Het begin van de inleiding van ‘De Nag Hammadi Geschriften’ van Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans

BESTEL DE NAG HAMMADI GESCHRIFTEN

In december 1945, werd in Boven-Egypte bij de plaats Nag Hammadi een opmerkelijke vondst gedaan. Een Arabische boer, Muhammed Ali al-Samman, die naar teelaarde aan het zoeken was aan de voet van het Jabal-al-Tarif-massief vond daar een kruik. Later vertelde hij over deze vondst: 

Rond zes uur ’s morgens, toen ik aan het werk ging, vond ik plotseling deze kruik. En nadat ik hem gevonden had, kreeg ik het gevoel dat er wat in zat. Dus bewaarde ik de pot en omdat het die ochtend koud was… besloot ik hem achter te laten en later weer op te halen om te kijken wat erin zat. In feite ben ik diezelfde dag nog teruggegaan en ik sloeg de kruik stuk. Maar eerst was ik een beetje bang, omdat er wel eens wat in zou kunnen zitten, een jinn, een boze geest. Ik was alleen toen ik de kruik stuksloeg. Ik wilde wel dat mijn vrienden erbij zouden zijn. Nadat ik hem stukgeslagen had, ontdekte ik dat er een boek met verhalen in zat. Ik besloot mijn vrienden op te halen om hun het verhaal te vertellen. Wij waren met zijn zevenen en we beseften meteen dat dit iets te maken had met de christenen. En wij zeiden dat wij er eigenlijk totaal niets aan hadden, voor ons was het gewoon waardeloos. Dus heb ik het hier naar de geestelijke leider gebracht en deze zei dat wij er werkelijk niets mee konden doen. Voor ons was het gewoon rommel. Dus heb ik het mee naar huis genomen. Sommige zijn verbrand en ik heb geprobeerd er een paar van te verkopen.’

LEES OVER DE LEZING OVER DE NAG HAMMADI GESCHRIFTEN IN DEN HAAG OP 19 FEBRUARI

Uit de kruik kwamen maar liefst 13 codices (lederen banden) met daarin 52 geschriften tevoorschijn. Door een aantal omstandigheden heeft het daarna nog een aantal jaren geduurd voordat het nieuws over deze spectaculaire vondst doorsijpelde. In het zwarte circuit werden door antiquairs goede zaken gedaan. Vervolgens ontbrandde er een strijd tussen geleerden die probeerden de teksten zo lang mogelijk voor zichzelf te houden om na een aantal jaren met de eerste publikaties te kunnen komen. De Nederlandse hoogleraar Gilles Quispel, die altijd geijverd heeft voor een goede, voor iedere wetenschapper beschikbare, uitgave van alle codices (banden), kan nog vele jaren daarna smakelijk vertellen hoe hij op het spoor kwam van de vondst:

‘Op een dag werd ik opgebeld door Josef Jansen, de egyptoloog, die vertelde dat een zekere Jean Doresse, een Fransman, bij hem (11) was die iets over opgravingen in Egypte aan het vertellen was waar ik zeker belangstelling voor zou hebben. Ik erheen en daar ontmoette ik Jean Doresse… (die) het over papyrusvondsten had. En wel de vondst bij Nag Hammadi. Ik werd toen erg enthousiast en schreef daarover aan Jung, van wie ik wist dat hij daar ook belangstelling voor koesterde. En toen de wetenschappelijke uitgaven van die belangrijke teksten volledig stopten omdat de Fransen daar in Egypte nogal erg koloniaal optraden en de Egyptenaren dus niet met de Fransen in zee wilden gaan (en zeker niet met Doresse, aan wiens kundigheden zij twijfelden), toen ben ik in staat geweest dankzij de hulp van Jung en een van zijn medewerkers op 10 mei 1952 de Codex Jung aan te kopen, die anderhalf jaar in de hoek van deze kamer heeft gelegen. En er was geen hond die zich ervoor interesseerde.’

Pas in 1950 verscheen er voor het eerst een uitgebreide beschrijving van de vondst door de Franse geleerde Henri-Charles Puech. Toch bleef de belangstelling uiterst gering. Tweeëneenhalve maand na de aankoop van Quispel viel het Egyptische koningshuis en dat was er de oorzaak van dat een deel van de teksten, die nog in Egypte verbleven, tot de herfst van 1956 in een kluis verdwenen. Een ander deel, met onder andere het beroemde Evangelie van Thomas dat door de Egyptische regering teruggevorderd was van een Cypriotische antiquair, zat jarenlang in een koffer die rondslingerde op het kantoor van de directeur van het Koptisch museum in Egypte. 

Pas in de jaren 1972 tot 1977 konden, onder andere door de inzet van de Amerikaanse geleerde James M. Robinson en door bemiddeling van de Unesco, alle nog niet verloren gegane geschriften gefotografeerd worden ten behoeve van een facsimile-uitgave die geleerden over de gehele wereld in staat stelde de teksten te onderzoeken en te vertalen. Een integrale vertaling in het Engels kwam ook onder supervisie van Robinson tot stand in het jaar 1977: The Nag Hammadi Library in English. Nu konden ook andere geïnteresseerden kennisnemen van de rijke inhoud van deze geschriften. 

In diezelfde tijd werden ook de teksten gepubliceerd van vier geschriften die aan het eind van de vorige eeuw in Berlijn opdoken en daarom de titel Berlijnse Codex hebben meegekregen. Opvallend hierbij was dat twee van de vier teksten ook uit de kruik van Nag Hammadi tevoorschijn waren gekomen.

Wat opvalt is dat er van verschillende teksten meerdere exemplaren in de kruik van Nag Hammadi zijn gevonden. Zo zijn er bijvoorbeeld drie exemplaren van het Geheime Boek van Johannes. Bij de vraag naar de herkomst van deze geschriften speelt dit element een belangrijke rol. Zoals gezegd zijn alle teksten oorspronkelijk in het Grieks geschreven in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling. In een latere fase zijn ze vertaald in het Koptisch, zeker voor het jaar 350 en in deze vorm in Nag Hammadi gevonden. Een particuliere verzameling lijkt wat onwaarschijnlijk, juist door de doublures (12) die voorkomen. 

De meest gevolgde hypothese is dat monniken van een vrij nabij gelegen Pachomius-klooster ze daar begraven hebben. In het jaar 367 had namelijk de aartsbisschop van Alexandrië, de immer strijdbare Athanasius, een zogenaamde paasbrief doen uitgaan, waarin hij een opsomming gaf van die geschriften ‘die tot de Canon behoren, die ons overgeleverd zijn en waarvan wij geloven dat ze goddelijk zijn… Alleen in deze boeken wordt de leer der goddelijkheid verkondigd.’ Deze lijst stemt nauwkeurig overeen met ons Nieuwe Testament. In dezelfde brief waarschuwde Athanasius voor de zogenaamde apocriefe boeken, evangeliën op naam gesteld van een apostel, die door ketters geschreven zouden zijn om ‘eenvoudigen van geest op een dwaalspoor te brengen’.

Nu is bekend dat Theodorus, abt van het Pachomius-klooster te Tabannisi opdracht kreeg om de 39e paasbrief te vertalen in de landstaal, het Koptisch en voor verspreiding ervan zorg te dragen. Het blijkt dus dat rond 367 na Chr. het nog nodig was om een opsomming van geschriften te geven die gelezen mochten worden en te waarschuwen voor apocriefe boeken. Een aantal monniken dat op hun pad naar heiligheid innerlijke steun vond bij het lezen van teksten die niet in de Paasbrief worden vermeld, zoals het Evangelie van Thomas en het Evangelie volgens Filippus, of het Geheime Boek van Jacobus of de Verhandeling over de ziel, zou zich hebben kunnen beraden. 

Nu de repressie groter werd en men in de bibliotheek werken kon vinden die niet tot de canon behoorden, was het gevaar van excommunicatie en daarmee verwijdering uit het klooster, groot geworden. Zo zouden de geschriften, zorgvuldig verstopt in een kruik, het klooster uit gesmokkeld kunnen zijn. De kruik werd begraven aan de voet van een bergmassief, niet ver van het klooster, waarna het bijna zestienhonderd jaar zou duren voordat ze weer opgegraven werd.

Wat maakt deze geschriften, buiten hun eerbiedwaardige ouderdom, zo bijzonder? Hoewel ieder geschrift op zijn eigen waarde moet worden getoetst en er zeker onderlinge kwaliteitsverschillen zijn, ligt ons inziens de grootste waarde toch wel hierin, dat we kennis kunnen nemen van een indringende spiritualiteit uit de eerste eeuwen van onze jaartelling, die in de gangbare geschiedenis steeds verder uitgefilterd werd, naar een zijspoor werd verwezen en tenslotte verketterd. Een aantal christelijke teksten uit de kruik van Nag Hammadi leggen een wortelstelsel van onze westerse cultuur bloot, dat door de latere christelijke kerk steeds meer overwoekerd en tenslotte uitgerukt werd.

De gevonden teksten werpen door hun aanvullende karakter een nieuw perspectief op de ontstaansgeschiedenis van het christendom en tonen onder andere een beeld van Jezus van Nazareth, dat door de latere kerkelijke traditie om allerlei redenen is aangetast en vervormd. Na ‘Nag Hammadi’ moet de geschiedenis van het christendom eigenlijk herschreven worden. En dat is niet gemakkelijk te accepteren voor vele christenen die, zoals Maslow het (13) uitdrukt, “de religieuze symbolen en metaforen concretiseren, die liever kleine stukjes hout vereren dan dat wat de voorwerpen vertegenwoordigen, diegenen, die woordformules letterlijk opvatten en daarbij de oorspronkelijke betekenis van deze woorden vergeten.”

Maar ook de niet-christelijke teksten zijn van een grote waarde. Men noemt de Nag Hammadi-geschriften weleens een ‘gnostische bibliotheek’ en hoewel niet alle geschriften onder die noemer vallen (denk bijvoorbeeld aan het fragment uit De Staat van Plato) is onze kennis over de (antieke) gnostiek sterk uitgebreid na de Nag Hammadi-vondst. Overduidelijk is, wat we al eerder wisten uit de zogenaamde Hermetische Geschriften, dat gnosis niet alleen een christelijk fenomeen is. 

Gnosis is van alle tijden en we vinden die in vrijwel iedere cultuur. Het Griekse woord gnosis wil zeggen: kennis, inzicht. Daarmee wordt niet de uiterlijke kennis bedoeld, maar innerlijke kennis. Het is de diepe kennis van de grond van ons bestaan. Zoals een volgeling van Valentinus het eens uitdrukte:

‘Gnosis is de kennis wie wij waren en wat wij geworden zijn,
waar wij waren en waarin wij geworpen zijn,
waarheen wij ons spoeden en waarvan wij verlost worden,
wat de geboorte is en wat de wedergeboorte.’

Gnosis betreft de kennis van de samenhang tussen mens en kosmos, en tussen kosmos en God, en tussen God en mens. Het is een kennis die niet aan te leren is, maar van binnenuit aangeboord kan worden. Om echter tot dit intuïtieve weten te geraken, is bestudering van de uiterlijke, exoterische, gegevens een goed middel. Het uiterlijke weten kan de aanzet vormen tot een verdieping naar binnen.

Gnostici hadden het diepe besef dat er een onzichtbare levenskracht was, die zij meestal aanduidden met God, maar soms ook met Geest en met nog vele andere benamingen; want eigenlijk schiet iedere naam tekort en kan het in wezen niet benoemd worden, omdat het van een grootheid en volheid is die binnen menselijke begrippen niet is te vatten. Vandaar ook dat die kracht, die oerenergie vaak in negatieve (dat wil zeggen: ontkennende) termen werd beschreven; het was eenvoudiger te beschrijven wat de onkenbare en onbenoembare God niet is dan wat hij wel is. Zo’n beschrijving vinden we bijvoorbeeld in een lofzang in het Geheime Boek van Johannes.

Bron: De Nag Hammadi Geschriften van Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans

LEES OVER DE LEZING OVER DE NAG HAMMADI GESCHRIFTEN IN DEN HAAG OP 19 FEBRUARI

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *