar de alleroudste bron.
Wie daar geland is, voelt zich als het kind
Dat weer in sprookjes zijn verstrooiing vindt
En weer gelooft in ‘t koninkrijk der zon.

Tao 138

Wie zich verheft in hoger sferen,
Brengt hoog’re ondervinding mee.
Als bouwstof om de mens te leren.
Van daad te groeien – tot idee.

Tao 139

O, indien we ‘t toch eens wagen,
Inplaats van geleerde boeken
Alles in ons zelf te zoeken;
Alles in ons zelf te vragen.

Tao 161

Aldus: zonder persoonlijk oogmerk te schijnen,
Is in waarheid zijn, van geen belang.
Een schip op de golven zich volgend naar ‘t deinen,
Getuigt méér van doel-bewuste gang

Tao 179

Maar wie er leeft, ‘t verstand negerend.
Hand’lend naar innerlijke drang,
Zich naar het wezenlijke kerend,
Die is in waarheid van belang.

Tao 184

Ik wéét – want zèlf ben ik gestorven,
En uit de gist weder opgestaan.
Wat mij bedierf, is zelf bedorven.
Ik ben in ‘t Eeuwige ingegaan.

Tao 197

Men kan één in vele delen scheiden
Toch is ieder weer één geheel.
Het object heeft voor ons vele zijden.
Het aanschouwend, zien wij slechts een deel.

Tao 198

De Volmaakte is som van alle delen.
Het deel streeft naar: “volmaakt te zijn”.
De gemeenschap is som van eind’loos velen.
Elk deel, ‘n gemeenschap weer in ‘t klein.

Tao 201

Maar wie geworteld is in ‘t eigen wezen,
Met alle poriën naar ‘t Licht gewend,
Kan in ‘t verborgen boek der Schepping lezen,
Zodat hij schijn van waarheid onderkend.

Tao 228

De hoog’re mens laat lust besterven,
En plant zichzelve geest’lijk voort,
Teneinde ‘t hoogste te verwerven,
Gebiedend over daad en woord.

Tao 247

Wie in zich zelf zich concentreert,
Wordt ‘t brandpunt van het Al-volmaakte,
En waarheen hij zich wendt en keert,
Blijft de door ’t Hoog’re aangeraakte.

Tao 275

Wie anderen beoordeelt, stelt een zoeklicht op.
Omstraalt aldus de vorm – doch dringt niet in het wezen.
Wel kan men sterk belichten, van voet tot top,
Zo kan men naam van ‘t boek , doch niet de inhoud lezen.

Tao 320

De stof is aan verval gebonden,
Eens brokkelt iedere vorm af.
De chaos is der vormen graf.
Kracht bouwt op eeuwig nieuwe gronden.

Tao 326

In het moment ligt d’eeuwigheid besloten.
De wijsgeer leeft in ‘t pasgeboren kind.
Zo wordt de pijl bewust naar ‘t doel geschoten.
Van hoog tot doel, kampt pijl met tegenwind

Tao 332

Zoals de vis niet leeft, buiten het afgrond duister,
Zo leeft de mens in drie-dimensionale sfeer.
Omsloten in de stof, kan hij niet meer uit zijn kluister.
Wie deze band verbreekt, bezit geen “zwaarte” meer.

Tao 345

Eerst wanneer het “ego” zijn zelfzucht heeft verloren.
En mens naast mens – gelijk het gras te velde staat,
Gelijkelijk ontroerd en in één ziel herboren,
Eerst dan is “broederschapsidee”, gegroeid tot “daad”!

Tao 350

Wie snel wil gaan, kan ‘t “tijdloos” niet begrijpen;
Wie deugdzaam is, die jaagt niet naar zijn loon.
Er is geen vrucht, die vóór haar bloei kan rijpen
Wie zoekt naar dank vindt ijdel eerbetoon.

Teh 4

Uit ‘t innerlijke licht in duisternis getreden
Werd mens gevangen in de “maya” van de stof.
Zijn hoog’re deugd stijft in de adem der gebeden
Tot een verstilde vreugd als Scheppers hoogste lof.

Teh 8

De vorm van verschijning is aan wetten gebonden.
De inhoud is de Geest die de vorm bepaalt.
Er kan geen inhoud zijn waar geen vormen ontstonden;
In de geringste vorm is Geest neergdaald.

Teh 26

Het ik-zelf, in de stof geïsoleerd,
Richt naar de stof-genieting zijn begeren,
Totdat ‘t, verzadigd, ‘t hoger-zelf ontbeert
En dus gelouterd tot zichzelve in kan keren.

Teh 35

Hij die volmaakt is in de kennis aller dingen,
is als een bron, waaruit de wijsheid eeuwig vloeit;
Het in hem stralend licht heeft niets meer te doordringen
Keert weer tot ‘t zaad, waaraan straks nieuwe bloem ontbloeit.

Teh 36

Hij die nabij is aan de kennis van het wezen,
Wendt zich dáárheen, vanwaar de bron ontspringt
Totdat hij, van de eind’ge baan des stofs genezen,
Zich baadt in ‘t eeuwig licht dat stof doordringt.

Teh 37

Wie voortschrijdt op het pad naar lager-zelf-bevrijding
Legt zijn begeerten als onnutte ballast af,
Betreedt dús naakt de tempel van de hoogste wijding.
Het voorportaal des Tabernakels is het graf.

Teh 40

Wie waarachtig zoekt naar het Waarom in ‘t leven,
En eerbied koestert voor de grote wetten van het “Al”.
Dien is de pelgrimsstaf reeds in de hand gegeven,
Daarmee kan hij zich heffen uit zijn zelf-bewuste val.

Teh 41

Gelijk – wanneer een steen de effen waterspiegel brekend,
In ‘t water zinkt, – het oppervlak zich cirkelend verspreidt,
Aldus doordringt ook Geest de Stof, bewustzijns-vonk ontstekend,
Terwijl het oppervlakkig denken cirk’lend zich verwijdt.

Teh 46

Op afstand kan men scherp omlijnd
Een berg zien of een toren;
Waar afstand slinkt, ‘t detail verschijnt;
Daar gaat ‘t geheel verloren.

Teh 50

Maar uit de wetenschap “ik ben”
Groeit: “Wat deed mij ontstaan?”
Dat  wat ik als ‘t “Ik-zelf” erken,
Blijkt ‘n subjectieve waan.

Teh 53

De “veelheid” uit het “Een” ontstaan,
is veelheid van de schijn.
Voor wie de weg terug leert gaan
Zal ‘t veelvoud éénvoud zijn.

Teh 56

Wat weegt zwaarder, iets verliezen of verwerven?
Ik antwoord u: Wees aan de bron gelijk:
Zij vloeit gestadig en kan zo oneindig derven.
Wie zo verliest, die is onnoem’lijk rijk.

Teh 67

Een mens is meester in zijn doen en laten,
Maar wie wil stijgen vinde eerst een trap.
In ‘t zich beperken ligt zijn meesterschap
Omhoog te springen zal hem weinig baten.

Teh 70

Waarom uit huis te gaan om ‘n mens te bestuderen?
Ziet, hebt ge niet u zelf als ‘t int’ressantst’ object?
Wat kan een grasveld u meer dan een grashalm leren?
Neem in u zelve waar de Geest, die’n mens verwekt.

Teh 84

Leer in u zelve zien. Wat geeft ‘t naar buiten schouwen?
Ziet ge in and’ren meer, dan g’in een spiegel ziet?
Wat kan een bloem dan meer, dan u haar blad ontvouwen?
Dat wat haar deed ontstaan, dat leert de vorm u niet.

Teh 85

Zo kan men vormen zien in alle variaties
En ied’re variant brengt nieuwe studie mee.
‘n Oneindig materiaal, ontelb’re complicaties.
Wie aan de vorm zich laaft, verwaarloost de Idee.

Teh 86

Ziet, de volmaakte stijgt en doet geen enk’le schrede;
Geen voeten kunnen gaan, waarheen zijn Geest hem draagt.
Op deze wond’re tocht neemt hij geen ballast mede,
Daar niet zozeer de reis naar ‘t grote Doel vertraagt

Teh 87

Ziet, de volmaakte weet dat vormen steeds verschillen,
Maar dat zij één zijn in ‘t gebied waar zij ontstaan.
Mee-aâd’mend in het ritme laat hij zich doortrillen;
Zo kan hij ‘t grote Werk des Scheppers gadeslaan.

Teh 88

Ziet, hoe hij doelbewust, zonder zijn wil te richten
Naar een bepaalde daad, het grote werk verricht.
Zijn wil is opgelost, als woorden in gedichten.
Hij schouwt de emanatie, hoe vorm ontstaat uit Licht.

Teh 89

Is eenmaal ‘t Licht in ‘t duister doorgebroken,
Erkent de mens zichzelve in ‘t heelal,
Dan kiemt het woord dat eenmaal uitgesproken
Hem vrij maakt van het aardse tranendal.

Teh 112

van dijk.019

Wat in zich zelf bestaat, leeft voort door alle tijden.
Wat zich aan stof verbindt, zal weer tot stof vergaan.
Er is geen compromis, zó kiest ge dan één van beiden,
Maar stilstand is er niet, slechts wiss’lend voortbestaan.

Teh 144

Wie al zijn krachten richt op ‘t uiterlijke streven
Die weeft een mistgordijn dat ‘t geestelijk licht verhult.
Een felle dadendrang voedt het begeerte leven,
O bodemloze put, die nimmer kan gevuld.

Teh 146

Hij die weet en erkent de samenhang der dingen
Opent niet de mond en spreekt niet luid
In meest volmaakte stilte kan slechts binnendringen
Gods stem, die ‘t profane woord niet uit.

Teh 150

Ziet, de mens wil zich in schone frazen uiten.
De waarheid echter is gelijk een diamant,
Die ‘t licht weerkaatst en breekt in vele ruiten,
Doch in het glans-effect verhult de binnenkant.

Teh 151

Boven roem en schand’ en valse eer verheven.
Uitingen van ‘s mensen hoogmoed ijd’le praal,
Leert de mens zich voegen naar ‘t simp’le leven
En vervult in deemoed ‘t hoogste ideaal.

Teh 154

Waarom anderen vrijwaren
Voor wat òns het leven leert?
Laat toch ieder zelf ervaren.
’t Doen voor anderen is verkeerd.

Teh 166

Ongeluk? Ge komt het tegen,
Ga het lachend tegemoet.
Ongeluk verkeert in zegen,
Zoals eb verkeert in vloed.

Teh 167

Heden leven, morgen sterven,
Wat ge hebt ligt in uw hand.
Heden winst in morgen derven.
Zo is ‘s levens buitenkant.

Teh 168

Recht gaan is een boog beschrijven.
Rechtuit loopt ge d’aarde rond.
Zo kan ‘t goed zijn, dàar te blijven,
Waar men in de aanvang stond.

Teh 170

‘t Eeuwig menselijk dwalen
Staart zich blind op ‘t schoon effect,
Dat het even zoveel malen
In waan-idee ontdekt.

Teh 172

Waarachtig hoog te staan is weten af te dalen;
Wat waarachtig groot is, komt het kleine tegemoet.
Wie zich niet buigen kan, zal geest’lijk eeuwig falen.
Het denkend brein is niets zonder de hand die doet.

Teh 197

Wie waarlijk wijs is zoekt geen kracht in grote daden
En rukt geen bomen uit die diep geworteld staan,
Maar strooit in will’ge aarde weder nieuwe zaden;
Als straks het ene kiemt zal ‘t andere vergaan.

Teh 212

van dijk.020

Wie licht-gelovig is zal weinig houdbaars vinden;
De “Steen der wijzen” ligt niet voor elk te grijp.
Wie naar ‘n beginpunt zoekt moet kluwen eerst ontwinden.
De vruchten die men plukt, zij werden langzaam rijp.

Teh 213

Neemt niets in ‘t leven licht en wikt en weegt uw drijven.
Denkt steeds aan het “waarom” en “wat” uw daden leidt
En maak een duid’lijk spoor voor hen die achterblijven,
Dan valt de weg u licht, hoe traag g’ook voorwaarts schrijdt.

Teh 214

Een mijlenlange weg begint aan uw voeten.
Waarom dan aarz’len, zet dan nu de eerste stap.
Waar allen eenmaal toch de weg beginnen moeten.
Er is geen and’re weg dan ‘t pad van leerlingschap.

Teh 219

van dijk.021

De wijze zal geen ballast voor zijn tocht vergaren,
Want uiterlijk bezit, drukt als een cent’naarslast
Hij maakt de krachten vrij met ‘t stijgen van zijn jaren.
Verliezen kan hij niets, want aan niets zit hij vast.

Teh 233

De mens in ‘t algemeen wil slechts maatschapp’lijk slagen
En kent slechts één gebod; Van mijn deel blijf je af.
Hij vecht of bidt, hij kruipt of heerst naar welbehagen
En juist als ‘t bijna lukt, zinkt hij terug in ‘t graf.

Teh 224

Niets wenst zich de volmaakte, hij toeft in ‘t wens-vervulde
en opgenomen in de oceaan van licht,
aanschouwt hij in verrukking het aan de Geest onthulde,
Onvergelijk’lijk stralend godd’lijk aangezicht.

Teh 226

Verborgen kracht – geheimnis – eeuwig ongeschonden,
O stille, klare bron, waaruit het leven welt,
In allerdiepste wezen zijn w’aan U verbonden.
Uit ‘t grote “Ene” vloeit de veelheid ongeteld.

Teh 233

van dijk.022

Laat af van anderen, ieder moet leren
Evenwicht zoeken naar lichaam en ziel.
Wie zo zijn leven richt kan niets meer deren:
Hij maakt zich los van het went’lende wiel.

Teh 239

Alleen erkenning van haar goddelijk in-wezen
Behoed de mensheid voor ‘t verzinken in de nacht
Hij overwint in strijd, want hoeft geen dood te vrezen
In vrede is hij sterk – door innerlijke kracht.

Teh 250

Het Ene houdt in stand, al wat is, werd en zal groeien,
Heel ‘t machtig universum – ‘t oneindig voortbestaan,
In eeuw’ge wisselwerking blijft ons het schouwspel boeien,
Wijl wij ‘t mysterie Liefde in alles ondergaan.

Teh 251

Vrede is als ‘n windstil dal
Schoot der moeder – diep en veilig.
Als Nirwana – droomloos heilig
Spiegelbeeld van ‘t godd’lijk “Al”.

Teh 257

Mijn leer is in één simp’le zin gezegd,
Mijn hand’len streng aan deze zin gebonden,
Maar door de mens veelzijdig uitgelegd,
Is z’als een kluwen om de kern gewonden.

Teh 265

Doch ik, die weg weet in ‘t labyrinth,
Laat mij niet door de dwaallichten misleiden.
Ik houd de draad die mij met de kern verbindt,
‘k Zie rustig toe waar and’ren doelloos strijden.

Teh 266

Ik speel geen rol op ‘s werelds praal-toneel;
Daarom schijn ‘k nietig aan de ijd’le mensen
Toch jagen z’allen naar een deel van veel.
Mij is ‘t Heelal – wat kan ik nog meer wensen?

Teh 267

Het allerhoogste weten is: erkennen niet t weten.
Deez’ negatieve wetenschap maakt ‘t mensdom stil-devoot
Wij weten meer in lettertekens dan analfabeten.
Maar niet één letter meer van ‘t diep mysterie “leven-dood”.

Teh 268

De vrees is een spookbeeld dat slechts kan bestaan,
Zolang wij het voeden met onze gedachten.
Treedt g’het tegemoet, durft ge het te weerstaan,
Dan lost het zich op in de lichtende krachten.

Teh 271

‘t Geloof aan de vrees wekt de angst voor de dood.
Het geloof aan ons nietig zijn remt ‘t opwaarts streven.
Geloof daarom niets dan: Het Ene is groot
En ons inwezen is: ‘t Eén ondeelbaar leven.

Teh 273

De volmaakte vermijdt met zijn kennis te pralen
En zijn macht te misbruiken tot stof’lijk gewin.
In de wereld zal hij tot de need’rigsten dalen
En zijn woord stijgt niet uit boven de daag’lijkse zin.

Teh 274

Daarom – Erken de wetten ongeschreven,
En spant uw boog en houdt uw geest gericht
Op ‘t hoogste doel waarvoor een mens kan leven,
“Herstellen van ‘t verloren evenwicht”.

Teh 296

De waarlijk wijze eist geen rechtsgevoel in and’ren.
Waarom voortvarend zijn? Hij erkent d’ene wet
Van oorzaak en gevolg, daar valt niets te verand’ren;
Armzalig is hij die daartegen zich verzet.

Teh 304

Beschouw u zelf dus als ‘n koning,
Die over ‘t lager “ik” regeert,
Maak van uw lichaam zo een woning,
Een tempel die uw afkomst eert.

Teh 313

De waarlijk wijze stapelt niet naar buiten,
Maar graaft naar binnen, naar verborgen schat:
Zijn rijkdom ligt in ‘t geven, in ‘t zich uiten
En zelf verlicht – wordt hij een licht op ‘t pad.

Teh 317

Boeken over Tao van Rozekruis Pers

LEES MEER OVER DEZE BOEKEN OVER TAO

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *