11. Johann Wolfgang von Goethe

Iedere dag: wat goede muziek horen,
uit een goed boek lezen,
een mooi schilderij zien 
en een paar redelijke woorden spreken.

Johann Wolfgang von Goethe

De onderstaande tekst komt uit Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis

Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832)  is zeer beroemd, maar slechts een uiterst gering deel van de mensen die over hem hebben gelezen of gehoord weet dat hij zich sterk liet inspireren door het gedachtegoed van de rozenkruisers. Dat is niet zo vreemd, want daar heeft de grote Duitse dichter nooit mee te koop gelopen. Hij gebruikt het beeld van het kruis met rozen slechts heel beperkt in één werk: in twee strofen van zijn onvoltooide gedicht Geheimenissen, dat hij schrijft in 1785 en dat zijn intiemste vrienden beschouwen als één van zijn verhevenste scheppingen. Later zegt Goethe dat hij het gedicht nooit heeft voltooid omdat hij de tijd er nog niet rijp voor achtte.

Veel van Goethe’s werken zijn doordrenkt met rozenkruisers-wijsheid, die alleen als zodanig kan worden herkend door hen die er vertrouwd mee zijn. Zijn diepzinnige Sprookje van de groene slang en de schone lelie uit 1795 gaat over een thematiek die vergelijkbaar is met die van De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis. De verbinding tussen Goethe en het Rozenkruis is vooral bekend gemaakt en toegelicht door Rudolf Steiner (fakkeldrager 16). Hij beschouwt de werken van Goethe, maar ook die van bijvoorbeeld Novalis, Schiller en Lessing als verschijningsvormen van esoterische wijsheid die in de achttiende eeuw via literaire werken moest binnenstromen in de Europese cultuur.

Volgens Rudolf Steiner maakt Goethe tijdens zijn rechtenstudie tussen zijn verblijf in Leipzig en Straatsburg een inwijding door, terwijl hij op dat moment een zware longziekte heeft. Van die inwijding is hij zich eerst niet bewust, maar deze wordt langzamerhand vruchtbaar in hem en stelt hem in staat een rozenkruisers-missie te vervullen. In 1775 verhuist Goethe naar Weimar om daar voor de hertog vele politieke taken op zich te nemen en blijft daar de rest van zijn leven wonen. In 1782 wordt hij in Weimar opgenomen in de hogere graden van de vrijmetselaarsorde van de Strikte Observantie die in 1754 was opgericht. Van september 1786 tot juni 1788 maakt hij een reis naar Italië die hij ervaart als een inwijding, en waardoor hij sterkt verandert.

Als mensen Goethe vragen naar de diepere betekenissen van zijn literaire werken, dan laat hij zich daar heel wijselijk niet over uit. Misschien doet hij dat vanuit de gedachte dat het niet juist is om elke vraag met een antwoord te bederven. Eén van zijn ‘Spreuken in proza’ luidt dan ook: ‘Het ware is godgelijk; het verschijnt niet direct, wij moeten het uit zijn manifestaties ontraadselen’. Die opvatting is ook zijn insteek van zijn natuurwetenschappelijke werk, dat veel minder bekend is dan zijn literaire werk, maar daar toch niet los van kan worden gezien.

De natuurwetenschappelijke geschriften van Goethe hebben vooral betrekking op metamorfosen in de natuur – met name van planten – en zijn kleurenleer, die heel anders is dan die van Newton. Daarnaast schrijft hij ook over onder andere mineralogie, geologie en meteorologie. Belangwekkend zijn niet zozeer de resultaten die zijn onderzoekingen opleveren, al zijn die wel interessant, maar vooral de methoden die hij toepast.

Goethe beschouwt de natuur op een wijze die de klassieke rozenkruisers in hun Fama aanduiden als het lezen van het boek M (Mundi). Hij onthoudt zich van getheoretiseer en laat de fenomenen van de natuur hun geestelijke essentie openbaren in zichzelf. Via zo’n fenomenologische benadering is het mogelijk om het onzichtbare te leren kennen door zich in te leven in de zichtbare verschijnselen. Dat is een belangrijk uitgangspunt in het (neo)platonisme en het hermetisme, dat Goethe’s personage Faust formuleert als: ‘Al het vergankelijke is slechts een gelijkenis’.

De religieusiteit van Goethe is geen godsdienstig gevoel dat hij cultiveert naast zijn wetenschappelijk en artistiek streven. Hij zoekt het heilige in de natuur en niet erbuiten omdat hij ervaart dat het hoogste zich niet direct manifesteert, maar zich indirect openbaart in de verschijnselen in de natuur. In zijn ‘Spreuken in proza’ schrijft hij: ‘Ik geloof aan een God! Dit is een schoon en lofwaardig woord, maar erkennen waar en hoe God zich openbaart, dat is eigenlijk de zaligheid die men op aarde deelachtig kan worden’.

Vanaf zijn achttiende interesseert Goethe zich al voor de werken van Jacob Boehme (fakkeldrager 7), en ideeën van deze theosoof uit Görlitz verwerkt hij vooral in het tweede deel van Faust, dat diepzinniger en daardoor ook moeilijker toegankelijk is dan het eerste deel van dit toneelstuk. Grote maatschappelijke transities rond 1800 komen daarin tot uitdrukking: van verlichting naar romantiek, van revolutie naar restauratie, van adelsmacht naar burger-invloed en van landbouw-economie naar industriële ontwikkeling.

Een alom geprezen boek waar Goethe in zijn leven veel aan heeft gehad is ‘Geschiedenis der kerken en der ketters’ dat Gottfried Arnold publiceerde in 1699. Goethe schrijft daarover: ‘Deze man is niet louter een terugblikkende historicus, maar tegelijkertijd ook vroom en invoelend. Zijn opvattingen komen erg met de mijne overeen, en wat mij in zijn werk vooral beviel, was dat ik van veel ketters van wie ik altijd dacht dat ze gek en goddeloos waren, een veel positiever beeld kreeg. In ons allen steekt wel een geest van tegenstrijdigheid en het plezier van de paradox is niemand vreemd. Ik onderzocht ijverig de verschillende opvattingen en omdat ik vaak genoeg had horen zeggen dat iedereen uiteindelijk zijn eigen godsdienst samenstelt, kwam me niets natuurlijker voor dan dat ik dat zelf ook deed en ik deed dat met veel plezier. De basis was het neoplatonisme, en ook het hermetische, mystieke en kabbalistische droeg eraan bij, en zo bouwde ik een wereld(beeld) dat er zeldzaam genoeg uitzag …’

Goethe kent gedurende zijn lange leven – hij werd 82 jaar – geen stoffelijke moeilijkheden en mede daardoor kan hij als schrijver en dichter enorm productief zijn. Hij is een rusteloze en actieve man. De onvrede die hij ervaart drijft hem tot scheppende werkzaamheid. Als geen ander is hij in staat om beelden van het zieleleven dat hij in zichzelf beleeft tot uitdrukking te brengen. Er zijn bibliotheken vol geschreven over Goethe en zijn werken. Geen dag van zijn leven, geen brief van zijn hand en geen mondelinge mededelingen van hem zijn onbesproken gebleven.

Van alle fakkeldragers van het Rozenkruis die besproken worden in dit boek is Goethe ongetwijfeld de bekendste. Deze dichter en schrijver is voor Duitsland wat Homerus voor Griekenland is, Dante voor Italië, Shakespeare voor Engeland en Cervantes voor Spanje. Al deze groten ontwikkelden, om zich fijnzinnig te kunnen uitdrukken, dat wat in hoofdstuk 9 van de Confessio Fraternitatis R.C. wordt genoemd: ‘een nieuwe taal van de magie’. Dit doet denken aan het volgende kindergedicht van Johanna Kruit dat zeer zeker ook van toepassing is op Goethe, aan wie niets menselijks vreemd is en die zijn tweevoudige natuur – onsterfelijk en sterfelijk – intensief ervaart.

Een dichter is een tovenaar
hij tovert woorden bij elkaar
die zo te samen komen
als beelden doen in dromen.

Een dichter is een taal-atleet
die alle woorden die hij weet
zo aan elkaar kan rijgen
dat jij er van gaat zwijgen.

Een dichter is een virtuoos
van elke bloem maakt hij een roos
zijn woorden staan te dringen
om maar te mogen zingen.

Een dichter is een vreemd persoon
maar verder is hij heel gewoon.

Hiermee komen we bij een belangrijk thema in het leven van Goethe: magie. Dat onderwerp komt prominent tot uitdrukking in zijn alom geroemde meesterwerken: Faust I en Faust II. Faust betekent in het Duits vuist, maar de betekenis van de Latijnse naam Faustus is ‘de genadevolle’, ‘de gelukkige’ en ‘de bloeiende’. Dit toneelstuk op rijm over een zoeker naar waarheid was lange tijd verplichte lesstof in het voortgezet onderwijs in Europa, maar is tegenwoordig niet meer zo bekend.

Wel heel beroemd is nog steeds de figuur van Mickey Mouse in tovenaarskleding, met een blauwe puntmuts met witte sterren en een rode cape. Walt Disney creëerde de stripfiguur Mickey Mouse in 1928 en maakte hem de hoofdpersoon in de tekenfilm Fantasia uit 1940 die deels gebaseerd is op de ballade ‘Der Zauberlehrling’ (De tovenaarsleerling) die Goethe schreef in 1797 tijdens zijn verblijf in Weimar. Honderd jaar later gebruikte de Franse componist Paul Dukas die ballade van Goethe voor een symfonische versie met de titel ‘L’apprentice sorcier’. Walt Disney gebruikte die muziek voor de genoemde tekenfilm waarin niet gesproken wordt.

In de film zet de tovenaarsleerling Mickey Mouse zijn magische krachten in om het huis van zijn meester te reinigen als deze weg is, en veroorzaakt daardoor een rampzalige overstroming, die alleen door de tovenaar ongedaan kan worden gemaakt als hij weer terug is. De moraal van het verhaal is dat we ons niet moeten inlaten met krachten die we niet kennen en dus ook niet kunnen beheersen. Tegelijkertijd is er ook het perspectief dat we ons kunnen ontwikkelen tot een magiër om de mensheid van dienst te kunnen zijn, maar dat vraagt om geduld, dienstbaarheid en doorzettingsvermogen.

De creatie van Walt Disney is een mooi voorbeeld van de wijze waarop mensen gebruik maken van werken van anderen en die zodanig combineren en vernieuwen dat er een creatie tot stand komt die grootser is en meer mensen kan bereiken. Goethe doet dat zelf met de sage van doctor Faustus die voor het eerst wordt beschreven in het volkstoneelstuk ‘Historia von D. Johann Faustus’ van Johan Spies dat in 1587 verscheen in Berlijn en dat qua thematiek wel wat lijkt op het bijbelboek Job, waarin de hoofdpersoon wordt verzocht door de duivel.

Als jongen ziet Goethe een poppenkastvoorstelling die gebaseerd is op ‘De tragische geschiedenis van het leven en de dood van doctor Faustus’ dat de Britse dichter Christopher Marlowe (1564-1593) schreef in 1592. Marlowe maakte deel uit van de schrijvergroep ‘The Good Pens’ van Francis Bacon (fakkeldrager 4). Blijkbaar vond de grote vernieuwer, die ook wel werd aangeduid als Francis Rosycross, het belangrijk dat er ook een goede Engelse versie over Faust beschikbaar kwam. Het genoemde poppentheater maakt een grote indruk op de jonge Goethe, en dat verhaal houdt hem zijn hele verdere leven bezig. Goethe beschouwt zijn Faust als zijn levenswerk en heeft daarom grote moeite om het te voltooien, want hij streeft naar perfectie.

Goethe voltooit in 1788 een fragment van Faust dat gepubliceerd wordt in 1790. Deel I van Faust verschijnt in 1808 en deel II ziet posthuum het licht in 1832. De innerlijke worstelingen die Goethe doorstrijdt, weerspiegelen zich in zijn versie van Faust, die hij op een hoger niveau brengt dan alle voorgaande en die hoop biedt.

Faust gaat in het verhaal van Goethe een pact aan met de duivel, via de persoon Mephistopheles en geniet lange tijd van de geschenken in de vorm van rijkdom, kennis en macht die het gevolg zijn van dat duistere verbond. Uiteindelijk kan dat alles hem niet bevredigen en ervaart hij dat geluk voortvloeit uit het doen van het goede. Goethe’s Faust gaat door een dieptepunt van zijn menselijke gang en wordt van een vervloekte tot een verloste, van een ego-gedreven mens tot een bewuste dienaar van wereld en mensheid.

Zeven aforismen van Johann Wolfgang von Goethe

  1. In de beperking toont zich eerst de meester, en alleen de wet kan ons vrijheid geven.
  2. Er zou weinig van mij overblijven indien ik alles zou moeten afstaan wat ik aan anderen te danken heb.
  3. Het is niet genoeg te weten, men moet ook toepassen; het is niet genoeg te willen, men moet ook handelen.
  4. Talent ontwikkelt zich in eenzaamheid, karakter in de stroom van het leven.
  5. Hoe meer kennis, hoe meer twijfel.
  6. Waar je niet bent, daar is het geluk.
  7. Het buitengewone manifesteert zich niet volgens gewone, gebaande wegen.

Bron: Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *