De wijsheid van Hermes – Symposionreeks 18

BESTEL DE WIJSHEID VAN HERMES

De wijsheid van Hermes’ biedt een inzicht in een spirituele en praktische weg, waarin de mens deel krijgt aan innerlijke groei, die erop is gericht dat het goddelijke beginsel eenmaal los van het materiële leven kan bestaan. In nieuw gevonden hermetische teksten,zoals het schitterende Inwijding in de achtsteen de negende sfeer, blijkt de ‘weg van Hermes’ de mens aan onze zichtbare wereld voorbij te voeren, voorbij de wereld van de zeven planeten, voorbij de achtste en de negende sfeer tot in het zuivere, eindeloze licht, tot in ‘het hart van God’, die in de mens de nous, de vonk van de geest is. Want het diepste in de mens is verwant aan, ja, één met het diepste in de kosmos. Een andere tekst is De Armeens-hermetische Definities van Hermes Trismegistus voor Asclepius, zoals ze officieel worden genoemd. Deze geven een compact overzicht van de gehele hermetische filosofie.

VOORWOORD

In het Egypte van rond het begin van onze jaartelling vonden eeuwenoude overleveringen hun neerslag in de wijsheid van de ‘driemaal grote’ Hermes. De bevrijdende inzichten die in het Corpus Hermeticum bewaard zijn gebleven, verrassen ons met actuele conclusies die in het leven direct toepasbaar zijn. Men kan concluderen dat de Wijsheid van Hermes een spirituele en praktische weg biedt. De mens krijgt deel aan innerlijke groei, die erop is gericht het goddelijke beginsel, dat de hermetici de nous noemden, zo te ontwikkelen dat dit los van het materiële leven kan bestaan.

In nieuw gevonden hermetische teksten, zoals het schitterende Inwijding in de achtste en de negende sfeer, blijkt de ‘Weg van Hermes’ de mens aan onze zichtbare wereld voorbij te voeren, voorbij de wereld van de zeven planeten, voorbij de achtste en de negende sfeer tot in het zuivere, eindeloze licht, tot in ‘het hart van God’, die in de mens de nous is. Want het diepste in de mens is verwant aan, ja, één met het diepste in de kosmos.

Een andere nieuw gevonden tekst bestaat uit de Armeens-hermetische Definities. Deze Definities van Hermes Trismegistus voor Asclepius, zoals ze officieel worden genoemd, geven een compact overzicht van de gehele hermetische filosofie. Deze teksten zijn positief en zonder een zweem van twijfel gesteld. Ze zijn als spreuken weergegeven en indrukwekkend in hun poëtische schoonheid.

Als alles wat aan Hermes wordt toegeschreven, laten ook deze definities voor de lezer geen enkele verwarring toe over de ware aard van God, de wereld en de mens. De spreuken vervullen de lezer met hoop en geven het vertrouwen, dat de zoektocht naar de ware, onsterfelijke aard bekroond kan worden met succes.

Over de lichamelijke mens zeggen de definities: ‘Je hebt niet het vermogen onsterfelijk te worden, noch hebben de onsterfelijken het vermogen te sterven.’ Maar tegelijk wordt in dezelfde spreuk over de onsterfelijke ziel gezegd: ‘Je kunt zelfs een god worden, als je dat wilt, want dat is mogelijk. Daarom: wil, begrijp, vertrouw en heb lief, en je bent het geworden!’ En in dezelfde geest is het treffend wat Hermes ons meedeelt in Het mengvat of de eenheid (CH IV):

‘Als je (het beeld van God) nauwgezet beschouwt en het met de ogen van je hart doorgrondt dan zul je de weg naar wat boven is vinden.’

Redactie Symposionreeks

DE HERMETISCHE KERN – ROELOF VAN DEN BROEK

Het gaat mij vanmorgen om de kern van het hermetisme. Ik zou u natuurlijk kunnen onderhouden – of vervelen – met historische beschouwingen over de figuur van Hermes Trismegistus, over de inhoud van het hermetisch denken en ervaren, over de verschillende invloeden die op het ontstaan daarvan gewerkt hebben, en over nog veel meer. Maar dat is niet mijn bedoeling. U kunt dat allemaal in mijn boek vinden, uitvoeriger en in een betere samenhang dan ik u vanmorgen kan bieden. Vandaag wil ik het met u hebben over wat naar mijn inzicht de kern van het hermetisme is en wat de actualiteit ervan is in de wereld waarin wij nu leven.

Allereerst moet worden opgemerkt, dat de hermetische visie op de werkelijkheid niet berust op een rationeel, logisch denkproces, waarbij men stap voor stap tot een bepaald resultaat komt, maar op een irrationele, intuïtieve, numineuze ervaring – de ervaring van de eenheid van het Al. Daarmee is meteen al gezegd, dat het in het hermetisme niet om filosofie gaat, maar om religie: hermetisch denken is religieus denken.

De ervaring van de eenheid van het Al houdt in dat alles wat er in de zichtbare en onzichtbare werkelijkheid is met elkaar samenhangt. Voor de hermeticus zijn er in die werkelijkheid drie concentratiepunten: God, de kosmos en de mens.

God is het begin en einde van alle werkelijkheid. Hij omvat alles. De kosmos komt voort uit God en wordt door hem omsloten; de mens komt voort uit de kosmos en maakt daar onlosmakelijk deel van uit. God, kosmos en mens kunnen niet los van elkaar gedacht worden, wie bij de een begint, komt onvermijdelijk bij de andere twee uit.

God is een eeuwig producerende, mannelijk-vrouwelijke bron van leven en zijn. In de zestiende verhandeling van het Corpus Hermeticum wordt dit duidelijk onder woorden gebracht:

‘God brengt spontaan alle dingen tot stand … En alle dingen zijn lichaamsdelen van God. Maar als alle dingen delen van hem zijn, moet men besluiten dat God alle dingen is. Dus: als hij alle dingen voortbrengt, brengt hij zichzelf voort. Het is ondenkbaar dat hij ooit zou ophouden de dingen voort te brengen, omdat hij zelf ook nooit ophoudt te bestaan. En zoals God (geen begin en) geen einde heeft, zo is ook zijn activiteit nooit begonnen en zal zij nooit ophouden.’ (XVI, 19)

Laat tot u doordringen wat hier gezegd wordt. Hier wordt gesteld dat het hele proces van het ontstaan van de wereld niets meer of minder is dan het proces van de zelfontvouwing van God. Of, zoals Hermes in traktaat VIII zegt:

God is niet door een ander ontstaan; als hij al ontstaan is, dan is hij dat door zichzelf. Hij is echter in het geheel niet op een bepaald moment ontstaan, maar is eeuwig in staat van wording.’ (VIII, 2)

Hetzelfde wordt in het vijfde traktaat opgemerkt: 

Hij (God) kan niet eeuwig bestaan zonder eeuwig alles te maken, aan de hemel, in de lucht, op de aarde, in de diepte der zee, in ieder deel van de kosmos, in het zijn en in het niet-zijn. Want er bestaat niets in heel deze kosmos wat hij zelf niet is.’ (V, 9)>

Hoe dat ontstaan van de wereld precies gebeurt, wordt in de hermetica op verschillende manieren beschreven. De hermetici hadden geen doctrinair systeem waarin precies was vastgelegd wat men wel of niet over het ontstaan van de wereld en de mens moest geloven. Men was daar vrij in, en het gevolg is dan ook dat je in de hermetische geschriften nogal tegenstrijdige wetenschappelijke opvattingen kunt tegenkomen – wetenschappelijke opvattingen die voor ons hoogstens historisch nog interessant zijn, maar in het licht van de huidige stand van de wetenschap geen enkele waarde meer hebben. Dat maakt de lectuur van de Hermetica soms voor moderne lezers behoorlijk lastig en daarom is enig commentaar bepaald niet overbodig.

Wat ons echter nog wel aanspreekt – dat doet het mij althans – , is de hermetische visie op de werkelijkheid. Ik noem een paar punten:

    • God is de oerbron van al het bestaande;
    • de totale kosmos van de oerknal tot de dag van vandaag is uit God voortgevloeid;
    • wij mensen maken van dat proces deel uit;
    • de mens is het enige schepsel dat zich van dat proces bewust is;
    • God komt in dat proces tot zichzelf en in de mens tot bewustzijn.

Wat mij hierin vooral aanspreekt, is dat deze visie uitstekend verenigbaar is met de moderne evolutietheorie. Allerlei theologische beschouwingen over hoe de leer van de evolutie met de leer van de schepping door God te verenigen is zijn in feite overbodig, en dat geldt ook voor de idee van een intelligent design.

Hier komt de vraag op of in het hermetisme nog wel van een persoonlijke God gesproken kan worden. Een paar jaar geleden zei een hoogleraar van de toenmalige Theologische Universiteit in Kampen, nu onderdeel van de Theologische Universiteit van de Protestantse Kerk in Nederland, dat hij met het sterk personalistische godsbeeld van veel christenen grote moeite had. Heel theologisch en kerkelijk Nederland viel over hem heen, terwijl deze theoloog alleen maar verwoordde wat in de traditie van het christendom al talloze malen gezegd is. In het hermetisme wordt het onpersoonlijke goddelijke in de aanbidding tot een persoonlijke God. Voor het vrome gemoed wordt het goddelijke persoonlijk. Dat blijkt heel duidelijk uit de hermetische hymnen, waarin de lof van de schepper wordt aangeheven. In de hermetische literatuur is God het goede en de Goede, het schone en de Schone, het eeuwige en de Eeuwige. In de ontmoeting wordt wat een ‘het’ is tot een ‘jij’.

M.aar tegelijk is er het diepe besef dat alle religie kenmerkt: dat God in wezen onkenbaar is. Hij is de ondoorgrondelijke grond van wat bestaat, maar toch kunnen we hem, althans ten dele, kennen uit de zichtbare werkelijkheid die uit hem is voortgekomen. En daarom is enerzijds geen naam toereikend is om hem te benoemen en zijn anderzijds daarvoor alle namen geschikt. In Corpus Hermeticum V wordt dit laatste als volgt toegelicht:

‘Hij is de God die te groot is voor een naam. Hij is de Onzichtbare en toch heel goed zichtbaar.(…)Er is niets wat hij niet is,want alles wat er is, dat is hij ook. En daarom heeft hij alle namen, want alles is uit e¤ e¤ n Vader afkomstig, en daarom heeft hij zelf ook geen naam, want hij is de vader van alles.’ (V, 10)

Voor het hermetisch besef is de mens met God verwant, maar dat houdt niet in dat hij in zijn aardse staat geheel met het goddelijke samenvalt. De hermeticus is zich dat bewust. Hij zegt niet met Willem Kloos:

‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
en zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
over mij zelf en ’t al, naar rijksgeboôn
van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.’

De hermeticus weet wél dat hij participeert in God, dat zijn diepste kern uit de goddelijke wereld afkomstig is. Dergelijke ideee« n waren overigens ook in de filosofie van de Sto|« cijnen gangbaar. En volgens Lucas zou ook de apostel Paulus van God gezegd hebben: ßIn hem leven wij, bewegen wij en zijn wijý, en instemmend een Griekse dich- ter hebben aangehaald die hetzelfde beweerde: ßUit hem komen ook wij voortý. (Handelingen 17, 28)

De verwantschap met God stemt de hermeticus trots en nederig tegelijk. In de meest geciteerde hermetische passage, Asclepius 6, zegt Hermes:

‘Daarom, Asclepius, is de mens een groot wonder, een eerbied- waardig en eerwaardig wezen. Hij gaat over in de natuur van God, als ware hij zelf een god. Hij kent het geslacht der geesten, omdat hij weet dat hij dezelfde oorsprong heeft als zij. (…) Wat een gelukkige synthese is de mens! Hij heeft omgang met de goden, omdat er iets goddelijks in hem is, dat met hem verwant is. (…) Zo staat hij op de best denkbare plaats, in het midden tussen hemel en aarde, en kan daardoor wat beneden hem is liefhebben en zelf door hogere wezens bemind worden. Hij zorgt voor de aarde.’

Trots, maar ook nederig. Geroepen om te dienen, omdat hij deel is van het totale goddelijke geheel. Ook hier is er een verschil met de visie op de werkelijkheid die in het christendom dominant is geworden. Daar gaat het toch primair om de verhouding tussen de zondige mens en de heilige God. De wereld – ook al wordt deze als schepping van God beleden – speelt in die verhouding geen wezenlijke rol. Zij is weinig meer dan het toneel waarop, de achtergrond waartegen, zich het drama tussen de mens en zijn God voltrekt.

In het hermetisme daarentegen is de mens een intrinsiek deel van die wereld, hij kan er niet van worden losgemaakt. Ook dat is in overeenstemming met de inzichten van de huidige wetenschap. Wij zijn met al onze fysieke en spirituele vezels gebonden aan de werkelijkheid die ons omringt. Om maar een ding te noemen: als de huidige klimatologische discussies en de feitelijke klimaatverandering ons iets leren, dan is het wel dat wij niet maar kunnen leven, produceren en consumeren, alsof wij met de wereld waarin wij leven niets te maken hebben. Integendeel, als wij dat doen, kunnen we onze eigen ondergang bewerken.

Een groot deel van de hermetische geschriften is erop gericht de lezer van de schoonheid van de schepping te doordringen en daarmee tot verheerlijking van de Schepper van het Al te brengen. Maar tegelijkertijd zijn deze geschriften doordrenkt van een hartstochtelijk verlangen naar eenwording met de grond van dat Al, God. Dat gebeurde in wat ik ‘geleide ervaringen’ zou willen noemen. Daarbij kwam een leerling onder leiding van een leraar tot een spirituele transformatie waardoor hij zich in een diep gevoel van geluk één voelde met het goddelijke, God. Wat daarbij precies gebeurde is moeilijk in woorden uit te drukken, zoals met alle mystieke ervaringen het geval is. Frans Maas, een groot kenner van de westerse mystieke traditie, heeft in dit verband gesproken over h gat in de taal. En hij citeert daarbij een woord van de theoloog Karl Rahner:

‘Midden in het onafgebroken weefsel van onze taal houdt het woord ‘God’ een lege plek open en dat is van het allergrootste belang.’ Alle beschrijvingen van spirituele ervaringen cirkelen om die lege plek; zo gauw ze proberen die lege plek af te dichten of te vullen met een onfeilbare waarheid verliest de ervaring haar betekenis.

In de hermetische teksten wordt de eenwording met het goddelijke op twee manieren beschreven. Ik kan daar nu niet uitvoerig op ingaan; in mijn boek heb ik er uitgebreid aandacht aan besteed. Kort gezegd komt het op het volgende neer. De eerste manier van eenwor- ding is die van een samenvallen met de totale werkelijkheid, de ervaring van een gelijktijdige aanwezigheid in alle dingen. En omdat alle dingen in God zijn en God in alle dingen is, betekent dit een samenvallen met, een opgaan in God. Dit wordt in traktaat 13 van het Corpus Hermeticum als volgt onder woorden gebracht:

Ik sta onbewogen voor God, vader, en stel mij de dingen voor, niet met mijn gezichtsvermogen maar met de geestelijke energie die de Machten mij schonken. Ik ben in de hemel, in de aarde, in het water, in de lucht. Ik ben in de dieren, in de planten, in de moederschoot, voor de schoot, na de schoot alomtegenwoordig.(…) Ik schouw het Al en mijzelf in de Geest.’ (XIII, 11 en 13)

De tweede weg is die van een opstijging door de zeven planeetsferen naar de achtste en de negende sfeer. De didactische en morele voorbereiding wordt beschreven als een opgang langs de zeven planeetsferen; de eigenlijke inwijding als het binnengaan en schouwen van de achtste sfeer, die van de vaste sterren, waar de goddelijke machten wonen, en tenslotte van de negende hemelsfeer, waar God woont. Zoals Corpus Hermeticum I, 26 het uitdrukt:

Zij geven zichzelf over aan de Machten en, zelf Machten geworden, komen zij in God. Dat is de gelukkige voleinding voor hen die de gnosis bezitten: God te worden!’

Tenslotte. De hermetische teksten bevatten veel ‘wetenschappelijke’ informatie die voor ons niet meer relevant is. Ze zijn tenslotte zo’n 2000 á 1700 jaar geleden geschreven en bevatten tradities die nog veel ouder zijn. Ik hoop u echter te hebben aangetoond dat de hermetische kern, dat waar het uiteindelijk om gaat, nog steeds een grote actualiteit heeft. In de oudheid was het hermetisme, voor zover we kunnen nagaan, tot kleine, wat elitaire groepen beperkt. Maar in onze tijd blijkt het hermetisch denken en ervaren voor velen die inzien dat de zin van het leven niet uit consumeren bestaat, grote aantrekkingskracht te hebben. Nu veel oude religieuze zekerheden aan het wankelen zijn geraakt, omdat ze het verband met het moderne levensgevoel verloren hebben, is er een nieuwe openheid gekomen voor de hermetische ervaring van de eenheid van het Al en met de onbeschrijfbare bron daarvan, God en het goddelijke.

Laat mij besluiten met een passage uit de hermetische Definities, waarin over het positieve en negatieve vermogen van de mens wordt gesproken:

Je hebt het vermogen vrij te worden, aangezien je alles geschonken is. Niemand is afgunstig op je. Alles is voor jou ontstaan, zodat je door één ding of door het geheel de Maker kunt begrijpen. Want je hebt ook het vermogen niet te willen begrijpen. Je hebt het vermogen gebrek aan vertrouwen te hebben en misleid te worden, zodat je het tegendeel van de wezenlijke dingen begrijpt. De mens heeft evenveel vermogen als de goden. Alleen de mens is een vrij levend wezen, alleen hij heeft het vermogen van goed en kwaad. Je hebt (als aardse mens) niet het vermogen onsterfelijk te worden, noch hebben de Onsterfelijken het vermogen te sterven. Je kunt zelfs een god worden, als je dat wilt, want dat is mogelijk. Daarom: wil, begrijp, vertrouw en heb lief, en je bent het geworden.’ (VIII, 6-7)

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord

I Voordrachten

De hermetische kern – Roelof van den Broek

De definities van Hermes – De absolute samenhang van de schepping – Anneke Stokman-Griever en Peter Huijs

Het compendium van Hermes Trismegistus – Joost R. Ritman

II Bijlagen

De hermetische hymne: een voorbereiding op de stilte – Jean-Pierre Mahé

De definities van Hermes Trismegistus voor Asclepius

Tentoonstelling Bibliotheca Philosophica Hermetica tijdens het symposion – Vitrineteksten – Cis van Heertum

BESTEL DE WIJSHEID VAN HERMES

LEES OVER DE DE BOVENSTAANDE BOEKEN OVER HERMES