De leerling voor de tweesprong – hoofdstuk 4 van ‘De gnostieke mysteriën van de Pistis Sophia’ – J. van Rijckenborgh

 

BESTEL DE GNOSTIEKE MYSTERIËN VAN DE PISTIS SOPHIA

Iedere mens met de rozenknop in het hartheiligdom wordt getroffen door de elementaire stralingskracht van de Gnosis. Dat is de lichtkracht die van de zevenvoudige Wereldbroederschap uitgaat. En wie door dit licht getroffen wordt, ondergaat, het kan niet anders, een intense verontrusting, omdat de lichtkracht, die door middel van het oeratoom in het stelsel wordt opgenomen, in alle opzichten tegengesteld is aan de dialectische natuur. U zou het kunnen vergelijken met het ademhalen in een zeer vreemde atmosfeer en het gehele stelsel moet die ademsubstantie opnemen.

Tegelijkertijd gaan er van de Gnosis dienaren uit. Zij spreken van het licht, dat alle rozenknopdragers aantast. Zij getuigen ervan. Zij willen de zich ontwikkelende onrust niet stillen, want die onrust is juist het bewijs van reactie. Nee, de werkers van de Gnosis gaan die onrust richting geven. Zij gaan het doel van deze reactie verklaren en de leerling ‘recht plaatsen’ op het pad dat hij gaan moet. Wij hebben deze verontrusting vergeleken met het geladen worden met een geheel nieuwe dynamische energie. En deze energie moet worden aangewend.

Deze onrust is een spankracht. Daarom zal een leerling van de School van het Rozenkruis hebben na te gaan of hij die onrust, die heilige verontrusting, kent of gekend heeft. Kent hij die, dan staat hij en is hij opgenomen in het proces dat de School met de leerling gaat. Heeft de leerling de heilige verontrusting niet, of niet meer, dan is hij in feite geen leerling meer. Dan heeft een kristalliserende invloed macht over hem gekregen. Dan is aan de rozelaar zijn bestaansgrond ontnomen. De oorzaken van deze kristallisatie, van deze droomloze slaap van het oeratoom, houden verband met het feit dat de betrokkene zich geheel verbonden heeft met de krachten der natuur.

Nu willen wij u wijzen op de volgende fase van de heilige aanraking. Wie door de radiaties van de zevenvoudige Wereldbroederschap tot in het hart getroffen wordt en derhalve de heilige verontrusting ondergaat, en wanneer vervolgens aan die onrust richting, doel, wordt gegeven door de werkers die van de Broederschap uitgaan, dan liggen er twee mogelijkheden voor de hand:

  • de eerste is de ontwikkeling van een machtig verlangen naar het deelhebben aan de werkelijkheid van het nieuwe leven; wij noemen dat verlangen: heilbegeren;
  • de tweede mogelijkheid is de ontwikkeling van tegenstand, weerzin en vijandschap, en tenslotte een pertinente afwijzing van het pad.

Derhalve wordt iedere leerling tot een tweesprong gevoerd, waarna een pertinente keuze zal moeten volgen:

  • óf een mateloos verlangen naar het nieuwe leven, waarbij de gewekte spankracht der heilige verontrusting dan voor voldoende energie zorgt om het doel te kunnen bereiken,
  • óf de afwijzing van het pad, met de daarop volgende zelfneutralisatie.

Het krachtveld van de School is voldoende sterk om deze reacties te scheppen. U moet erop letten of u de keuze, die iedere leerling, op de tweesprong gekomen, moet maken, in haar diepste wezen goed verstaat.

Het betreft hier geen keuze die u hebt te doen na de een of andere verstandelijke overweging, of waartoe u bereid zou zijn in momenten van gewekte emotie. Nee, het gaat hier om een onvermijdelijke psychologische reactie, een ‘niet anders kunnen’. Niet in de zin van zelfdwang, of van een dwang die uitgeoefend wordt door derden, maar om de manifestatie van een onmogelijk af te wijzen innerlijke werkelijkheid, waarbij waan, exaltatie en suggestie geheel uitgesloten zijn. Men zou dus kunnen spreken van een soort zelfballotage, waarbij met zulk een volkomen zekerheid de innerlijke werkelijkheid aan het daglicht wordt getild, dat elke vergissing volkomen uitgesloten is.

Men kan het bijvoorbeeld een punt van overweging achten of iedere leerling in de voorhof van de Geestesschool wel als zodanig op zijn of haar plaats is. Men zou zich daarover zorgen kunnen maken. In een levende School, als die van het Rozenkruis, wordt echter iedere voorhofbewoner tot de bewuste tweesprong gedreven. En dan declareert hij of zij zichzelf.

U weet toch dat de Universele Leer zegt dat de waarheid en werkelijkheid bij iedere kandidaat aan het daglicht zal worden getild? ‘De waarheid móet zich vrijmaken!’ Welnu, laten wij nagaan hoe deze zelfdeclaratie dan tot ontwikkeling komt.

Op welke wijze ontstaat het verlangen naar het nieuwe leven: het heilbegeren?

  1. U wordt getroffen door de elementaire radiaties van de zevenvoudige Wereldbroederschap. Dat is de eerste handreiking van de Broederschap.
  2. Als u een geestvonkatoom bezit en uw levensgang daartoe aanleiding geeft, dan zal de heilige verontrusting in u komen.
  3. De werkers van de Broederschap geven doel en richting aan die onrust, zodat u uw staat-van-zijn in de wereld der dialectiek, uw staat van vreemdelingschap, begrijpen gaat. U gaat verstaan dat er een oorspronkelijk leven was en is en dat uw huidige microkosmische openbaring een karikatuur is, vergeleken bij de oorspronkelijke.

Wanneer u dat duidelijk gaat inzien, dan zal uw levensgang bepalen of er, als resultaat van deze innerlijke ervaring, verlangen ontstaat. Er ontwikkelt zich iets van inzicht, een onvernietigbaar verlangen naar het nieuwe leven. Welke levensgang bepaalt dat verlangen dan? De levensgang der ervaring. Het ware inzicht moet opwaken uit de ervaring, geboekt in het bloed. Filosofie, geloven op gezag, aanvaarden van een aantal leerstellingen, of een zich aanpassen vanwege familieomstandigheden, kan de vereiste psychologische toestand niet teweegbrengen. Slechts ervaring kan het verlangen wekken. Een leerling dient door de ervaring de wijsbegeerte van de School bevestigd te vinden.

Het is natuurlijk mogelijk dat reeds een formidabel stuk ervaring in uw onderbewustzijn, in uw bloed, ligt opgetast, als resultaat van een onmetelijk verleden, zodat een ervaringsbewustzijn reeds bij het begin van het leerlingschap aanwezig zal kunnen zijn. Maar, hoe dan ook, een ervaringsbewustzijn met betrekking tot de Universele Leer moet aanwezig zijn om het zo noodzakelijke verlangen te wekken, zodat de toestand ontstaat die ons wordt geschetst in Psalm 42:

‘Gelijk een hert dorst naar de waterstromen,
Zo smacht mijn ziel tot u, o God.
Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God.
Wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen ?’

Wanneer dat verlangen er is, dan is dat niet het gevolg van een wilsbesluit of van een raad, maar dan gaat het hier om een psychologische toestand, die het gehele wezen vervult, tot in iedere vezel. Dan is dit een innerlijke drang, een niet anders kunnen.
U vindt deze reactie dan ook getypeerd in (de tweede dag van) De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis. Daar wordt de kandidaat voor de keuze van een aantal wegen geplaatst en op een gegeven moment slaat hij spontaan, als door een innerlijke drang gedreven, een der wegen in die tot de innerlijke tempel voert.

U hebt wellicht vele malen de ervaring gehad, het gevoel, dat uw leven wordt geleid, dat u een weg gaat. Dat is ook zo. Maar niet in de zin, alsof krachten buiten u uw levensweg dirigeren. De innerlijke toestand, die uw wezen beheerst, uw bloedstoestand, die innerlijk dominerend is, dié bepaalt uw ervaring. Wie dit aldus geschetste verlangen bezit, roept magnetische krachten op van het nieuwe leven, die hem onvoorwaardelijk op de reeds eerder aangeduide basis het doel doen bereiken.

Wij willen nu bestuderen op welke wijze de afwijzing van het pad en de zelfneutralisatie tot ontwikkeling komt, waardoor de betrokkene, op de tweesprong aangekomen, de andere weg inslaat.

Volg bij dit onderzoek weer dezelfde weg. Een mens wordt getroffen door het elementaire licht van de Broederschap en de verontrusting ontstaat. Daarop wordt de betrokkene door de werkers van de School georiënteerd en recht gezet op het pad, met die ene, al het andere uitsluitende raad: Hij, die Andere, moet wassen. Het ik der oude natuur moet ondergaan. Maak dit pad recht voor uw God.’ Zo komt ook deze mens aan op de tweesprong. Doch hij kiest niet het pad van verlangen: hij gaat de andere weg.
Waarom? Wel, omdat het ervaringsbewustzijn nog in andere richtingen is georiënteerd.

Deze mens kan het pad tot bevrijding nog niet gaan, door een gelijke innerlijke overheersing waarmee de andere mens dat wél kan. Beiden toegerust met een geestvonkatoom, beiden aangeraakt door het elementaire magnetische veld van de Gnosis, beiden geappelleerd door de Geestesschool. Maar beiden kiezen elk een andere weg, vanwege de innerlijke drang, die uit het ervaringsbewustzijn oprijst. Wanneer men dat weet zal men nimmer ontsteld zijn als een leerling de School verlaat, de School móet verlaten. Want de School drijft tot zulk een zelfdeclaratie, tot deze zelfballotage. Men kan deze gang van zaken betreuren, maar het ligt voor de hand dat er eenmaal een tijdstip zal aanbreken waarop een juiste keuze zal worden gedaan, zodra de innerlijke toestand de betrokkene daarvoor rijp maakt.

Wanneer men de keuze tot zelfneutralisatie van deze mensen in elk der gevallen onderzoekt, dan ontdekt men steeds een grote verscheidenheid van motieven:
‘Ik kan het pad niet gaan, want ik moet voor mijn oude vader zorgen, die al mijn tijd opeist.’ Een vadercomplex verdringt dus het verlangen.
‘Ik trek mij terug, want mijn oude moeder kan ik niet vegetarisch laten eten en zij wil dat ik met haar meedoe. Als ik vlees zou weigeren, zou ik haar verdriet doen.’
‘Ik mag niet van mijn vrouw.’ Of: ‘Mijn man is erop tegen.’ ‘De opvoeding van mijn kinderen houdt mij geheel bezig.’

Een andere rubriek ligt op het terrein van de teleurgestelde zelfverheerlijking, waarbij men vanwege de ontmaskering zich tegen de School keert. Een derde categorie wordt gevormd door mensen die nog veel van dit leven verwachten en eerst hun ambities willen bevredigen.
Er zijn er ook die, hoewel zij schoon genoeg hebben van de natuur des doods, zichzelf ophouden door zelfverwijt en die steeds maar terugblikken op hun levenspad, overweldigd door zondebesef. In al deze gevallen wordt het verkeerde pad ingeslagen.
Een speciale groep vinden wij in hen die, voortgedreven tot de tweesprong, geen keuze kunnen maken en zich neutraal trachten te houden, geen verlangen en geen afwijzing uiten. Wij ontdekken bij deze mensen een komende kristallisatie, een verstening. Zij worden verkild.

Zo zien wij dan tenslotte die prachtige, levende noodzaak in de Geestesschool, dat iedere voorhofbewoner zich móet declareren, hoe dan ook. Dit is een van de doeleinden van de School. Op de basis van een ineigen psychologische toestand openbaart iedere kandidaat zichzelf en wij zien derhalve twee stromen: een stroom waarin het bevrijdende verlangen de opneming in het nieuwe levensveld verzekeren zal en een stroom die zich op een bepaald moment wenden gaat en weer tot het punt van uitgang terugvoert.

U zult met ons verstaan dat het ‘alles of niets’ van Ibsen en het ‘zo dan een ieder van u niet verlaat alles wat hij heeft, die kan mijn discipel niet zijn’ van Jezus de Heer, geen levenshouding is waartoe u op een gegeven moment kunt besluiten door de inzet van uw wil. Het is een levenshouding die groeit uit levenservaring. Het is een beker die men tot aan de laatste druppel leeg moet drinken. Deze beker kan niet aan de mens voorbijgaan. En als dan het ervaringsbewustzijn op een zeker moment geplaatst wordt voor beslissingen, dan zal de aard, de kwaliteit van dat bewustzijn bepalen welke beslissing zal volgen.

De beslissing staat reeds tevoren vast. U wordt geleid door de som van uw ervaringskwaliteiten in het bloed en u wordt, Gode zij lof en dank, door de Universele Broederschap nimmer losgelaten. Zij treft u met haar stralen, zij getuigt van u en jaagt u op tot de tweesprong. Vele malen bent u reeds teruggevoerd tot het punt van uitgang, maar eenmaal zult u doorbreken tot de hoogvlakten van het verlangen en de nieuwe morgenstond zien aanbreken.

Uit: De gnostieke mysteriën van de Pistis Sophia door J. van Rijckenborgh

BESTEL DE GNOSTIEKE MYSTERIËN VAN DE PISTIS SOPHIA

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN OVER DE PISTIS SOPHIA