Soefi’s en rozenkruisers putten allebei uit hermetische bronnen: Witteveen over Inayat Khan en zijn werken

BESTEL TERUG NAAR DE BRON 2 – SYMPOSIONREEKS 8

Hieronder volgt een voordracht die Johan Witteveen (1921-2019) heeft gehouden op het symposion ‘Terug naar de Bron 2’ dat is gehouden op zaterdag 10 mei 2003 op het conferentiecentrum Renova in Bilthoven. Witteveen was Nederlands econoom, politicus, voorzitter van het IMF en voorman van de Nederlandse tak van de soefi-beweging die gestart is door Inayat Khan

Er is één waarheid die de mensheid door de eeuwen heen heeft gezocht, soms vermoed, soms gevonden; en vaak weer verloren, in de dichtheid en bedekking van het aardse leven. 

Wanneer een mens iets van die waarheid aanraakt en beleeft, wil hij/zij die delen, overdragen. Uitdrukken in woorden is dan nodig. Die kunnen iets uit die bron van waarheid suggereren. Maar hoe logischer, nauwkeuriger en rationeel-consistenter men dit wil doen, hoe meer die woorden proberen de waarheid vast te leggen, hoe meer zij de bedekking worden die de levende waarheid verbergt. Dan kan een nieuwe onthulling van de waarheid komen wanneer een boodschapper of profeet die eeuwige waarheid weer een geïnspireerde vorm geeft. Dan kan ook het verlangen ontstaan om terug te gaan naar die oorspronkelijke bron, die misschien niet zo helder en logisch consistent was, maar die de geur opriep van die levende waarheid. Dat verlangen ontwikkelt zich sterk in onze rationele en materialistische tijd. 

Wij kijken hier dus terug naar die oude mystieke bron van de Egyptische wijsheid, die toegeschreven wordt aan Hermes Trismegistus, en waarvan later het een en ander is opgeschreven in de Hermetische geschriften. Enkele hoofdgedachten van dié waarheid drukt het Corpus Hermeticum zo uit: 

  1. Er is één schepper van de gehele kosmos, die alom tegenwoordig is en altijd bestaat, die alles gemaakt heeft en één en enig is. (Corpus Hermeticum) 
  2. De Goddelijke Geest leeft in de mens: ‘de geest,Tat, is uit het wezen van God zelf ontstaan… De Geest is niet afgescheiden van de Wezenheid Gods, maar komt als het ware uit Hem voort, zoals het zonlicht uit zijn bron’. ‘In mensen is de Geest een god’. (Corpus Hermeticum)
  3. ‘Maar de Ene, die niet is voortgebracht, is uiteraard zowel zonder uiterlijke verschijning als onzichtbaar, maar doordat hij alle dingen een uiterlijke verschijningsvorm geeft, wordt hij zelf door alle dingen heen en in alles zichtbaar….’ (Corpus Hermeticum)
  4. Die gedachte komt ook tot uitdrukking in de volgende uitspraak: ‘Heilig zijt Gij, van wie de hele natuur een beeld is geworden’. (Corpus Hermeticum)
  5. ‘Het vermogen Hem te kennen, Hem te willen kennen, daar op te hopen, is de rechte eigenlijke weg die leidt tot het Goede. En die weg is ook gemakkelijk, want op je reis komt Hij je overal tegemoet en openbaart Hij zich aan je geestesoog, waar en wanneer je het niet verwacht, als je waakt, slaapt, vaart, reist, ’s nachts, daags, als je spreekt, zwijgt, overal. Want er is niets dat Hij niet is’. (Corpus Hermeticum)
  6. Daarbij past ook de uitspraak: ‘Heilig is God, die gekend wil worden en door de zijnen gekend wordt’ (Corpus Hermeticum)

Het is maar een heel beperkte greep van citaten, waarin die ene waarheid spreekt, die uit de hermetische traditie tot ons komt. Uit die fragmenten blijkt duidelijk dat het om mystieke kennis gaat, het zich openen voor het innerlijke licht en de innerlijke vibratie. Deze waarheid komt dus tot ons niet uit een logisch wetenschappelijke, filosofische bron, maar uit een mystieke school, waar training en geestelijke inkeer speelt. Peter Kingsley heeft er ook op overtuigende manier op gewezen, dat de logische tegenstrijdigheden die in de Hermetische tekst schijnen te bestaan, zinvol zijn om de leerling er toe te brengen langzaam zijn beperkende begrippen los te laten. Het leerlingschap klinkt er duidelijk in door. En veel uitspraken hebben een onmiddellijk lichtgevende uitwerking. Kingsley noemt ook een in 1945 bij Nag Hammadi gevonden tekst, waarin gezegd wordt dat de leerling ‘die luistert, hetzelfde moet ontwaren als hij die spreekt en zijn bewustzijn moet delen; hij moet samen met hem ademen, dezelfde geest delen; zijn gehoor moet scherper zijn dan de stem van hem die spreekt’. Kingsley merkt hierbij op dat dit idee van geestelijk leerlingschap ook een grote rol speelt in het Perzische soefisme. 

Dat brengt ons op de manier waarop de oude Hermetische wijsheid zich heeft verbreid. Wij beleven hier een vertakking ervan, die door de Internationale school van het Gouden Rozenkruis gekoesterd wordt. In de Middeleeuwen, kwam het boek Asclepius beschikbaar in Europa, en in de Renaissance het Corpus Hermeticum. Dat maakte grote indruk. Talrijke geestelijke denkers en filosofen zijn er door geïnspireerd, zoals Marsilio Ficino, Spinoza, Giordano Bruno, Jacob Boehme en Paracelsus, die alle in symposia zoals het onze zijn besproken. 

En onze vriend Ritman heeft in zijn Bibliotheca Philosophica Hermetica een prachtige en unieke verzameling bijeen gebracht van hermetische en mystieke boeken die over vele eeuwen in deze traditie zijn verschenen. In de School van het Gouden Rozenkruis wordt ook de innerlijke weg naar verlichting gezocht, waar het de Egyptische Hermetici om ging. Ook de vrijmetselarij kan volgens de soefi filosoof L Hoyack uit de inspiratie van het hermetisme zijn voortgekomen.

Deze geestelijke stromingen zijn een uiterst waardevol en inspirerend tegenwicht geweest in onze steeds rationeler, materialistisch en technocratisch geworden cultuur, waarin het christendom in zijn dogmatiek het mystieke aspect – contact met de Geest – zo sterk heeft verloren. Het is begrijpelijk dat daaruit een diepe behoefte groeit om de weg terug te vinden naar de lichtende bron van oude wijsheid. Daarbij past ook de herontdekking van andere oude esoterische geschriften, waardoor nog meer aspecten van het Hermetisme en van de vroege Christelijke gnosis worden onthuld. Terecht spreekt professor Quispel over een ‘esoterische vloedgolf die door de wereld raast’. 

Maar ook langs een verre omweg van ononderbroken mystieke contacten in de stroom van het soefisme komt de eeuwige Waarheid weer tot ons in een nieuwe geïnspireerde vorm, als antwoord op de vragen van deze tijd. Welke wegen is die soefi-stroom gegaan? Dr. B.H. Stricker vermeldt in zijn mededeling over het Corpus Hermeticum aan de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, dat ‘de invloed van de hermetiek op godsdienst en letterkunde in het Midden-Oosten – waar men de hermetische teksten vanaf de vroege Middeleeuwen voor ogen had – groter is geweest dan in het Westen, waar ze eerst in de 14de en 15de eeuw bekendheid verkregen.’ Daarbij aansluitend wijst Stricker er ook op, dat van de hermetische traktaten in Arabische vertaling, het aantal groot is. Hij noemt Sezgin die, ‘voor zover met zijn werk gevorderd, 78 titels biedt van in handschrift bewaarde traktaten, waarvan slechts één is uitgegeven’.* Duizenden Arabische geschriften liggen dus nog op vertaling te wachten. Stricker stelt dat daar nog aan gewerkt moet worden om een beter en vollediger beeld te krijgen van de hermetische wijsheid. Hij hoopt dat zo, wat hij noemt: ‘Het ijzeren cordon, door de afgunst der gezamenlijke antieke volken rondom Egypte gelegd, kan worden doorbroken. Egypte, het heilige land: in zijn godsdienst prototype van jodendom, christendom en islam, in zijn hiëroglyfiek datzelfde van westerse filosofie en wetenschap. Wat eenmaal werd vernietigd, kan niet weder tot aanzijn worden geroepen. Wat van het oude wonderland en zijn cultuur nog overeind staat, is toereikend om het nageslacht tot in lengte van dagen te inspireren’. 

Er is dus nog veel werk te doen om die oude bron werkelijk, in zijn zuiverheid, terug te vinden. Zo heeft de hermetische wijsheid de zich vertakkende soefi-stromen diepgaand verrijkt. Henri Corbin beschrijft in zijn studie over de Perzische islam hoe de grote soefi Suhrawardi (1155-1159) een genealogische boom schetste van de Ishraqiyun, de denkers of zoekers naar het licht van de morgenzon. De bron van dat licht zag hij in Hermes Trismigistus en vandaar tekende hij een lijn van Zoroaster, de Perzische profeet – via enige soefi’s, onder andere Bastami en Mansur Hallaj -, naar hem zelf. Anderzijds schetste hij een lijn naar Pythagoras en Plato, die dan via Dhul Nun en andere soefi’s in het islamitische soefisme vloeit. 

Dhul Nun was in deze ontwikkeling van grote betekenis. Hij werd geboren in Akhmim in Boven Egypte omstreeks 771 (155 jaar na Mohammed, vroeg in de ontwikkeling van het soefisme). Er was daar een Egyptische tempel uit Faraonische tijd, waar hij moet hebben geleerd, de hiëroglyfen te ontcijferen. Er zijn werken van alchemie – de spirituele – aan hem toegeschreven. Hij leefde lang, had veel spirituele contacten, en heeft door het hele Midden-Oosten gereisd. Volgens R. A. Nicholson heeft hij meer dan alle anderen aan het soefisme zijn blijvende vorm gegeven.

De gespannen verhouding tussen de soefi’s met hun hermetische inspiratie en de orthodoxe islam komt kenmerkend naar voren in zijn conflict met islamitische wetsgeleerden die hem verweten ‘een nieuwe wetenschap te onderwijzen’. Hij werd gevangen genomen en op zijn 90ste jaar geketend uit Egypte naar Bagdad overgebracht. Maar toen hij daar voor de Khalif moest verschijnen, straalde hij zo’n heiligheid en zo’n waardigheid uit dat de Khalif de beschuldiging van ketterij onmiddellijk van tafel veegde en hem gastvrijheid aanbood in zijn paleis.

De gespannen verhouding tussen de soefi’s met hun vrije innerlijke beleving van het goddelijke en dogmatische islamitische rechtsgeleerden heeft vaak tot tragedies geleid. Zo is ook Suhrawardi in 589 op niet geheel duidelijke wijze ter dood gebracht na beschuldigingen van juristen, omdat hij stelde dat God in zijn Almacht opnieuw een profeet zou kunnen scheppen; terwijl in de koran Mohammed het zegel van de profeten wordt genoemd. Bekend is ook de terechtstelling van Al Hallajh die in mystieke extase uitriep An al Haq, ik ben de waarheid. Tegen die achtergrond is het des te indrukwekkender dat de persoonlijkheid van Dhul Nun zo grote indruk maakte op de Khalif, terwijl de beschuldigingen tegen hem in zekere zin juist konden zijn. Want ‘de nieuwe wetenschap’ die hij zou onderwijzen, kan heel goed betrekking hebben gehad op zijn hermetische wijsheid. 

Het was in verband met deze dreiging van orthodoxe kant dat latere grote soefi’s zoals Rumi, Hafiz en Saadi, het innerlijke licht bij voorkeur symbolisch en in dichtvorm hebben laten uitstralen. Zo bleef de inspirerende soefi-wijsheid door een aantal verschillende soefi-ordes met hun persoonlijke training en overdracht van de mystieke ervaring, doorstromen in het Midden-Oosten en vandaar ook naar India. En het was vanuit India dat Hazrat Inayat Khan een nieuwe universele inspiratie aan het soefisme gaf, die duidelijk dezelfde signatuur, dezelfde toonhoogte laat zien als de hermetische wijsheid. 

Hazrat Inayat Khan 

Hazrat Inayat Khan werd geboren in 1882 in de familie van bekende soefi’s en musici en werd zelf een hoog vereerde zanger en vina-speler, die in vele hoven van de Indiase Radja’s optrad. Maar al op heel jonge leeftijd trok de geestelijke zoektocht hem. Hij reisde door India om met heiligen en yogi’s in contact te komen – of deze nu Moslim, Hindoe, Parsi of Boeddhist waren. Hij ontmoette zijn inwijder, een soefi uit de Chistia soefi orde, met wie een heel bijzondere en diepe band ontstond. En deze Murshid Madani vroeg hem voor zijn sterven om de wereld een boodschap van soefisme te brengen die de Oostelijke en de Westelijke wereld zou harmoniseren. In die boodschap kreeg het soefisme een nieuwe, universele vorm, waarin naast de islam het jodendom, het christendom en het zoroastrianisme ook het hindoeïsme en boeddhisme hun plaats kregen. Met name de Hindoe-esoteriek met zijn prachtig ontwikkelde ademtraining waar soefi’s al eerder contact mee hadden – kreeg een belangrijke plaats in zijn innerlijke school.

Die universele benadering komt naar voren in de universele eredienst, een voor het publiek bestemde eredienst die aan alle grote godsdiensten een plaats geeft, in het ritueel en door middel van hun eigen heilige geschriften. Het menselijke bewuste is nu zo ver ontwikkeld, dat begrip ontstaat en ook een grote behoefte groeit – in onze multiculturele samenleving – aan dit idee van de eenheid van religieuze idealen. De tijd is gekomen om de innerlijke eenheid achter religieuze dogma’s te zien. Dan kunnen wij ook zien hoe – verborgen onder die opeenvolging van godsdiensten – een zich vertakkende innerlijke stroom werkt waar het goddelijke licht wordt ontvangen en in de Heilige relatie van het geestelijk leerlingschap wordt doorgegeven. 

Hoe verhoudt deze nu naar buiten tredende inspiratie van het universele soefisme zich tot de hermetiek? Er zijn – ondanks de duizenden jaren die deze beide scheidt – diepgaande en opvallende overeenkomsten, waarbij enkele hermetische grondgedachten binnen het universele soefisme op eigentijdse wijze kristalhelder zijn uitgewerkt.

  1. Over het wezen van God lazen wij al over de Schepper, die ‘Alom- tegenwoordig en Eén en Enig is’ en ook, zoals Hermes de Geest hoorde zeggen: ‘Het Al is één en vooral de geestelijke wezens zijn één’. Die centrale gedachte wordt prachtig uitgedrukt in de aanroep waarmee wij in de soefibeweging geestelijke activiteiten beginnen:
    ‘Tot de Ene, de volmaaktheid van liefde, harmonie en schoonheid, het Enige Wezen, verenigd met alle verlichte zielen, die de belichaming vormen van de Meester, de Geest van Leiding’.
  2. Over de relatie van God tot de mens lazen wij in het Corpus Hermeticum, hoofdstuk XII, dat de Geest ‘als het zonlicht uit zijn bron, uit de Wezenheid Gods voortkomt’ en daaruit volgt: ‘in de mens is de Geest een god’.
    Dit is ook de centrale gedachte in het soefisme die het in alle aspecten doortrekt. Zo lezen wij in bij Inayat Khan: ‘Juist zoals er vele stralen zijn van de zon, zo zijn er vele stralen van de Geest van intelligentie, met andere woorden, van God, het Ware Zelf. En elk van die stralen is een ziel. Zo is de straal de manifestatie van de zon en de mens is de manifestatie van God. De stralen verspreiden zich en reiken ver maar toch blijven zij verbonden met de zon’.
  3. En hoe wordt die Goddelijke uitstraling, die Geest, een mens? Een mens met een stoffelijk lichaam? Heel treffend beschrijft het Corpus Hermeticum dat ‘de Geest niet ‘naakt’, zoals hij op zichzelf is, zijn intrek neemt in een aards lichaam. En evenmin kan zo’n aards lichaam zulke eeuwige onsterfelijkheid dragen, een vergankelijk lijf huid tegen huid, zo grote volkomenheid torsen. Daarom heeft de geest de ziel als omhulsel ontvangen’. 

Bij Inayat Khan vinden wij dezelfde gedachte, al is de terminologie anders: 

‘De ziel ervaart het leven door middel van de psyche en het lichaam. Zonder tussenkomst van de psyche zou het lichaam niet kunnen fungeren als een goed voertuig voor de ziel’. De ziel komt hier dus overeen met de geest, de goddelijke uitstraling, en wat het Corpus Hermeticum ziel noemt is hier de psyche of de mind, die de faculteiten omvat van denken, voelen, geheugen en ego of identificatie. 

In dit proces van involutie, waar de Geest binnentreedt in de materie¤ le schepping, speelt het verschijnsel van weerspiegeling een belangrijke rol. In hoofdstuk XVII van het Corpus Hermeticum wordt dit verschijnsel aangeraakt. Wij lezen daar: 

‘het is dus zo, dat onlichamelijke beelden zich weerspiegelen in lichamen en omgekeerd lichamen in onlichamelijke beelden. Of, anders gezegd, de waarneembare wereld weerspiegelt zich in de geestelijke en de geestelijke wereld in de waarneembare’. 

Het is verhelderend om nader uit te werken hoe die weerspiegeling in het Universeel soefisme speelt. Hazrat Inayat Khan vergelijkt de ziel – de Goddelijke Geest in ons dus – met een spiegel. Wij lezen weer in Metafysica: 

‘de ziel, onbewogen als een spiegel (the soul stands alo of as a mirror), weerspiegelt iedere activiteit van psyche en lichaam.’

Zo kan ook de geboorte van de mens worden begrepen. In een diepzinnige passage in Metaphysica wordt dit zo beschreven: 

‘Het eerste dat we ten aanzien van dit onderwerp moeten begrijpen, is dat de ziel een ongedeeld deel is van het aldoordringende bewustzijn. Ze is ongedeeld omdat ze het absolute Wezen is, ze is volkomen gevuld met het hele bestaan. Dat deel ervan dat door een bepaalde naam of vorm wordt weerspiegeld, wordt zich van dit object meer bewust dan van alle andere objecten. Onze psyche en ons lichaam die op dat deel van het aldoordringende bewust- zijn weerspiegeld worden, maken dat deel van het bewustzijn tot een individuele ziel. Deze ziel is in werkelijkheid een universele Geest. Deze individuele ziel ervaart de uiterlijke wereld door middel van onze psyche en ons lichaam, de in haar weerspiegelde lichamen’. 

Het idee van de ziel als een ongedeeld deel (undivided portion) van het Aldoordringend bewustzijn is weer te begrijpen met de vergelijking van de straal van de zon. Alleen door weerspiegeling in de psyche en het lichaam, waarvan de Geest zelf de atomen tezamen heeft gebracht, ontstaat een afzonderlijke ziel omdat de ziel zich alleen van die psyche en dat lichaam bewust wordt. Een heel wezenlijk aspect van dit beeld is, dat de ziel zelf puur en onaantastbaar blijft, evenals een spiegel. Een spiegel verandert immers zelf niet wanneer daar allerlei verschillende beelden in worden weerkaatst. Zo is het ook met de ziel.

Ook het instrument van de psyche: hart en denkvermogen, heeft een spiegelkwaliteit. Wij zijn ons bewust van datgene waar onze aandacht op gericht is, voor zolang dat het geval is, en zodra onze aandacht naar iets anders verschuift, zijn wij ons daarvan weer bewust. Dat is een spiegelkwaliteit: ook de spiegel weerspiegelt telkens weer alleen datgene wat er voor wordt geplaatst. Onze wereld wordt daarom door Inayat Khan wel beschreven als een spiegelpaleis. Wij zijn actief, in handelen, spreken, denken en voelen. Anderen om ons heen ontvangen de uitwerking en uitstraling daarvan en weerspiegelen die weer, zodat ze die ook weer uitstralen en ze weer door anderen worden opgevangen en weerspiegeld, en ook naar ons terugkaatsen. 

Maar onze psyche heeft ook een ander vermogen: het geheugen, waarin alle ontvangen indrukken en doorleefde ervaringen worden opgeslagen als in een grote bibliotheek. Impressies die uit de spiegel van hart en denkvermogen verdwijnen wanneer die zich op iets anders richten, blijven bewaard en kunnen elk ogenblik weer uit het geheugen naar boven komen en voor de spiegel van het hart verschijnen. Zo vormt de accumulatie van die belevenissen een eigen wereld, waarin wij leven en waar wij ons mee identificeren. Onze psyche is dus tegelijk spiegel en fototoestel. 

En dan is er nog een derde belangrijke eigenschap van onze psyche. Zij heeft ook een creatief vermogen. Met alle ontvangen gevoelens, gedachten en indrukken die in het geheugen worden bewaard kan onze psyche werken. Ze worden weer opgeroepen als ze in verband met andere indrukken worden gebracht; er wordt leven aan gegeven en iets mee opgebouwd. Door inspiratie van uit onze ziel kunnen wij scheppend werkzaam zijn. Maar door de wereld die wij in ons opbouwen, worden wij in dit leven omvangen en ook gevangen in eindeloos voortgaande wisselende impressies. De ziel blijft zich dan bewust van die kaleidoscopisch veranderende buitenwereld en vergeet haar eigen goddelijke wezen. Dat is de hele tragiek van het leven. Maar het doel van het leven is juist om die gevangenis te doorbreken en ons weer van het innerlijk licht bewust te worden. Dat is het mystieke proces en dat is mogelijk. Want onze psyche kan naar twee kanten spiegelen. 

Inayat Khan ziet het hart – de diepte van onze psyche – als een spiegel met twee kanten die zowel kan reflecteren wat buiten ons is als wat binnen ons is. In een belangrijke passage in Metafysica wordt dit zo uitgewerkt: 

‘De ziel heeft twee verschillende kanten en twee verschillende ervaringen. Aan de ene kant is er de ervaring door middel van psyche en lichaam, aan de andere kant is er de ervaring van de geest. De eerste ervaring wordt de uiterlijke, de tweede de innerlijke genoemd. De aard van de ziel is als glas, transparant, en wanneer één van de twee kanten van het glas wordt bedekt, wordt het een spiegel. De uiterlijke ervaringen weerspiegelen zich in de ziel, wanneer de binnenkant bedekt is. Vandaar dat iemand, hoezeer hij ook gezegend mag zijn met uiterlijke kennis, niet noodzakelijk begiftigd hoeft te zijn met innerlijke kennis. Om innerlijke kennis te verwerven bedekt de soefi de buitenkant van zijn ziel, zodat het mogelijk wordt dat hij in plaats van de uiterlijke wereld de geest aanschouwt. Zodra dit volbracht is, ontvangt hij inspiraties en openbaringen’.

Die innerlijke ervaring te bereiken, daarom ging het de hermetische mystici. In hoofdstuk VII doet het Corpus Hermeticum een hartstochtelijk beroep op ons om die weg te gaan:

‘Laat u daarom niet meesleuren door de sterke stroom maar maakt gebruik van een tegenstroom. Loopt de haven van het behoud binnen, gij die in staat zijt deze te bereiken! Zoekt een gids die u de weg wijst naar de poort van de Gnosis. Daar is het stralende licht, dat vrij van duisternis is. Daar is niemand dronken, maar zijn allen nuchter en houden zij de blik des harten gericht op Hem die gezien wil worden. Want men kan hem niet horen, noch met woorden beschrijven, noch met de ogen zien, maar alleen met de geest en het hart.’

En in Hoofdstuk X. 5 wordt daaraan nog toegevoegd:
‘Want kennis is van Hem, is goddelijk zwijgen en buiten werkingstelling van alle zintuiglijke waarnemingen’. 

Zoekt een gids. Dat wijst naar het belang van geestelijk leerlingschap, dat kenmerkend moet zijn geweest voor de Egyptische mysteriën en dat in alle mystieke scholen van groot belang is. In deze tijd is dat moeilijk te begrijpen. Onze cultuur legt de nadruk op een zelfstandig en kritisch oordeel over ideeën en mensen en schrikt terug voor innerlijke overgave aan een geestelijke gids. Dat past niet in onze zo rationalistisch en materialistisch geworden cultuur. Maar op het geestelijk pad gelden andere wetten. Daar is het nodig om ons vrij te maken van vastgeroeste ideeën en gehechtheden die wij in de loop van de jaren hebben opgebouwd. Overgave en toewijding, het openen van het hart om de genade van het innerlijk licht te ontvangen, daar gaat het om geestelijke training door gebeden, contemplatie en ademhalingsoefeningen kan ons daartoe voorbereiden. We hebben dat nodig, want zoals het Corpus Hermeticum zegt: 

‘Nu zijn wij nog te zwak om de aanschouwing te verdragen, wij hebben nog niet de kracht de ogen van onze geest te openen en de schoonheid van het Goede te aanschouwen, die onvergankelijke, ondoorgrondelijke schoonheid. Pas dan kun je het aanschouwen, wanneer je niet meer in staat bent iets daarover te zeggen’.

Laat mij daarover dus niet verder spreken. De innerlijke school van de soefi beweging geeft de zoeker die zo nodige geestelijke training. Ik verheug mij in dit symposion te mogen schetsen hoe het ‘teruggaan naar de bron’ verschillende samenhangende betekenissen heeft: 

  1. Aandacht voor de inspirerende oude bron van de Hermetische mystieke wijsheid;
  2. Openheid voor de eeuwige bron van het geestelijk inzicht dat zich als een stroom met vele vertakkingen over de eeuwen voortzet en telkens een visie van goddelijke schoonheid geeft, en die dan van tijd tot tijd naar de behoefte van onze veranderende cultuur een nieuwe inspiratie, een nieuwe bron doet opspringen.
  3. En tenslotte achter dit alles de innerlijke bron van goddelijk licht in ieder van ons.

Soefi’s en rozenkruisers kunnen elkaar vinden in een gemeenschappelijke oude bron en in het inzicht, dat elk mens zijn eigen weg moet zoeken naar zijn innerlijke bron.

Bron: Terug naar de Bron 2, symposionreeks 8

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *