De esoterische werker Hiram Abiff werkte voor de exoterische religie. Gaan de hedendaagse hiramieten de kerk kennis en producten bieden?

Hiram Abiff, de meesterbouwer, een van de grote esoterische werkers uit het verleden, ontving een nieuwe hamer en een nieuw woord toen een van de cellen van lagere esoterische werkzaamheid, waarin hij de leiding had, door het dialectische drijven werd vernietigd.

Om deze dingen goed te begrijpen, moeten wij ons weer wenden tot het Heilige Boek, waarin dit alles voor ons esoterisch besef duidelijk wordt verklaard. We dienen dan allereerst de figuur van Hiram zelf te beschouwen.

Het woord Hiram beduidt, vrij vertaald, ‘broeder van de verheven Ene’, een aanwijzing, dat we hier te maken hebben met een van de groten van de geestesschool, een van de doorluchtige werkers in dienst van de universele leer. De benaming Hiram Abiff betekent: “Zoon van de broeder na de verheven Ene”. Een Hiram is dus een van de afgezanten, een van de dienaren van Hiram.

In een andere woordafbeelding kunnen wij Hiram Abiff ook lezen als: Hiram, de broeder van de verheven Ene is mijn Vader, hetgeen op hetzelfde neerkomt. Om nog duidelijker onze conclusies te kunnen maken omtrent het wezen van Hiram en de zijnen, wordt ons gezegd, dat Hiram de zoon van een weduwe is. Zoals we weten is dat een hoogst klassieke aanduiding voor het deelgenootschap aan de mysteriën.

In 1 Koningen 7:14 staat: Hij was de zoon van een weduwe uit de stam van Naftali. Op een andere plaats heet hij afkomstig uit de stam Dan. Deze schijnbare tegenstrijdigheid wordt opgeheven, als we de betekenis van deze twee stammen vernemen.

Iemand die uit de stam Naftali komt, de zoon van een weduwe uit de stam Naftali, is een ‘strijder’, een sterke mens, die zijn taak vervult met het zwaard van de geest. En daarom heet hij eveneens geparenteerd aan de stam Dan, want hij strijdt voor het hoogste recht, hij is een rechter voor Gods aangezicht. Zo zien wij Hiram en de Zijnen dus verschijnen als sterke strijdbare helden van god, als gelouterde, gecultiveerde zonen van het vuur.

De aanduidingen voor hun geestelijke staat en hun hermetisch beroep zijn talrijk te noemen. Hiram is de koning van Tyrus, dat wil zeggen dat hij een rotsman is, onverbrekelijk, onwankelbaar in zijn taak. Hij is een koning in zijn ambt, een beheerser van datgene, waartoe hij geroepen is.

De landpalen van Tyrus en Sidon zijn ons ook uit het Nieuwe Testament bekend. Christus zelf vertoefde er enkele malen. De Sidoniërs, dat zijn vissers. Zij vissen, naar hun koninklijk ambt, mensen uit het dialectische rijk, die daar gevangen zijn in de greep van de satanische machten. Zo kennen wij nu dus Hiram, Hiram Abiff en de zijnen, de koning van Tyrus, de Sidoniërs, de machtige vissers van mensen, de zonen van de weduwe, de gelouterde zonen van het vuur in een van hun creaties in de esoterische wereldgeschiedenis.

En wat ons nu het meest treft in de desbetreffende oud-testamentische mededelingen, dat Hiram wordt voorgesteld als een groot vriend, als-in-volkomen-goede verstandhouding levende eerst met David en later met Salomo. Op een psychologisch moment in de levens van deze beide koningen zien wij de hiramieten optreden.

David en Salomo, die, zoals wij weten, in hun vorstelijk ambt feitelijk de stoffelijke en geestelijke stuwkrachten van hun volk waren, in zichzelf de staat zowel als de kerk vertegenwoordigden, zien wij krachtig geholpen door Hiram.

Hiram helpt David bij het vestigen en funderen van zijn staat, en deze hulp wordt door David met dankbaarheid ontvangen. En Hiram steunt op diens verzoek Salomo bij het vestigen van zijn staat en ook vooral bij het vestigen van de Israëlitische kerk.

Wanneer wij dat lezen kunnen wij onze verbazing niet weerhouden. Bij het horen van die taal is het alsof hemelse klanken tot ons komen. Dat zou in onze dagen (omstreeks 1950) volstrekt onmogelijk zijn. Dat zou in onze eeuw worden aangeduid als een krankzinnigheid van de allergrootste vijand.

De zichzelf zo groot wanende geestelijke leidslieden zouden van het hedendaagse Tyrus en Sidon zeker niet willen leren, hoe men mensen moet vissen uit de ziedende levenszee. En toch moet het weer die kant uit, wil er nog iets van de kerk terechtkomen.

Vele kerken zuchten hartstochtelijk en oprecht naar een reveil. Doch dat reveil kan niet komen zonder de gevraagde, de dankbaar ontvangen en concrete hulp van de geestesschool, geheel en al naar het voorbeeld van David en Salomo. Want de godsdienst van de kerken is in de aanvang door de hiërofanten aan de massa geschonken

Dit oude klassieke fragment uit de esoterische wereldgeschiedenis toont ons, dat inderdaad een harmonische samenwerking tussen vuur en water mogelijk is, zonder dat de een de ander in zijn machtssfeer wil overvleugelen en vernietigen.

Wij in ons genootschap wensen niet de ondergang van de kerk, wij staan een regeneratie voor van de kerk, of de komst van een nieuwe. In 2 Samuel 5:11 lezen wij: ‘En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederhout, en timmerlieden en metselaars; en zij bouwden David een huis.’

Het huis van David, begrepen naar de stof zowel als naar de geest, is gebouwd door timmerlieden en metselaars. Timmerlieden en metselaars van Hiram, timmerlieden van de rangorde en de geestesscholing van Jozef de timmerman. En ook al zouden wij in het hiramitische rijk nog maar krullenjongens zijn of minder, beter dat, dan een professor in de theologie aan een van de armzalige scholen voor onmachtige exoterische, geestelijke leidslieden in onze bloed- en tranenwereld.

De kerk is in de aanvang steeds door de mysterieschool gesticht en de hoeders van de kerk hebben er een schandelijk wrak van gemaakt. David en Salomo schenen beide te hebben geweten en ervren dat hermetische kennis en kunde van de timmerlieden en metselaars noodzakelijk was om de kerk voor de onmondige abelmassa in stand te kunnen houden.

De mysticus heeft de magiër nodig om zijn werk te kunnen verrichten. Op welke wijze moeten wij ons de hulp dan denken? Moeten wij de hiramieten zien optreden als dominees en ouderlingen, als priesters?

Neen! Hiram zendt hout voor Davids huis, cederhout. Hiram zendt cederen voor het huis en de tempel van Salomo. Hiram zendt werklieden en kunstenaars in deze wereld. Hiram zendt naar alle rijken zijn timmerlieden en handwerkers, die in staat zijn edele metalen niet slechts te delven uit het aardediep, doch ze ook kunnen omtoveren tot wondervolle kunstwerken in het huis van de Heer.

Vooral cederhout speelt in de hiramitische bouwkunde en grote rol. We moeten verstaan dat dit cederhout het symbool is van het levende water, dat in zijn zuiverste substantie door Hiram Abiff naar zijn hoog koningschap kan worden verstrekt, aan allen die er hunkerend naar uitzien.

Daarom is zijn grootste en verrukkelijkste werkstuk de vervaardiging van het tempelbekken, gedragen door de twaalf dieren. Daartoe maakt hij de gegoten zee, van de ene tot de andere rand was zij tien ellen, rondom rond en een hoogte van vijf ellen, en een meetsnoer van dertig ellen ontving ze rondom. Zij stond op twaalf runderen, drie uitziend naar het noorden, drie ziende naar het westen, drie ziende naar het zuiden en drie ziende naar het oosten. En de zee was boven haar.‘

Denk niet aan een tempel, die ergens gestaan heeft. Denk aan de tempel van God, die door mensenhanden, mensenhoofden en mensenharten moet worden opgericht. Zo’n tempel is er een van vuur en water, het is de verbinding van vuur en water. Het is gelijk aan een gegoten zee. Een staat, die dat wil, een kerk die dat wil, staat verlangend en hunkerend tegenover alles wat tot de ere van God dient.

Het mystieke zielevermogen is volledig in staat om te weten waartoe het Vuur geroepen is, welke taak Hiram te vervullen heeft. David en Salomo wisten waartoe timmerlieden en metselaars met hun cederhout en hun magische kunstzinnigheid in staat zijn; zij wisten, dat zonder Hiram Abiff de tempel van God onder de mensen niet kon worden opgericht.

Daarom heeft Hiram, de koning van Tyrus, hen lief. Daarom zegt hij: Geloofd zij de Heer die de hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij de koning David, een wijze zoon, kloek in voorzichtigheid en verstand gegeven heeft, die een huis voor de Heer, een huis voor Zijn koninkrijk wil bouwen.

Daarom zend ik u een wijze man, Hiram Abiff, de zoon van een weduwe uit de dochters van Dan en wiens vader een man geweest is van Tyrus. Een man, die weet te werken in goud, in zilver, in koper en in ijzer, in stenen en hout, in purper en hemelsblauw, in fijn linnen en in karmozijn en om alle graveersels te graveren.

Zendt gij, zo spreekt Hiram tot Salomo, de tarwe, de gerst, de olie en de wijn, waarvan gij gesproken hebt. En wij zullen hout houwen uit de Libanon, en zullen het u met vlotten over de zee naar Javo brengen en gij zult het laten ophalen naar Jeruzalem.

Begrijpt u, ‘zend gij de tarwe, de gerst, de olie en de wijn’, waarvan gij gesproken hebt’. Dat zijn de symbolen van de zielekwaliteit, de waarachtige mystieke vroomheid. Als de kerk die bezit en er geheel uit leeft met een grote verfijnde gaafheid, geen seconde zich associërende met het luciferische en het satanische, dan kan Hiram zijn timmerlieden en metselaars met hun schatten zenden naar Javo, naar schoonheidshaven, om met de kerk, ieder op zijn wijze, de Grote tempel van God op te richten.

Maar de kerk en de staat hebben zich verkocht aan de aarde aards, bewust of onbewust, zij hebben zich overgegeven aan de beperking en verdwazing, tot in extense. En aldus werd en wordt het werkstuk van Hiram Abiff vernietigd, geneutraliseerd.

Schoonheidshaven bestaat niet meer en Hiram, de koning van Tyrus, werpt geen parels voor de zwijnen, noch rozen voor de ezels. Deze glimp op een fase van de esoterische wereldgeschiedenis stemt ons eerst tot blijdschap en daarna weer tot droefheid, want, na David en Salomo kwamen vorsten die verzonken in het duister.

De latere staat en de kerk brachten uit hun levenssfeer geen tarwe, gerst, olie en wijn meer voort. En als de collectieve volksziel dat niet meer vermag, kan het vuur zijn werkzaamheid niet meer verrichten.

Wanneer de ziel haar mystieke voortbrengselen duidelijk produceert, kan het vuur op zo’n basis vele hiramitische geschenken toevoeren, en kan eveneens het bekken worden gebouwd, waarvan het levende water de luciferische levenssfeer moet vernietigen.

Ik stel u dus voor deze wet: het product van de staat en het product van de kerk bepalen het product van de geestesschool. Daarom moet het voor allen, die in het ware Licht leven toch wel een hoogst ernstige zorg uitmaken, op welke wijze de verhouding tussen kerk, staat en geestesschool zich ontwikkelen gaat, want van die ontwikkeling hangt het toch af, welke signatuur de gebeurtenissen in de wereld gedurende een bepaald tijdsgewricht zullen dragen.

Is dus de geestesschool aan handen en voeten gebonden? Is hier inderdaad sprake van een niet op te ruimen belemmering? Wanneer kerk en staat niet meer willen en tenslotte ook niet meer kunnen, dan kan er van wereld- en mensheidsredding geen sprake meer zijn?

Gode zij dank niet! Want ik stel u voor een tweede glimp op de esoterische wereldgeschiedenis, die ons ten volle duidelijk zal maken, hoe en waarom Hiram Abiff zijn nieuwe hamer en zijn nieuwe woord ontving, waarmee hij alle gevaren van een niet meer willende of een niet meer kunnende staat en kerk zal weten te neutraliseren.

Om dit te begrijpen stel ik u dan tenslotte voor Matthéüs 16:13-2-. toen Jezus in de omgeving van Cesarea Fillipi gekomen was, vroeg hij zijn discipelen en zei: Wie zeggen de mensen, dat de zoon des mensen is? En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; anderen Elia; nog anderen: Jeremia of een van de profeten. Hij zei tot hen: En wie zegt gij dat ik ben?

Simon Petrus antwoordde en zei: Gij zijt de Christus, de zoon van de levende God! Jezus antwoordde en zei: ‘Zalig zijt gij Simon Barjona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn vader, die in de hemelen is. En ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze Petra zal ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het koninkrijk de hemelen en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen.’

Simon Barjona, de vurige dynamische dienaar van het levende water. Petrus de rotsman! Simon Petrus de visser. Dit alles tezamen is een overduidelijke signatuur voor een dienaar van Hiram, de koning van Tyrus en Sidon. Hij is van Tyrus, en dus een rotsman, hij is een Sidoniër en dus een visser van mensen.

Petrus, de nieuw-testamentische Hiram Abiff, een meester bouwer, een dienaar van de hiërofantale geestesschool, die de Christus als de zoon van de levende God herkent en als zodanig belijdt, met al de kracht die in hem is, met al de liefde die in hem is.

Zalig zijt gij, Simon Petrus, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is. Zalig zijt gij, want in u zal het koninkrijk van Tyrus en Sidon tot een nieuwe taak verheven worden. Zalig zijt gij Hiram Abiff, want in Christus wordt u gegeven een nieuwe hamer en een nieuw woord. Ik zeg u, gij zijt Petrus en op deze Petra zal ik mijn gemeente bouwen.

Waar staat enk kerk hun taak niet verstaan en machteloos worden, waar zij falen in het produceren van zielekwaliteiten als brandoffer voor het vuur, daar zal de nieuwe kerk en de nieuwe staat voortkomen uit en gedragen worden naar vuur, naar licht en water, door de hiramieten zelf.

Op deze Petra zal ik mijn gemeente bouwen! Hiram zal het zelf gaan doen! En de poorten van de hel, de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. Welnu, zo u zich verbonden weet met de timmerlieden en metselaars, eventueel als krullenjongens of nog minder, dan weet u dat een geestesschool en een vuurkerk de taak zullen overnemen daar waar de ouden faalden.

De paus meent, dat hij zit op de stoel van Petrus. Laten we hem in die waan. De protestantse kerken verklaren zich de gemeente van God. Laten we hen in die waan. Laten we hopen en bidden, dat uit al die geloofsgemeenschappen door vreselijke loutering, tenslotte opnieuw de vruchten van de ziel, zijnde tarwe, gerst, olie en wijn, mogen opwaken.

Maar in op- of neergang van de luciferische massa’s. Het grote werk van de Heer kan niet meer worden tegengehouden of vertraagd. Het gehele proces van wereld- en mensheidsredding is gelegd in de handen van Hiram, de koning van Tyrus, door Christus zelf, sprekende: Op deze Petra zal ik mijn gemeente bouwen.

Ik heb u te verkondigen, dat de staat en de kerk niet meer beslissend zijn voor het grote werk, net zo min als de rasgeesten ook maar iets meer te betekenen hebben in bevrijdende zin.

In het huidige pandemonium van de wereldgeschiedenis moge zo hier en daar een cel van lagere esoterische werkzaamheid aangegrepen worden, zulke incidentele verschijnselen doen het bekken van Hiram Abiff niet meer springen, omdat dit grote bekken vol levend water beschermd wordt door een nieuw woord: ‘Op deze Petra zal ik mijn gemeente bouwen,’ en beschermd wordt door en nieuwe hamer: ‘Ik zal u de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden zijn.‘

Nog eens, hoewel wij blijven streven en verlangen naar een herhaling van de Davidische en Salomonitische tijden in hun verhouding tot Hiram en de zijnen, de wet: het product van de staat en het product van de kerk bepalen tezamen het product van de geestesschool, moge dan ten dele nog wel steeds werkzaam zijn en als zodanig aan te tonen.

Doch langzaam maar zeker zullen de slagorden van Hiram Abiff deze wet omdraaien. Eerlang zal het zo zijn: het product van de geestesschool bepaalt de producten van kerk en staat. Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn!

Tekst: Het Universele Pad van Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri

Een gedachte over “De esoterische werker Hiram Abiff werkte voor de exoterische religie. Gaan de hedendaagse hiramieten de kerk kennis en producten bieden?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *