Nachtverhaal Paul Biegel over een huiskabouter die in de ban raakt van de vertellingen van een fee

BESTEL NACHTVERHAAL

De sprookjesachtige fantasie van Paul Biegel kent geen grenzen. Deze beeldschone vertelling over een kabouter die in de ban raakt van de verhalen van een fee is een hoogtepunt in zijn oeuvre. Door de bijzondere ontmoetingen met de fee vergeet de kabouter zijn plichten en brengt de bewoners van het huis in moeilijkheden. De prachtige illustraties van Charlotte Dematons brengen ‘Nachtverhaal’ tot leven. Biegel is de meesterverteller van de Lage Landen, een van de meest geliefde stemmen in de Nederlandse jeugdliteratuur. Hij is de schrijver van meer dan zestig boeken, waaronder het Groot Biegel sprookjesboek.

Een kabouter woont in een poppenhuis op de zolder van een oude vrouw. Hij leidt daar een kalm, misschien wat saai leven. Tot hij ineens een beeldschone fee aantreft. Hij weet dat feeën niet te vertrouwen zijn, en hij wil haar wegsturen. Maar dan begint ze hem haar verhaal te vertellen, elke nacht een stukje. Het is zo spannend en prachtig, dat hij het niet over zijn hart kan verkrijgen haar de deur te wijzen… Voorlezen vanaf ca. 7 jaar, zelf lezen vanaf ca. 9 jaar. Hieronder volgen de eerste drie hoofdstukken.

1. DE KABOUTER OP ZOLDER | RAT EN PAD IN DE KELDER | KLOP OP DE DEUR

De kabouter in dit verhaal was een gewone huiskabouter. Hij woonde op de zolder van een oude villa, vlak onder het rieten dak waarin de geheimen van de bewoners werden bewaard. Als het hard waaide, was in het geknisper van het riet nog het lachen te horen, en het praten en zuchten en vloeken en het stiekeme gefluister van de mensen die in het huis hadden gewoond. De kabouter wist die dingen nog beter dan het riet; hij had zijn hele leven op de zolder gewoond en al die tijd voor het huis gezorgd zoals een huiskabouter hoort te doen, zonder dat iemand het ooit merkt.

Vooral nu er alleen nog een oude grootmoeder in het huis woonde, ging hij iedere nacht rond om te zien of er geen kaars was blijven branden, of een lamp was vergeten uit te doen, of er niet nog een vonk gloeide in de haard of in de asbak, of alle gaspitten waren uitgedraaid, of er geen kraan drupte, geen leiding lekte, de deuren op slot zaten – en hij joeg alle muizen weg, kssjt kssjt, dan gingen ze.

Maar in de kelder woonden Rat en Pad. Die mochten daar blijven van de kabouter. ‘Als jullie je tenminste netjes gedragen,’ zei hij altijd.

‘Maar we doen nooit niksj!’ riep Pad iedere keer op klagelijke toon. ‘Helemaal niksj!’ Zijn tong was te lang. Dat hoor je.

Rat begon dan met een valse lach: ‘Pad? O, Pad is zo braaf. Pad doet niks. Hij piest op het spek, dat is alles.’
‘Hou je viezje leugenaarsjbek jijj!’ krijste Pad. Hij blies zich op van woede en spuugde gif.

‘Geintje,’ zei Rat. ‘Hij kan niet tegen een geintje. Ik denk dat ik hem maar eens opvreet.’

‘Wáág het!’ riep Pad, dik als een ton. ‘Wáág het!’

Rat waagde het nooit. Hij dacht niet dat Pad lekker zou smaken – zeker niet zo lekker als het spek in de kelder waar hij stiekeme hapjes van afbeet.

De kabouter zei: ‘Weet je dat ik nog nooit hier in de kelder ben gekomen zonder dat jullie tweeën ruziemaakten?’

Die twee kropen dan besmuikt terug naar hun huis: Rat in een hol achter de appeltjeskast en Pad in een spleet tussen de vloer en de muur.

‘Denk erom hoor,’ riep de kabouter ze na, ‘anders mogen jullie niet meer komen kaarten.’ Want eens in de week hielden ze een kaartavondje, de kabouter, Pad en Rat, boven op de zolder in het poppenhuis. Dat was daar neergezet toen de laatste kinderen van het huis grote mensen waren geworden, en de kabouter was er meteen in gaan wonen. Een kamer en een keuken had hij daar, en op de bovenverdieping nog een slaapkamer en een logeerkamertje. Het hele huis was vol tafels en stoelen en kasten en planken en laden en lampen en kleedjes en een dressoir met een echte spiegel. Zelfs een poppenwiegje stond er (op het logeerkamertje) en in de keuken een rij potten en pannen en een fornuis met een fluitketeltje dat echt kon fluiten als je erop blies. Maar dat deed de kabouter nooit.

Zaterdagsavonds werd daar gekaart. Pad en Rat kwamen naar boven – Pad op de rug van Rat – langs geheime sluipweggetjes achter het tengel, en klopten op de deur.

‘Wie daar?’ riep de kabouter, en: ‘Wij!’ antwoordden ze keurig, en dan mochten ze binnen.

‘Mooj huisj, mooj huisj, mooj huisj,’ zei Pad altijd drie keer, maar Rat ging meteen voor de spiegel van het dressoir staan om zijn snorharen te schikken. Ook rekte hij zijn kin om te zien of er nog geen kwabben onder zaten.

Pad niet. Pad schoof zijdelings langs de spiegel en keek pas op het laatste ogenblik schichtig opzij om te zien of hij nog altijd even lelijk was.

Ja, nog altijd.

Pad had er verdriet van. Levenslang verdriet van zijn lelijkheid, maar hij won vaak met kaarten, en dat scheelde. ‘Een sjmoel vol puisjten en blazen geeft een hand vol heren en azen,’ zei hij altijd.

Rat werd er woedend van.
‘Vuile Pad, je speelt vals!’
‘Ikke?’
‘Ja jij! Je hebt een troef achtergehouden.’ ‘Ikke?’

‘Ja jij! Klaverenaas. Daar heb je op gezeten.’ ‘Gesjeten? Ikke?’
‘Ja jij!’ schreeuwde Rat weer. ‘Met je breje bek!’

‘Ik sjit niet op m’n bek,’ antwoordde Pad. Hij begon zich op te blazen.

‘Hou op!’ riep de kabouter. Hij kreeg er alweer genoeg van. Hij wilde die kaartavondjes ook eigenlijk niet meer, ze eindigden altijd met ruzie. Waarom vraag ik ze toch iedere keer, dacht hij bij zichzelf. Ik wil ze helemaal niet in huis, die twee. Ze stinken, en Rat met z’n vieze gele tanden, als hij nou maar niks zei, vooral geen woorden met een a want dan gaat die walgelijke bek zo ver open.

‘Jaaa!!!’ riep Rat. ‘Klaaaveraaas!’

‘Als jullie nou niet ophouden, mogen jullie de volgende keer niet komen hoor!’ riep de kabouter. Hij hoopte dat ze zouden doorgaan met ruziën, misschien durfde hij dan echt nee te zeggen, maar ze hielden wel op, en hij ging thee zetten in de keuken. Hij had echte thee en echt water dat hij kookte op een kaarsvlam, en ze dronken uit echte kopjes. Daarna kaartten ze verder, en ruzieden verder, maar niet erg genoeg, tot de kaars op was en Pad en Rat naar huis moesten, boze Pad op de rug van boze Rat, langs de sluipweggetjes achter het tengel, krtsj krtsj terug naar de kelder, ieder in zijn eigen hol.

En elke week kwamen ze weer. De kabouter durfde nooit nee te zeggen.

Ook niet tegen de wespenkoningin die elk jaar luid zoemend binnenkwam om een plek te zoeken voor haar winterslaap. Alsof het haar eigen huis was ging ze rond, van kamer tot kamer, met gonzende vleugels die het stof deden opdwarrelen zodat de kabouter ervan moest niezen. ‘Weg! Weg!’ riep hij dan, of: ‘Kssjt! Kssjt!’ maar de kabouter bestond gewoon niet voor mevrouw de koningin. Zwevend neusde ze aan de tafels en de stoelen en de kast en de pannen en aan de kabouter alsof hij ook een meubel was, en van dichtbij zag de wesp er zo vervaarlijk uit dat hij niks durfde. Ieder jaar weer eindigde de zoektocht van mevrouw de koningin boven in het poppenwiegje. Daar zette ze eindelijk haar vleugels stil en schurkte zich na eindeloos gewentel en gewroet tussen de lakentjes, en sliep. En sliep. En sliep. De lange eindeloze winter door.

De eerste dagen scharrelde de kabouter dan muisstil door het huis uit angst dat ze wakker zou worden en zich in woede met dat verschrikkelijke geel-zwarte lijf op hem zou storten. De angel van een wesp is dodelijk voor een kabouter. Maar na een paar dagen vergat hij dat ze daar lag en deed weer gewoon, behalve op het zaterdagse kaartavondje, dan was het van: ‘Sssst! Sssst! Doe nou zachtjes!’ Maar Pad en Rat waren niet zo bang. ‘Als die eenmaal ligt te pitten,’ meende Rat, ‘wordt ze niet wakker voor maart. Wat zeg ik? April. Op z’n vroegst.’

Ze gingen haar ook bekijken, moeizaam de trap op naar het logeerkamertje waar de koningin in dat keurige wiegje lag. ‘Net een sjnoezig kindje, niet?’ lispelde Pad, en Rat deed: ‘Tatataaa!’ met al zijn gele tanden bloot. Hij gaf ook pesterige stootjes tegen het wiegje zodat het begon te schommelen en de kabouter haast ontplofte van zenuwachtige doodschrik, ‘niet doen!’ sissend, en ‘ben je gek geworden, hou op, hou op!’

Rat gaf nog een pesterige nastoot, zodat het wiegje een scheepje in de storm leek, maar de verheven koningin der wespen sliep door. ‘Tot mei minstens,’ besloot Rat. ‘Maar je hebt kans,’ voegde hij gewichtig toe, ‘dat ze in januari effetjes eruit komt om te poepen.’

Pad hield eigenlijk ook winterslaap. Hij deed bijna niets tussen oktober en maart, zat maar een beetje sullig in zijn hol met zijn diamanten ogen half dicht en één keer per minuut een teugje adem. ‘Da’sj meer asj genoeg,’ vertelde hij.

Alleen zaterdagsavonds kwam Rat en porde hem net zo lang in zijn dikke zij tot de adem weer gang kreeg en dan riep hij: ‘Mee!’

‘Laat me sjlapen,’ zuchtte Pad.
‘Mee!’ zei Rat. ‘Kaarten!’ En hij sjorde slome Pad op zijn rattenrug en dan ging het weer krsjt krsjt achter het tengel naar de zolder en klop klop op de deur van de kabouter.

’s Winters won Pad veel minder omdat hij zo slaperig was. 

‘Hij is te sloom om vals te spelen,’ meende Rat en wanneer hij Pad dreigde met: ‘ik vreet je op!’ dan gingen de diamanten ogen helemaal dicht en lispelde het dier: ‘’sj besjt, doe maar!’

Rat hield niet van de wintertijd.

De kabouter eigenlijk wel. Hij zat elke avond bij zijn kaars en staarde in de vlam en dacht over niks. Als het hard woei buiten over het dak zodat de balken en binten kraakten en de vlam flakkerde in de tocht, werd de kabouter helemaal soezig van het veilig binnen zitten in zijn poppenhuis, een beetje als Pad werd hij ervan, maar in de nacht van drie november werd de wind zo verschrikkelijk hard dat het niet eens meer storm was, maar orkaan.

Eng. Het oude huis steunde en kraakte, de balken van het dak werden heen en weer gewrikt alsof niet de wind maar een geweldige reus de boel heen en weer stond te schudden, en er kwam zo’n verschrikkelijke tocht door de kieren en spleten dat het door de ramen van het poppenhuis naar binnen woei en regelrecht de kaars uitblies.

En precies op dat ogenblik werd er bij de kabouter op de deur geklopt. Het was geen zaterdagavond. Misschien, zo dacht de kabouter, is de kelder ondergelopen. Want het regende ook verschrikkelijk. Hij kwam overeind en strompelde in het pikkedonker naar de gang.
‘Zijn jullie het?’ riep hij boven het lawaai van de orkaan uit. ‘Nee!’ antwoordde een stem.
De kabouter had die stem nooit eerder gehoord.
‘Wie dan?’ riep hij.
‘Alstublieft!’ hoorde hij nu. ‘Doe open!’
Het klonk smekend. Het klonk zielig. Het klonk lief. Het klonk zó, dat hij meteen met een ruk de deur opentrok. In het pikkedonker was er natuurlijk niets te zien. Maar toch wel, toch wel! Daar stond een zwak schijnsel voor hem, als van een glimworm, maar het was heel anders en veel groter dan een glimworm, het leek de gestalte van een meisje, net zo klein als de kabouter zelf, gekleed in lappen die kletsnat om haar lijfje gekleefd zaten, blote voetjes eronder en een bleek gezichtje erboven, vol druipende haarslierten. Het gezichtje schéén een beetje, het gaf licht, een zacht schijnsel, op de manier van een glimlach. Ook de lappen waarin ze gekleed was gaven licht, zag de kabouter nu, eigenlijk het hele wezentje dat daar in het pikkedonker voor zijn deur stond te beven.

‘Ja maar… O, kom binnen,’ zei de kabouter haastig, en hij riep nog eens luid boven de bulderende storm: ‘Kom binnen! Gauw! Mijn kaars is uitgewaaid, het waait ook zo, ik zal hem meteen weer aansteken, dan kun je je warmen. Wie – wie ben je eigenlijk?’

Ze zei niets. Ze ging rillend voor de kaars zitten die de kabouter een beetje zenuwachtig aanstak. Bij elke nieuwe tochtvlaag hapte de vlam woest om zich heen alsof hij het wezentje wilde bijten. Ze was er niet bang voor.

De kabouter was tegenover haar gaan zitten en bekeek haar nieuwsgierig. ‘Je lijkt wel een verdronken fee,’ zei hij.

‘Ben ik ook,’ antwoordde ze.

2. HET BEZOEK | MALENDE GEDACHTEN

Het duurde een tijdje voor het eindelijk tot de kabouter doordrong dat daar tegenover hem, in zijn eigen poppenhuis, werkelijk en waarachtig een heuse echte fee zat. En daar schrok hij van. Want het feevolk zit vol toverkunsten, wist hij. Vol listen en zwebbelarijen. Feeën, zo had hij gehoord, zijn schimmig en zonder houvast, en ze verwisselen rechts en links als een spiegel.

‘O uh…’ zei hij. ‘Uh… oh!’
Dat klonk niet zo vriendelijk en daar schrok hij ook weer van. ‘Uh… wilt u iets hebben?’ vroeg hij nu. ‘Iets warms? Om te drinken?’
Dat klonk beter, maar in zijn binnenste schreeuwden zijn gedachten tegen elkaar dat die fee weg moest.
‘Lekkere warme thee met citroen, mevrouw Fee?’ zei de stem van de kabouter vriendelijk.
Ze schudde haar hoofd. ‘Nee,’ zei ze. ‘Nee dank je, lieve kabouter.’ 

Daar werden zijn gedachten even stil van. Nog nooit had iemand lieve kabouter tegen hem gezegd, maar algauw begonnen ze weer in zijn kop te schreeuwen: Pas op, pas op, stommeling! Je had haar nooit binnen moeten laten. Stuur haar weg. Nu!

‘Wilt u iets anders?’ vroeg hij hardop. ‘Iets te eten? Of zo?’

De fee keek naar hem op en glimlachte. ‘Ach nee,’ zei ze. ‘Ach nee, kabouter. Wij feeën eten maar één ding, en dat is honing.’

‘Oh!’ schrok de kabouter. ‘O jee! Honing! Dat heb ik niet in huis. Niet hier. Beneden staat wel een pot, in de provisiekast, zal ik –?’

Ze schudde vreselijk met haar feeënhoofd. ‘Nee nee nee! Hoeft niet. Ik hoef niks. Als ik maar voor één nachtje mag blijven.’

Blijven?? De kabouter schrok weer ontzettend, maar hij liet het niet merken. ‘U wilt blijven?’ vroeg hij. ‘Ik bedoel…’

‘Tot de storm voorbij is,’ zei ze. ‘Het waait zo.’
‘Ja,’ zei hij. ‘Het waait erg.’
‘Als het niet kan, ga ik wel weer,’ zei ze.
De wind huilde met hernieuwde kracht zodat de zolder steunde en kraakte.
‘Ik heb geen bed over,’ zei de kabouter. ‘En in de wieg ligt –’ ‘Maar ik hoef niet te slapen,’ zei de fee. ‘’t Is toch nacht?’
‘Ja, nacht,’ zei de kabouter.
‘En slapen doen we overdag,’ zei ze.
‘We?’ vroeg de kabouter. ‘Feeën?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Wist je dat niet?’
Nee, dat wist de kabouter niet. Hij wist eigenlijk niets van feeën af; hij was er alleen maar bang voor, voor hun toverkunsten. ‘Hier beneden kun je wel blijven,’ zei hij. ‘Ik zal de kaars laten branden.’
‘Dat is lief van je,’ zei ze weer. ‘Maar je mag hem best uitblazen hoor.’
De kabouter durfde dat niet. In het donker zou ze de hele kamer kunnen omtoveren zonder dat hij het zag.

‘Moet jij dan niet naar bed?’ vroeg ze na een tijdje.

‘Nou nee, ik ben nog niet moe,’ zei de kabouter. Hij loog, maar dat mocht ze niet merken.

Zo zaten ze een tijd tegenover elkaar te zwijgen. De kabouter luisterde naar de storm, of het gebulder niet al minder werd, en onderwijl keek hij de kamer rond naar zijn poppenhuisdingen: de schemerlamp die niet meer kon branden omdat de batterij op was, de vaas met papieren papavers, de haard met het kleurkrijtjesvuur, het dressoir met de spiegel, de theepot die te klein was voor de kopjes die te groot waren, en toen keek hij naar de fee. Ze had zich omgedraaid en zat met haar rug naar de kaarsvlam om ook daar droog te worden. Witte stoom sloeg van de lappen die als vodden om haar schouders zaten en langzaam raakten ze los. Maar het waren geen lappen, zag hij nu, het waren haar vleugels die zich openvouwden als bij een vlinder. Wel een zielige vlinder waarvan de vleugels kapot waren, rafelig, geschroeid, stukgebeten – wat was er allemaal gebeurd?

De fee draaide zich weer terug. ‘Ziezo,’ zei ze, ‘dat voelt beter. Wat kijk je, kaboutertje?’

‘O uh… niks,’ hakkelde hij. ‘Ik uh… u ziet er een beetje verongelukt uit. Wat uh, is er eigenlijk gebeurd? Met u?’

Er kwam een glimlach op haar gezicht. Een beetje droevig. 

‘Ach,’ zei ze, ‘als ik daarover begin… ik ben ook opeens zo erg moe. Zou ik niet toch eventjes kunnen slapen?’

‘Ahum… uh,’ zei de kabouter. ‘Mijn huis is nogal vol, ziet u. Maar uh… hier op de bank kan het wel. Hier kunt u liggen.’

‘Als het niet te lastig is?’ vroeg ze.
‘Neu neu. Ik zal een dekentje pakken.’
Hij wou het helemaal niet en absoluut niet, maar hij pakte het roodbonte dekentje uit de kist, en toen de fee was gaan liggen dekte hij haar toe, heel voorzichtig, want hij dacht dat feeën makkelijk konden breken. ‘Slaapt u maar lekker,’ zei hij.

En verdomme dacht hij.

Maar hij liep op zijn tenen naar de kaars, blies de vlam puh-puh-puh uit en sloop tastend langs de trap naar boven naar zijn slaapkamertje waar hij in zijn eigen bed kroop.

De wind ging nog vreselijk tekeer buiten. Als het dak het maar houdt, dacht de kabouter. Als de wespenkoningin maar niet wakker wordt en in woede die vreemde slaapster gaat steken. Als de fee maar niet wakker wordt en mijn spullen gaat betoveren. Misschien deed ze alleen maar of ze moe was en is ze helemaal niet ingeslapen en is ze nu bezig beneden de boel overhoop te halen. Al mijn spullen.

Ik laat ook altijd iedereen maar binnen. Rat en Pad. De wespenkoningin. En nu een fee. Een wildvreemde fee. Die aan komt vliegen in de storm, zegt dat ze verongelukt is en hier blijft slapen. Ze heeft de hele nacht om mijn spullen te stelen. Mijn potten en mijn pannen en mijn kaars. Wat moet een fee met potten en pannen? En een kaars? Ik ben helemaal gek. ’t Was heel zielig zoals ze eruitzag. Heel zielig en nat en doorweekt en verwaarloosd. Verorkaand. En gerafeld. Haar vleugels helemaal aan flarden. Door die vreselijke wind? Of door iets anders? Een vreselijk beest? Was erin gebeten? Niet op gelet.

Waarom ben ik ook zo stom. Wat waait het, wat waait het, ik waai m’n bed uit, zal ik naar beneden gaan? Ik ben nog niet eens beneden geweest, beneden in het huis! Helemaal vergeten! Mijn ronde vergeten! Voor het eerst vergeten te gaan kijken naar de gaspitten en de lichten. Door die fee! En nou ga ik niet meer. Ik laat haar niet alleen in m’n huis. Voor één keer maar overslaan. Eén keertje.

Zo draaiden de gedachten door het hoofd van de kabouter, de hele nacht lang terwijl de orkaan raasde. Hij sliep niet.

Zodra het licht werd ging hij naar beneden om de fee te bekijken. Er was niets overhoop gehaald. Al zijn potten en pannen waren er nog. De kaars ook. Maar de fee, de fee! De fee?

De fee was verdwenen.

3. HET RIJK DER FEEËN | HET VERHAAL VAN DE KOBOLD URUKUU 

De kabouter was een beetje beduusd toen hij zag dat de fee weg was. Zomaar weg zonder iets te hebben getoverd. Feeën, dacht hij. Niet te vertrouwen. Nooit! Ze verschimmeren waar je bij staat.

De wind was veel minder.

Beneden in het huis hoorde hij de oude grootmoeder rondscharrelen. Alles was dus nog in orde, gelukkig. De komende nacht zou hij weer gewoon zijn ronde doen. En die fee verder vergeten.

Hij probeerde het de hele dag, dat vergeten, door expres aan andere dingen te denken. Aan wat hij zou eten: rijst met gepelde noten. Aan de muizenval waar hij bijna was ingetrapt lang geleden; wie woonden er toen nog in het huis? Die kinderen die verstoppertje speelden hier op zolder en hem bijna hadden ontdekt. Bijna? Had dat ene jongetje hem niet – dat jongetje met die grote donkere ogen – wat had ze eigenlijk voor ogen, had hij haar ogen wel bekeken? Gaven ze ook licht? O jee, de fee! Niet aan denken.

Hij schudde hard met zijn hoofd en begon moeilijke sommen te verzinnen: vier kabouters hebben elk vier noten, de eerste geeft er één aan de tweede, de tweede geeft er twee aan de derde, de derde geeft er drie aan de vierde, de vierde eet er vijf op, hoe- veel heeft elk van hen er nog in zijn zak? De kabouter pakte een papiertje en een potlood om het te gaan uitrekenen.

Een briefje, dacht hij, een briefje had ze toch wel kunnen achterlaten? Met dank je wel voor het schuilen erop? Of zoiets? Of: ben weer vertrokken, moest gauw weg. Of: schrik niet, ik ben even weg maar kom gauw weer terug. Hij gaf een pets tegen zijn hoofd en hield het scheef om de gedachten eruit te laten lopen, als een restje vla uit een fles, almaar hardop zeggend: ik moet niet aan de fee denken, niet aan de fee, niet aan de fee. Maar het hielp niets, want niet-aan-de-fee is even fee als wel-aan-de-fee; hij bleef de hele dag aan haar doordenken en toen het avond werd en donker, lag ze daar ineens weer op de bank en kwam overeind, stralend en lichtend, haar rafelige vleugels omhoog.

‘O!’ riep de kabouter. ‘Bent u daar weer?’ ‘Wéér?’ vroeg ze. ‘Ik was er aldoor.’ ‘Aldoor? Waar dan?’
‘Hier,’ zei ze.

‘Waar hier?’
Hier!’ zei ze.
‘Maar ik zag u nergens.’
‘Je keek door me heen,’ zei ze. Hij begreep het niet.

‘Ik sliep!’ zei ze. ‘En een slapende fee is toch ijl?’
‘IJl?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Als lucht. Als glas. Waar je dwars doorheen kijkt.’ ‘Door een fee?’
‘Wist je dat niet?’
Nee, dat wist de kabouter niet, en hij vond het een akelig idee dat ze de hele dag onzichtbaar was geweest. Ze moest maar weggaan, vond hij, maar in plaats van dat te zeggen ging hij de kaars aansteken en de tafel wat verschuiven, en de stoelen, en in de keuken wat te eten klaarmaken, luid rammelend met de potten en pannen, en hij las hardop een moeilijk recept, en toen het lekker pruttelde in de pannetjes zong hij een kookliedje:

‘Dit half-om-half
was vroeger een kalf
en deze ragout
was zijn roodbonte moe.
Ach here, ach here, ach heremejee
dat wij mekaar vreten was nooit mijn idee.’

Toen hij met het kant-en-klare gerecht in de dampende pannetjes binnenkwam, zat de fee er nog, en ze zat er helemaal niet als iemand die op het punt staat te vertrekken.

‘O uh…’ zei de kabouter. ‘Wilt u echt niet een hapje?’

Hij zette zijn pannetjes op de tafel en dekte een bord, uh twee borden, maar ze wilde echt niks. Geen hap, zelfs geen halve. De kabouter zei niets over honing, hij ging zitten en begon te eten, slurpend en smakkend en met de vette jus druipend langs zijn baard. Die stopte hij telkens in zijn mond om hem luidruchtig uit te zuigen, en dan likte hij met een roze tong zijn acht vingers af. De fee zat toe te kijken. Ze keek en keek, de kabouter werd er onrustig van, hij kreeg het gevoel dat er iets niet deugde maar hij kon niet bedenken wat. Hij veegde zijn bord schoon met zijn mouw en zette het terug in de kast. ‘Ziezo,’ zei hij. ‘Dat was lekker. U wilt echt niks hebben?’

Nee, de fee wilde echt niks hebben.

Ze zaten een tijdje zwijgend tegenover elkaar. De kabouter keek naar haar stukgerafelde vleugels.

‘Uh, kwam dat door de storm?’ vroeg hij nu. ‘Die vleugels van u? Zo kapot?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Nee,’ zei ze. ‘Dat was al.’
‘O? Hoezo? Waarvan dan?’
‘Dat is een lang verhaal,’ zei ze.
‘Uhm uhm, ik bedoel, kunt u er nog mee vliegen?’
‘Niet meer, nee. Maar ik werd opgetild en weggeblazen, hoog, hoog door de lucht. Ik wist niet waar ik terechtkwam, en toen zag ik gelukkig je lichtje.’

‘O,’ zei de kabouter. ‘Ben je weggeblazen! Door de storm. Waarvandaan dan?’

Hij werd toch nieuwsgierig en begon weer je tegen haar te zeggen.

‘Waar ik vandaan kom, kaboutertje,’ zei ze met de allerdroevigste glimlach die de kabouter ooit had gezien, ‘waar ik vandaan kom, is het Rijk der Feeën.’

‘Ah ja,’ zei hij. ‘Het Rijk der Feeën…’
‘Je weet waar dat ligt?’ vroeg ze.
Dat wist de kabouter helemaal niet, maar hij knikte vaag. ‘Vol gouden paleizen,’ verzon hij.
Ze schudde zachtjes haar hoofd, nog steeds weemoedig.

‘Mijn Rijk,’ zei ze, ‘ligt in het blauwe licht van de maan, onder bomen en struiken en tussen de halmen van het gras. Daar leven wij.’

‘Ah,’ zei de kabouter. ‘Jah…’

‘En ons leven,’ ging ze voort, ‘is zingen en springen en dansen en jansen, de hele nacht door. Nacht na nacht na nacht. En zo leven we.

Bron: Nachtverhaal van Paul Biegel

BESTEL NACHTVERHAAL

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *