Het mysterie van de graal in het heden – voordracht van Hans Peter Knevel uit symposionreeks 7

BESTEL HET ROZENKRUIS EN HET MYSTERIE VAN DE GRAAL

‘Wat is de Graal?’ vroeg de jonge Artus. ‘Een schaal, een beker, die het bloed opving van de Gekruisigde!’
‘Is het zoeken naar de Graal dan het menselijke streven naar een hoger, ander leven?’
‘Nee,’ had de wijze geantwoord. ‘Het ís de zin van het leven en het is het enige dat aan het leven inhoud geeft.’
De Graal, een geestelijke brug, laat zien hoe de zoektocht van de mens in Oost en West naar deze zin is neergelegd in tal van graallegenden. Het boekje ‘Het Rozenkruis en het mysterie van de graal’ (Symposionreeks 7) gaat daar dieper op in.

INLEIDING – DE GRAAL: EEN GEESTELIJKE BRUG

De vele verhalen, sagen en legenden die om het motief van de graal geweven zijn, spreken van een queeste, een zoektocht naar de heilige graal, waaraan genezende en bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven. De mysteriefiguur Hermes Trismegistus sprak van het goddelijke mengvat, een krater, een graalbeker met de krachten van de Geest gevuld, omlaag gezonden tot genezing van de mensheid.

Door alle tijden heen werd de graal gezien als de verbindende schakel tussen de eeuwigheid en de tijd. Enerzijds als een beschermd levensgebied waar de zoekende ziel, na vele aardse weerstanden te hebben overwonnen, haar weg naar de eeuwigheid vindt, anderzijds als goddelijke kracht die de mens geneest van zijn fundamentele ziekte en van de dood, en hem omvormt tot een nieuwe mens, de werkelijke Mens.

Duidelijk wordt dat een ontmoeting met de geestelijke waarden van de graal het leven totaal verandert. Wie erin slaagt die onaardse energie te vinden, ontvangt eerstehands de goddelijke wijsheid, die tegelijk eeuwigheidskracht is. De ontmoeting met de graal stelt daarom de noodzaak van een ontstijgen aan de natuurlijke levensgerichtheid, een innerlijke verheffing tot een hoger vlak van leven, waar de mens binding maakt met de wereldziel en binnengaat in het rijk van de gnosis.

De in dit boekwerkje opgenomen teksten werden tijdens het symposion van november 2002 op het conferentiecentrum Renova te Bilthoven uitgesproken en overgedragen in de geest van de actueel werkzame kracht van de levende graal.

HET MYSTERIE VAN DE GRAAL IN HET HEDEN – HANS PETER KNEVEL

De wereld heeft sinds haar kinderjaren talloze magistrale vertellingen van velerlei aard mogen beluisteren. Haar geheugen is er rijkelijk mee gevuld. Het zijn vertellingen over de komst der goden – de koningen van de geest -, afgezanten en wijzen, en over de geschiedenis en de lotgevallen van de mens. Talrijk zijn de indalingen van de eeuwigheid in de tijd. Sinds mensenheugenis zijn zij onafgebroken tot openbaring gekomen en hebben in het tijdelijke vormen aangenomen van mythen, epossen, sagen, evangeliën, liederen, legenden, verhalen, sprookjes en overleveringen.

Het zijn vertellingen over de hoge afkomst van de mens, zijn verstrikking in de tijd, zijn homerische strijd tot terugkeer. Zij zeggen niet alleen iets over de zogeheten val van de mens, maar evenzeer over het horende doof zijn der mensheid, omdat zij tot in deze geboorte nog geen gehoor aan de roep tot terugkeer heeft gegeven. Over haar gevangenschap in het lijf van stof die niet meer als zodanig herkend wordt. Over haar bijna dodelijke ziekte die aan de ziel knaagt. Maar tevens over de vele aansporingen en mogelijkheden, die steeds in een ander, aan de tijd aangepast, gewaad gehuld gaan.

Eén van die gewaden draagt in deze cultuurperiode van de mensheid de naam graal. De legenden en vertellingen over de graal zijn diepzinnig en boeiend, met menigmaal een sterk romantische inslag. De betekenis is versluierd en symbolisch. Zij hebben jong en oud iets over te dragen, iets bijzonders, dat de mens, en met name de menselijke ziel, beroert en aanspreekt.

Hoewel de vertellingen over de graal veelal betrekking hebben op avonturen en zoektochten naar het volmaakte in voor ons traceerbare tijden en landstreken, en zij ook wetenschappelijk tot ver in de kenbare geschiedenis te achterhalen zijn – tot zij zich onvermijdelijk in de nevelen der tijd verliezen -, is de graal in wezen niet aan het fenomeen tijd gebonden. De graal is altijd actueel, want hij is, om het poëtisch te zeggen, als de oceaan der eeuwige volheid. Bij eb is hij als schijnbaar teruggetrokken, bij vloed treedt hij sterk op de voorgrond. Hij is als de ademhaling van een mogelijkheid tot bewustwording.

Enkele aspecten van de omvangrijke betekenis van de graal zijn hiervoor reeds in andere toespraken verwoord. In West-Europa hebben vooral de verhalen van Wolfram von Eschenbach en Chrétien de Troyes over de zoektocht van Parcival en de tafelronde van koning Arthur bekendheid gekregen. In deze bekende graalvertellingen wordt de zoekende mens op symbolische wijze bepaald bij een andere realiteit van verheven aard. Een realiteit, die hij in zijn eigen wezen dient te verwerkelijken. De helden en personages staan dan ook niet buiten hem, doch zijn eigenschappen van hemzelf die hij moet herkennen en die hij onder ogen moet durven zien.

Het mysterie van de graal in het heden heeft voor velen wellicht iets ongerijmds. Is mysterie iets mysterieus, iets geheimzinnigs? En waar komt ineens die graal vandaan en waar bestaat hij uit? Een mysterie als hier bedoeld duidt op iets dat voor de wereld der materie in al zijn gradaties verborgen is en blijft. De graal is geen stoffelijk voorwerp. De graal vertolkt een geestelijke realiteit die haar lichtkracht in het menselijke hart verspreidt en het zielenwezen direct aanspreekt.

Van binnenuit erkent de zoekende mens dat er een geestelijke realiteit is of moet zijn, maar hij beseft tegelijkertijd dat deze werkelijkheid niet meer de zijne is. Vandaar het vele en onbestemde zoeken. Juist ook in deze tijd. De mens moet ontdekken dat de graal geen stoffelijk voorwerp is dat in een diep woud of verborgen kasteel gezocht moet worden, maar dat het in het eigen wezen gevonden kan worden. Dan wordt het bewuste zoeken geboren naar datgene wat reeds van den beginne nader dan handen en voeten is.

Op deze tocht wordt de mens geconfronteerd met zijn onwetendheid, zijn onrust, zijn onvolkomenheden. Aspecten, die hij wil oplossen, waartegen hij in het strijdperk treedt en soms vecht totdat hij erbij neervalt. Maar er zijn ook ervaringen van zijn honger naar waarheid, zijn verlangen naar zuiverheid en reinheid, zijn hunkering naar genezing. Zijn heilbegeren. Dat was zo in der tijden gang, met de voorbeelden in riddergestalten; het is vandaag evenzeer het geval in ons gedachten- en gevoelsleven, onze gemoedsgesteldheid.

In de ‘evangeliën van de wetenschap’ wordt geschat dat het universum – waar onze wereld en wij mensen deel van uitmaken, in een zonnestelsel dat op haar beurt weer een minuscuul deeltje van een (‘ons’) melkwegstelsel is – bestaat uit enkele honderden melkwegstelsels. Deze schatting geldt nu, volgens de huidige staat van die wetenschap.

In het Evangelie van de Pistis Sophia wordt de uiterlijke schepping, het gebied van de twaalf eonen, waar de ziel middels haar boetezangen doorheen trekt, vergeleken met de diepste duisternis en wordt van dit gebied in een terugblik gezegd dat het door de andere geaardheid op een stofje gelijkt.

In het Aquarius Evangelie van Jezus de Christus wordt gesteld dat het domein van de ziel bestaat uit de niet meer zo snel vibrerende ethers van het geeststratum. In het langzamer ritme van dit domein worden de essenties van Leven en de Al-liefde openbaar. Aan de grenslijn van het zielendomein begon de ether nog langzamer te vibreren en werden de essenties tot een gewaad en werd de mens in vlees gehuld.

    • De mens, de Manas, de microkosmos, de Godmens, de Geestmens, de monade,
    • de ADM, de Adam-Kadmon, de geest-zielenmens, de zielenmens, de Jezusmens,
    • de Johannesmens, het gewaad, de gevallen mens, de natuurgeboren mens, de diermens, het vlees, de mens.

De essenties werden tot een gewaad en de mens werd in vlees gehuld. Als we over de mens spreken, over welke mens hebben we het dan? Wie zijn wij die zeggen mens te zijn? Het is duidelijk dat wij in en uit deze natuur geboren zijn en een vleselijk lichaam hebben en de weg van alle vlees gaan. Wij zijn vlees, dat wil zeggen bezielde materie. In elke cel van ons wezen huist bewustzijn. Daaruit is ons totale bewustzijn opgebouwd. Het bewustzijn van de mens. Alle levende wezens hier op aarde bestaan uit samengestelde materie en na verloop van tijd keert alles weer tot zijn oorsprong terug. De bezieling, het leven trekt zich terug in het etherlichaam en lost daarna op in het grote etherveld van de wereld. Deze gang geldt op termijn evenzeer voor onze aarde, het zonnelichaam en de sterrenstelsels. Jacob Boehme noemt het zichtbare universum niet voor niets het huis des doods. Het bekende ‘stof zijt ge en tot stof zult ge wederkeren’.

Maar er is wellicht toch meer. Meer tussen geest en vlees. Is DE mens in ons gehuld? En van welke aard is hij dan? De mens ervaart de verschijnende materie in al zijn gradaties als dé werkelijkheid, en dus ook zichzelf. Hij hecht zich eraan, want in zijn beleving is hij het zelf die die realiteit ervaart. Toch ondergaat hij tegelijkertijd de smart van de onbestendigheid, het vervlietende, de weg van alle vlees. Dat kan de ware mens, de manas toch niet zijn!

Hermes Trismegistus geeft in (boek 7 van) het Corpus Hermeticum op de vraag : Waarom heeft God de geest niet aan álle mensen toebedeeld, het antwoord: ‘Hij heeft gewild dat de geestbinding binnen het bereik van alle zielen als prijs voor de wedloop zou worden gesteld en dat Hij een grote Crater, met de krachten des Geestes gevuld, omlaag gezonden en een Boodschapper geschonken heeft met de opdracht aan de harten der mensen te verkondigen: Dompelt u onder in deze Crater, gij zielen die dit kunt; gij die gelooft en vertrouwt dat gij zult opstijgen tot Hem die dit mengvat omlaag gezonden heeft; gij die weet tot welk doel gij geschapen zijt.’

De graal, de schaal, de beker, het mengvat, de steen en andere soortgelijke benamingen zijn zoals eerder opgemerkt symbolische aanduidingen van een andere realiteit. Het is een verlaagde vibratie van een verheven werkzaamheid van een andere geaardheid in de tijd. Een werkzaamheid die de zielenmens aanspoort en oproept – zoals Hermes het zegt – zich onder te dompelen in de krachten van de geest, zich aldus te reinigen en deel te krijgen aan de Gnosis, de levende kennis Gods, die de zielenmens uittilt boven alle beperkingen. Met andere woorden, het zijn de krachten van de geest die hem wedergeboren doen worden. Voor alle duidelijkheid: niet als een soort bovennatuurlijke biologische openbaring, doch in het zuivere etherlichaam van weleer.

Uit het Corpus Hermeticum blijkt voorts dat alle zielen in staat zijn zich weer met de geest te verbinden, maar tevens wordt gesteld dat alleen de gezuiverde, de herboren ziel dit in werkelijkheid kan. De ziel die niet bij de grenzen van het verstand is blijven staan. Die dus in het heden het driedimensionale, het tijdruimtelijke in zichzelf overstijgt… Want de graal staat buiten het driedimensionale, buiten de afmetingen van het ons bekende tijd-ruimtelijke gebied. Niettemin is de graal een werkelijkheid. De¤ werkelijkheid. De werkelijkheid voor de mens die herboren is naar de ziel. Niet voor de stoffelijke natuurgeboren mens die op de materie in al zijn vormen van dichtheid is gericht. Voor hem lijkt de graal een mooi verhaal, bijna een droom of een fata morgana, een illusie.

Het geestelijke drukt zich via de de ziel uit in het etherisch-stoffelijke, maar kan er niet in traditioneel-wetenschappelijke zin door bewezen worden. Ook kan een lagere trilling zich niet in een hogere uitdruk- ken. Maar het hogere is er daarom niet minder werkelijk om. Integendeel. Er zijn vanouds her wel allerlei vormen van analogie en ook gelijkenissen die deze afschaduwing tot uitdrukking willen brengen. De muziek heeft dit ook altijd willen verklanken. Zo ook Wagner in zijn opera Parsifal.

Nog steeds lijkt de werkelijkheid voor tallozen uit materie en stof te bestaan. Uit de onloochenbaarheid van de uiterlijkheid en zijn zogeheten keiharde bewijzen. Maar hoe reëel is deze werkelijkheid die nimmer, nog geen deel van een seconde, aan zichzelf gelijk is? Die altijd in beweging wordt gehouden. En waardoor? Het zijn vragen die de mens door de eeuwen heen bezig hebben gehouden. De mens heeft altijd naar de oorzaken, de redenen en de samenhang van de schepping gezocht. Naar de wortels van zijn bestaan. Niet alleen de religie, maar evenzeer de wetenschap en de kunst hebben hierbij in de verschillende cultuurperiodes het voortouw genomen. Het zijn uitdrukkingen van de werkzaamheid van hart, hoofd en handen.

Thans heeft de wetenschap het voor het zeggen. Men zoekt het zowel in het grote als in het kleine. Het heelal en het atoom. De materie, het gradueel stoffelijke is nog steeds het uitgangspunt. Medelejèv kwam in 1869 met zijn periodiek systeem, waarbij de elementen in een zevenvoudige opbouw naar atoomgewicht werden ingedeeld. Het is een soort matrijs van de elementen der stoffelijke openbaring met waterstof als eerste element. Bij de radioactieve elementen: Uranium, Neptunium en Plutonium hield het ongeveer op, met wellicht Americium als nr.95 er nog bij. Toevallig waren de eerste drie ook de namen van de in de laatste eeuwen ontdekte mysterieplaneten Uranus, Neptunus en Pluto.

Volgens de ware esoterici zouden er nog drie mysterieplaneten moeten zijn. De wetenschap heeft er inmiddels één van berekend. Zo worden stoffelijke mysteriën dus druppelgewijs evenzeer kenbaar in het bewustzijn van de mens. De Rus Dmitri Mendelejèv was professor chemie aan de Universiteit van St. Petersburg en had verbindingen met de vrijmetselarij in Rusland. Scheikundigen zouden kunnen zeggen dat er inmiddels 118 elementen bestaan. Ja, dat is zo. Maar na nr. 95 zijn het geen vrij in de natuur voorkomende elementen, doch alleen onder energetische invloed. Zij zijn zeer kort levend en onvoorspelbaar in hun gedrag.

De wetenschap gebaseerd op het model van Newton gaat uit van stoffelijke bewijsbaarheid, aantoonbaarheid, herhaalbaarheid, concretie. Het blijken thans steeds meer vastgeroeste conservatieve uitgangspunten, die met de dag verder door nieuwe ontwikkelingen in de tijd achterhaald worden. Zo zijn bijvoorbeeld morfogenetische energievelden in de nieuwe wetenschappen voldongen feiten. Esoterici zouden hiervan zeggen: de astrale werelden in hun oneindige gedifferentieerdheid.

Er is in de wetenschap, vooral de atomaire wetenschap, vanaf circa 1900 veelvuldig onderzoek verricht naar de relatie tussen ruimte en tijd. Men kan zich voorstellen dat strikt genomen God daarbij de ruimte zou moeten zijn. Talloze mathematische modellen en formules zijn hiervoor opgesteld en beproefd. Men is er nooit uitgekomen. Wat wel opviel bij dit onderzoek en tot op heden onverklaarbaar is, is dat bleek dat bij alle berekeningen er steeds eenzelfde factor uitrolde, die men ‘PSI’ noemde. PSI staat scheikundig niet voor een bekende grootheid, maar betekent toevallig in het oud-grieks wel ‘ziel’.

De oude Grieken ten tijde van Plato en Pythagoras bezaten trouwens reeds een grote kennis van het kleinste deeltje. Daarom noemden zij het: atomos, hetgeen betekent: niet-snijden, niet-delen. Later ging het woord als ondeelbaar de wereld in, maar het betekent evenzeer niet- delen in de zin van niet-doen, ervan afblijven.

Heden ten dage heeft de kennis van het atoom zich enorm verdiept. Het atoom, het kleinste universum, blijkt thans een kern te bezitten die hier aanspraak op maakt. Een nieuw energieveld? Hoeveel universa in universa, maar dan niet als science fiction, maar als werkelijkheid? Wat was ook alweer werkelijkheid?

Hermes zegt in het zesde boek van het Corpus Hermeticum tot Asklepius: ‘Indien wij nu de universele Ruimte in ons denken overwegen, denken wij deze niet als ruimte, maar als God; en indien voor ons denken de ruimte als God verschijnt, is zij geen ruimte meer in de gewone zin van het woord, maar de werkzame Kracht van God, die alles omsloten houdt.’

Einstein introduceerde, naar verhaald wordt met de Geheime Leer van Blavatsky als inspirerende bron, de theorie van de vierde afmeting van de ruimte, de relativiteit, de betrekking tussen massa en energie en de betrekkelijkheid van beide. Thans is men via veel experimenteel onderzoek met lichtdeeltjes (fotonen), aangeland bij een theorie van golfbewegingen over snaarmodellen. Maar ook hiervan wordt reeds hardop gedacht dat er uiteindelijk alleen sprake kan zijn van electriciteit, energie, vibratie.

Hoe groot is de rek van betrekkelijkheid?

Vindt de wetenschap, en met name de moderne chemie, nu ongewild aan de grenzen van de materie een soort bewijs van de steeds lager wordende vibraties van de eeuwigheden die over haar rand heen in het vlees gehuld werden? De alchemisten kenden slechts vier elementen : vuur, lucht, water en aarde. Hiermee duidden zij o.m. de vier lichamen van de mens aan: het mentale, het astrale, het levens- en het stoflichaam. Tevens zijn het de vier openbaringen van het atoom. Ether wordt wel de vijfde openbaring van het atoom genoemd.

Het streven der alchemisten was er op gericht om met behulp van hun symbolische retorten de viervoudige mens der lagere vibratie, het lood dezer aarde, om te zetten, te transmuteren en te transfigureren tot de oneindig veel hogere vibratie van de goddelijke, de oorspronkelijke mens, het goud van de geest.

Ether is de bouwstof van de Alschepping. In een veel lagere vibratie is waterstof de bouwstof van het zichtbare universele uitspansel. De samenstelling water kennen wij normaal gesproken als vloeistof, maar ook onder omstandigheden als sneeuw, hagel, ijs of stoom en zelfs als grote energie. Het is een vorm van betrekkelijkheid die niemand verbaast. Onder dezelfde omstandigheden zal water zich uiterlijk steeds zo gedragen. Betrekkelijk recent Japans wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat water uiterst beïnvloedbaar is. Door gedachten, woorden, muziek en ook louter en alleen door aanwezigheid, door vibratie. De mens bestaat voor 80% uit water. Worden wij mensen niet allen ergens door beïnvloed en wellicht ook zonder het te weten gemanipuleerd? Waar blijft onze hooggeprezen zelfstandigheid, onze autonomie?

Reeds aan het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw werd aangetoond dat lichaamscellen van mens, dier of plant bewustzijn hebben en reageren op gedachten en emoties.Ook los van het moederlichaam gebeurt dit en zelfs over grote afstanden zonder verschil in tijd. In een artikel in Trouw van 16 september 2002 wordt geconcludeerd dat de wet op de orgaandonatie niet heeft geleid tot meer potentiële donoren. De overheid vraagt zich af of haar pr niet deugt. Maar, zo vraagt Trouw zich af, zou het niet kunnen zijn dat te veel vragen over leven en dood, ziel en bewustzijn onbeantwoord blijven? De mens is meer dan water, cellen, organen. Meer dan vlees. Mens, dier en plant hebben bezieling, bewustzijn. Alle materie heeft vormen van bewustzijn.

In het huis des doods is dit bewustzijn, deze bezieling evenwel van tijdelijke aard, gebonden als zij is aan de samengestelde materie. Daar waar leven is kan feitelijk geen sprake zijn van dood in absolute zin. Deze bestaat zelfs niet. Alleen de samengestelde materie valt steeds weer in elementen uiteen en dat wegkwijnen noemen we dood. Dood is niet de vernietiging van de samengevoegde elementen, maar de verbreking van de samenbindende eenheid. Andersom zou men daarom ook moeten durven constateren, dat er hier geen werkelijk leven kan zijn als men de dood zou erkennen. Er is dan hooguit een vorm van bestaan. Een aardse vibratie die in het concrete vlees gevangen ligt. Hier valt veel voor te zeggen, maar toch bezit de mens een meerwaarde.

In het joodse scheppingsverhaal (Genesis 1) wordt gewag gemaakt van de geest die over de wateren zweefde. De hoogste emanatie van de Onkenbare drukt zich uit in de oersubstantie. De schepping openbaart zich als ether. Hermes spreekt erover dat het Heelal zich in zeven cirkels openbaarde. Kosmologieën verhalen over zeven stadia van etheropenbaringen, van oorspronkelijk menselijk leven door geest, ziel en lichaam, van bewustwording. Jan van Rijckenborgh spreekt in het boek De Elementaire Wijsbegeerte erover dat zodra de Centrale Geest of Monade uit het oeratoom losbreekt, deze zich openbaart als een drievoudige geestgestalte, die uit de oersubstantie tot verwerkelijking van de oorspronkelijke drievoudige mens overgaat.

    • In het lichaam spreken de ziel en de geest,
    • In de ziel openbaren zich zowel het lichaam als de geest,
    • In de geest bewijzen zich de ziel en het lichaam.

Aldus was en is het eeuwig oorspronkelijke.In het vibratieveld waarin wij nu existeren zijn echter geheel andere verhoudingen van kracht. Hier verandert alles constant in zijn tegendeel. Wij kunnen ons zelfs niet meer spiegelen aan de oorspronkelijke etheropenbaring van de mens, ook al willen we dat nog zo graag. Vandaar de veelsoortige handreikingen, vandaar de indalingen van de Graal, ook in deze tijd. U en ik, als dragers, omhullers van DE mens, worden in dit leven voor de Graal geplaatst. Begrijpen wij het mysterie van de Graal dat zich in ons openbaren wil of zoeken wij hem buiten ons?

De driewerf grote Hermes heeft deze vraagstelling in het geschrift De Gastigatione Animae (Uitgegeven als: De vermaning van de ziel) reeds omschreven met :
‘Ge moet, o ziel, ware kennis verkrijgen over uw eigen wezen en over zijn vormen en aanzichten. Denk niet dat enig aanzicht waarover ge kennis wenst te verkrijgen, buiten u is; neen, alles waarover ge kennis dient te verwerven, is binnenin u.’

Nu de wereld binnen het sterrenjaar opnieuw een Aquarius Tijdperk wordt binnengevoerd, gaat haar mate van stoffelijkheid afnemen. De wereld wordt als het ware transparanter. Alles wordt openbaar, zichtbaar en bovenal kenbaar. Niets of niemand kan zich meer verstoppen. Kristallisaties worden opgebroken. Het oude huis begint te kraken in al zijn voegen. Maar het menselijke leed en de onvolkomenheid worden ook steeds duidelijker. De mensheid lijdt, haar ziel is ziek. Velen zien dat in en trachten haar op het juiste spoor te brengen. Maar waar en hoe is dit spoor te vinden?

Parcival, de mensheid, u en ik, zien in dit tijdsgewricht opnieuw de graal aan zich voorbij trekken. Zal de juiste vraag nu gesteld worden, de vraag naar het lijden van de innerlijke koning, het lijden van de oorsponkelijke geest-zielenmens, de mens die in het vlees gehuld is? De onwetende kan deze vraag niet stellen, nog niet stellen, want in dit opzicht kan niets geforceerd worden, maar deze mens kan wel door de werkzaamheid van de graal tot zoeken aangespoord worden. Want de leerschool des levens maakt de mens tijdens elk leven en door vele geboorten heen rijp. Rijp om zich af te vragen waarom hij mens genoemd wordt. Rijp om op zoek te gaan. Op zoek naar zijn waarom. Het is in het heden een zoektocht naar de moderne hedendaagse graal en haar spirituele betekenis.

Er wordt tegenwoordig veel over spiritualiteit gesproken. In het hectische leven van vandaag vindt dat dan zijn weerslag en uitdrukking in meditatie, inkeer en bezinning. De mens is op zoek naar evenwicht en rust. In zijn hoogste vorm brengt de mens het tot een soort mystieke vervoering of verlichting, een tijdelijk harmonie-model. Maar is dat nog wel mogelijk. Of beter gezegd: is dat wel de bedoeling in een tijd waarin het tweesnijdende zwaard van de kracht van de geest in de vorm van de graal weer gestalte heeft gekregen? Het zwaard waarvan de Jezusmens in het Mattheüs-evangelie zegt: ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard.’ Het is het vurige zwaard dat – evenals de symbolische schaal waarin het christelijke bloed, de geestelijke levensessentie, werd opgevangen – de kracht en het vermogen heeft het zuivere van het onzuivere te scheiden.

Spiritualiteit voor de op de materie gerichte mens is een ongerijmdheid. In feite een onmogelijkheid. Het is een zoethoudertje. Alleen wanneer de mens zich in het goddelijke mengvat onderdompelt, kan de geest zich weer met de dan gezuiverde of herboren ziel verbinden. Die eenheid gaat alle verstandelijke begrenzingen te boven. Het is de innerlijke openbaring van de alomtegenwoordigheid, de werkelijke vierde dimensie, die ook wel de doorgankelijkheid wordt genoemd. De doorgankelijkheid op weg naar de vijfde, zesde en zevende dimensie, de volstrekt geestelijke dimensies.

Het veld van ontmoeten is de graal. Het is een vibratieveld in een hogere, geheel onstoffelijke octaaf. De ware anti-materie, een vacuu« m in de wereld der polariteiten. De graal komt echter niet zomaar uit de lucht vallen. Hij moet verbijzonderd worden. Hoewel deze kracht van de bevrijding alomtegenwoordig is en dus ook in het driedimensionale universum alles doordringt, moet hij in het hier wel als een concreet veld van onaardse energie, van zuivere astrale substantie, gestalte krijgen. Hij moet tot een brandpunt gevormd worden.

Enerzijds is er dan ook sprake van een onaardse hulp die zoekt wat op dwaalwegen is geraakt, en anderzijds de mens die innerlijk ervaart dat hij die verloren zoon is. De hulp van de liefdekracht en de naar bevrijding zoekenden naderen elkaar stapsgewijs. Gelijk trekt gelijk aan. Op zeker moment is er dat punt van ontmoeten, ook een brandpunt, en dan begint de levende kennis van de Gnosis, de eerstehands kennis Gods zich procesmatig in de mens te openbaren. Maar allang daarvoor was er reeds als een soort inductie, een openheid, een ontvankelijkheid voor deze gnosis-werkzaamheid.

Dit is geen mystificatie, geen experimenteel gedoe. Dit is pure hogere wetenschappelijke werkelijkheid. Het is een kwestie van vibratie, van atomen die weer dragers worden van de spirituele essenties. Het is de vijfde ether in openbaring. Uiteraard niet zonder meer, maar door een proces van transmutatie en transfiguratie onder de mogelijk makende en beschermende condities van een meerdimensionaal krachtveld. Aldus bezien is de graal de dynamische energie van de oorspronkelijkheid in hedendaagse openbaring. En ook nu worden alle zielen die dit kunnen uitgenodigd zich erin onder te dompelen, zich te zuiveren en zich hiermee te laven. Kortom, er geheel en al uit te leven.

De vergaderden binnen de geestesschool van het Gouden Rozenkruis (organisator van dit symposion), zijn in deze tijd ook op zoek naar de graal. Naar de betekenis, de zin en het doel van het leven. Zij noemen deze levensvervullende zoektocht op een zeker moment de graalarbeid. Het is, en wellicht kunt u zich dat enigermate indenken, de bekroning op hun streven. Dit streven komt er kortweg gezegd op neer dat zij zichzelf tot in het diepste innerlijk hebben te onderzoeken en na te gaan of zij beseffen – en daar de consequenties uit trekken – naar de uiterlijke mens van deze wereld te zijn en naar de innerlijke mens een zieke koning Amfortas, wonende in een moeilijk toegankelijke burcht. Amfortas: de microcosmische koning, de oorspronkelijke menselijke geestziel, de mens gehuld in het vlees, hij die moet wassen tegenover het ik dat minder moet worden. In die zin zijn deze menselijke mensen moderne graalridders en tevens ridders van een tafelronde. Als het althans goed met hen is.

De graal heeft, zoals uiteen gezet, vele aspecten, gezichten en gedaanten. Hij openbaart zich steeds in het nu, maar is niet uit het hier en nu te verklaren. Hij is een intermediair Christi, een moderne ark. Hij is niet aan tijd gebonden, hij is alomtegenwoordig, etherische kracht, kosmische energie, een handreiking van de Gnosis, de poort des levens. De graal kent geen beperkende dimensies, hij is een vibratie uit het domein der ziele-mensheid.

De graal ontsluit zich voor hem, voor haar die beseft in een gebroken realiteit te leven en ernaar verlangt weer de volle realiteit onder ogen te mogen zien, erin op te gaan. Hij is dan als een hedendaags hemelschip.

De graal wil alle mensen verkwikken en hen de betekenis van het mens-zijn tonen. Hij wil gekend worden en maakt zijn essentie in toenemende mate in het bewustzijn van de mensen kenbaar. De graal gaat daarom ook altijd van het oosten naar het westen. Van het domein van het Licht naar de landen van duisternis. Hij is een baken in de nacht der tijden. Wie naar hem zoekt, zal ervaren dat hij in diepe zielenverbondenheid met vele andere zoekers op weg is. Wie de graal nog niet zoekt, op hem, op haar wordt gewacht, eveneens in diepe zielenverbondenheid.

De graal heeft zijn wortels buiten de tijd. Hij roept ons sinds onzegbare tijden, hij wacht op alle mensen in grenzeloos geduld. De waarheid, de werkelijkheid is niet wat wij denken dat ze is. De waarheid, de werkelijkheid ís.

Sterren, planeten, werelden, elementen, atomen, kernen, al dan niet ontdekt, zijn er in het tijdelijke altijd al geweest. De mens ontdekte ze pas, toen zijn bewustzijn ervoor ontvankelijk werd. Boodschappers, wijzen, evangeliën, geestesscholen, graallegenden zijn openbaringen van de eeuwigheid in de tijd. De mens die zijn hart hiervoor opent, wordt zich bewust tot welk doel hij geschapen is.

Bewustzijn verkrijgen, daar gaat het dus om. Bewust Zijn. Wellicht zei Gustav Meyrink daarom wel in het boek ‘Das Haus zur letzten Latern’ – en deze woorden wensen wij elkaar tot slot van ganser harte toe – : ‘Vandaag, na een lange en smartelijke nacht vielen mij plotseling de schellen van de ogen en nu weet ik wat de zin van het leven in werkelijkheid is.’

INHOUDSOPGAVE

  1. Inleiding
  2. De Graal in het Westen, Peter Huijs
  3. Zoektocht naar de wortels van de Graal, Frans Spakman en Henny Tomesen-Hellings
  4. De Graal als innerlijke werkelijkheid, Gerard Olsthoorn
  5. Het mysterie van de Graal in het heden, Hans Peter Knevel

BESTEL HET ROZENKRUIS EN HET MYSTERIE VAN DE GRAAL

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *