Korte inleiding tot het stoïcisme – hoofdstuk 1.3 uit ‘De stoïcijnse gids voor geluk’

BESTEL DE STOÏCIJNSE GIDS VOOR GELUK

Het verhaal van het stoïcisme begint aan het eind van de vierde eeuw v. Chr, wanneer een Fenicische koopman met de naam Zeno van Citium in een schipbreuk alles kwijtraakt en dan in Athene aankomt. Diogenes Laërtius vertelt ons wat daarna gebeurde:

Zeno leed schipbreuk bij Piraeus op een reis naar Fenicië met een lading purper. In Athene aangekomen, ging hij zitten in een boekwinkel, terwijl hij toen de leeftijd van dertig jaar had. Toen hij bezig was het tweede boek van de Memorabilia van Xeonophon te lezen, beviel dit hem zozeer dat hij informeerde waar dergelijke mensen (als Socrates) nog te vinden waren. Juist op dat ogenblik passeerde Crates, waarop de boekhandelaar op hem wees en zie: ‘Volg die man maar’ Van toen af aan werd hij een leerling van Crates.

Xenophons Memorabilia is een boek over het leven van Socrates, en Crates van Thebe was een bekende cynische filosoof. Het woord ‘cynisch’ had destijds niet zijn huidige betekenis (hetzelfde geldt trouwens voor ‘stoïcijns’), maar verwees veeleer naar een filosofie gewijd aan een minimalistische levensstijl en het streven naar deugdzaamheid, of de vervolmaking van je morele karakter.

Zeno studeerde bij Crates en een aantal andere filosofen totdat hij uiteindelijk, omstreeks 300 v. Chr, besloot zelf te gaan onderwijzen. Hij koos er bewust voor zijn lessen te geven in een open ruimte omringd door zuilen, direct naast het grote Atheense marktplein, de agora. Deze ruimte stond bekend als de Stoa Poikilè, oftewel geverfde poort. Van daar stamt de term die nu nog steeds wordt gebruikt: ‘stoïcisme’.

Zeno’s nieuwe filosofie stelde dat we ‘in overeenstemming met de natuur’ moeten leven, wat niet betekent dat we naakt door het bos moeten rennen om bomen te knuffelen (hoewel daar niets mis mee is), maar vooral dat we de menselijke natuur serieus moeten nemen.

Volgens de stoïcijnen zijn de voornaamste kenmerken die onze menselijke soort van alle organismen op aarde onderscheiden dat we in staat zijn om te redeneren (wat niet wil zeggen dat we altijd, of zelfs maar vaak, redelijk zijn) en dat we heel sociale wezens zijn. Vanuit deze observaties kwamen ze tot het fundamentele uitgangspunt van hun filosofie: het goede leven, wat de klassieke denkers een eudaimonisch leven noemde, is een leven waarin een mens de rede toepast tot welzijn van de maatschappij.

Derhalve waren de stoïcijnen kosmopolitisch: ze beschouwden de voledige mensheid als één grote broeder- en zusterschap. In tegenstelling tot de meeste andere filosofische scholen uit die tijd geloofden de stoïcijnen dat de intellectuele vermogens van vrouwen gelijk waren aan die van mannen. Ze ontwikkelden een uiterst praktische levensfilosofie, een benadering die soms wel wordt aangeduid als ‘de kunst van het leven’.

Wil je leren denken en handelen als een stoïcijn, dan kun je daartoe de zogeheten kardinale deugden gaan hanteren als moreel kompas bij alles wat je doet. Er zijn vier kardinale deugden: praktische wijsheid, moed, rechtvaardigheid en wijsheid. Ze worden op de volgende manier gedefinieerd. 

  • Praktische wijsheid betekent weten wat waarlijk goed voor ons is en wat waarlijk slecht voor ons is. Voor de stoïcijnen komt dit neer op het inzicht dat het enige waarlijk goede de deugd is, of voortreffelijkeheid van karakter, en het enige waarlijk slechte de ondeugd, of een gebrekkig karakter. Al het andere – met inbegrip van de zaken die de meeste mensen begerenswaardig vinden, zoals gezondheid, rijkdom, roem enzovoort – is ‘ethisch neutraal’, wat betekent dat zulke zaken redelijkerwijs te verkiezen zijn, of de voorkeur verdienen, maar in moreel opzicht neutraal zijn. Met andere woorden: rijk zijn is misschien prettig, maar maakt je nog geen goed mens; arm zijn is meestal onaangenaam, maar maakt je geen slecht mens; of omgekeerd.
  • Moed is de bereidheid om je moreel te gedragen in gevaarlijke omstandigheden, of in situaties waarin je je liever gedeisd zou houden om je niet bloot te stellen aan kritiek of vergelding. 
  • Rechtvaardigheid betekent je op een eerlijke manier naar andere mensen gedragen, hen behandelen zoals je zelf door hen behandeld zou willen worden, en altijd hun waardigheid als andere menselijke wezens respecteren.
  • Matigheid is de houding om alles in de juiste mate te doen, niet te weinig maar ook niet te veel. 

Een cruciaal aspect van de stoïcijnse leer is dat de vier deugden wezenlijk met elkaar samenhangen, omdat ze stuk voor stuk aspecten zijn van een fundamentelere deugd, die simpelweg aan te duiden is als wijsheid (in brede zin). […]

Hoewel de stoïcijnen een aantal gerichte praktische oefeningen hebben ontworpen om een beter mens te worden – van een dagboek bijhouden en mediteren tot milde vormen van tijdelijke zelfonthouding – kom je door een constante, aandachtige toepassing van de vier deugden al heel ver als het erom gaat je karakter te verbeteren en bij te dragen aan wat de stoïcijnen de menselijke kosmopolis noemen. 

Bron: De stoïcijnse gids voor geluk – Het zakboekje van Epictetus herverdeeld voor het moderne leven door Massimo Pigliucci 

BESTEL DE STOÏCIJNSE GIDS VOOR GELUK

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *