16. Rudolf Steiner

 

In het geschrift Fama Fraternitatis R.C. uit 1614 worden lezers opgeroepen te gaan werken aan vernieuwing van de wetenschappen en de kunsten. Rudolf Steiner (1861-1925) heeft er zijn hele leven met grote toewijding aan gewerkt om daar een bijdrage aan te leveren. Met succes, want op basis van de door hem geformuleerde geesteswetenschap zijn er waardevolle vernieuwingen gerealiseerd die tot op de dag van vandaag hun vruchten afwerpen, waaronder antroposofische geneeskunde, vrije school onderwijs en biologisch-dynamische landbouw. Hij had uitgesproken meningen over design en architectuur. Zijn gedachtengoed was een belangrijke inspiratiebron voor beroemde kunstenaars als Wassily Kandinsky en Piet Mondriaan, en is nog steeds springlevend. 

Deze veelzijdige, getalenteerde en visionaire man was onvoorstelbaar productief, ondanks een voortdurende vijandschap ten aanzien van zijn persoon en zijn werk in wetenschappelijke, theologische en politieke kringen en ook in de door hem gestichte Antroposofische Vereniging. Hij schreef dertig boeken en verzorgde maar liefst zesduizend lezingen, waarvan er vele in druk verschenen zijn omdat ze destijds waren gestenografeerd. De zogeheten ‘Gesamtausgabe’ met de uitgegeven werken bestaat uit maar liefst 350 titels. 

Het gevaar van zo’n omvangrijk oeuvre is dat de inhoud klakkeloos voor waar wordt aangenomen. Binnen vrijwel alle groeperingen zien we dat een gerespecteerde auteur te pas en te onpas wordt geciteerd om een punt te maken, zonder rekening te houden met de context waarin de uitspraak werd gedaan, en vanuit de veronderstelling dat de schrijver onfeilbaar is. 

Een gevleugelde uitdrukking van volgelingen van Steiner is ‘Herr Doktor hat gesagt …’ terwijl Herr Doktor zelf oproept om zelf na te denken, te onderzoeken en niet zomaar voor waar aan te nemen. In een voordracht in1907 in München die is opgenomen in het boek De Theosofie van de Rozenkruisers zegt Steiner bijvoorbeeld: ‘Wie het denken van de rozenkruisers niet met het denken kan begrijpen, heeft zijn logische verstand nog niet ontwikkeld.’ 

Rudolf Steiner hecht een grote waarde aan de traditie van het Rozenkruis omdat die aansluit bij de ontwikkelingsweg die de westerse mensheid dient te gaan. Daarom verwijst hij in tal van voordrachten naar Christiaan Rozenkruis en de rozenkruiserstraditie. Daarbij valt op dat hij de informatie uit de manifesten van de klassieke rozenkruisers heel letterlijk neemt en die verbindt met wat hij helderziend schouwt. Iets soortgelijks zien we ook in zijn voordrachtenreeks over de vier evangeliën en de Openbaring van Johannes die begint in 1908. Het idee dat heilige geschriften niet zozeer historisch, maar vooral symbolisch zijn en verwijzen naar innerlijke processen in de mens die de spirituele weg gaat, wordt nergens door hem uitgedragen en meestal ook niet door de talloze auteurs die zich op hem baseren. 

Nu maakt het voor het gaan van het pad niet zoveel uit of bepaalde ‘openbaringen’ als historisch juist worden ervaren of niet. In zijn voordracht ‘Wie zijn de rozenkruisers’ in Berlijn in 1914 zegt Steiner: 

‘De eerste trap van de rozenkruis-scholing kan worden aangeduid als ‘studie’. Daaronder wordt geen geleerdheid verstaan. Om ingewijd te zijn hoef je niet geleerd te zijn. Geleerdheid heeft met inzicht in het geestelijke niet al te veel te maken. Onder studie waar het hier om gaat moet iets anders worden verstaan. Maar deze studie is onontbeerlijk en door een echt kundig leraar van de rozenkruisers mag niemand naar hogere trappen worden gevoerd als hij niet genegen is om de fase van studie werkelijk te doorlopen. Door middel van studie moet de leerling zich een volkomen verstandig, door en door logisch denken eigen maken, een denken dat hem ervoor behoedt bij de doorgang door de volgende trappen de grond onder de voeten te verliezen, iets wat anders gemakkelijk zou kunnen gebeuren.’ 

Over Rudolf Steiner zijn tientallen biografieën verschenen, waarvan sommige meer weg hebben van een hagiografie, een biografie van een heilige. Dat is mede te danken aan de enorme hoeveelheid werk die hij verzet heeft, de controversen en conflicten waarin hij verzeild raakte en zijn autobiografie ‘Mein Lebensgang’ die hij schreef tegen het einde van zijn leven.

Rudolf Joseph Lorenz Steiner wordt in 1861 geboren in een grensdorpje bij Hongarije, Oostenrijk en Kroatië. Zijn vader werkt als stationschef. Van zijn tweede tot zijn achtste jaar woont de kleine Rudolf in het stadje Portschach ten zuiden van Wenen. Hij geniet in de omliggende bossen en velden van de natuur en ziet daar meer dan andere mensen omdat hij over een spontane natuur-helderzienheid beschikt. Later in zijn leven is het daarom voor hem vanzelfsprekend dat de zintuiglijk waarneembare wereld samenhangt met een wereld die niet met de gewone zintuigen kan worden waargenomen. 

De jonge Rudolf heeft ook spontaan contact met bepaalde overledenen, maar daarover kan hij met niemand praten omdat daar geen begrip voor is. Daarom is hij dolblij als hij later als achttienjarige student aan de Technische Hogeschool in Wenen wekelijks in de trein een man ontmoet die kruiden verzamelt en die verkoopt aan apotheken in Wenen. Met hem kan hij hij wel uitwisselen over wat hij ervaart en hij wordt daardoor in zijn weten bevestigd. 

De kruidenverzamelaar ziet het grote potentieel van de jongeman, maar kan lang niet al zijn vragen beantwoorden. Daarom brengt hij hem in contact met een man in Wenen wiens identiteit nooit is onthuld. Rudolf verblijft gedurende een lang weekend bij die leraar, die bij het afscheid tot hem zegt: ‘Je weet nu wie je bent! Handel daarnaar en blijf steeds trouw aan jezelf.’ Die ontmoeting in 1879 beschouwt hij als een inwijding waarbij hij sterker verbonden werd met de geestelijke wereld en zich bewust wordt dat het zijn taak is om de draak van het materialisme te bedwingen door eerst in zijn huid te kruipen. 

Dan duurt het nog 21 jaar voordat hij met zijn esoterische inzichten naar buiten treedt, want hij wil zich eerst degelijk voorbereiden op zijn levensopdracht en een reputatie als betrouwbare wetenschapper vestigen. Aan de Technische Hogeschool bekwaamt hij zich in onder andere wiskunde, natuurwetenschappen, filosofie, geschiedenis, literatuur, architectuur en talen. Tijdens zijn werk bij het Goethe-archief in Weimar vanaf 1890 stelt hij de wetenschappelijke werken van Goethe samen en publiceert deze. Daar wordt het hem geleidelijk duidelijk dat Goethe een ingewijde was en dat dat tot uitdrukking komt in meerdere werken van hem. In die functie komt Steiner ook in aanraking met vooraanstaande geleerden van zijn tijd en culturele vernieuwers zoals dichters, schrijvers, beeldende kunstenaars en artiesten. In 1891 promoveert hij tot doctor in de filosofie te Rostock. 

Drie jaar later brengt hij zijn boek Die Philosophie der Freiheit uit.  Daarmee declareert hij zichzelf en legt een wetenschappelijke grondslag voor zijn latere antroposofische geschriften. Door wetenschappelijk aan te tonen dat kennisgrenzen in wezen niet bestaan en dat zij alleen optreden binnen ons bewustzijn zolang wij de ware aard van het denken nog niet hebben doorgrond, slaat hij een brug van de zintuiglijk waarneembare wereld naar de niet-zintuiglijk waarneembare wereld. 

In 1897 verhuist hij naar Berlijn en verdient hij zijn brood daar als literair schrijver voor verschillende tijdschriften, en ook als leraar op een arbeidersavondschool. Twee jaar later trouwt hij met Anna Eunike. Zij overlijdt in 1911. 

Rond 1900 verzorgt Steiner een reeks voordrachten, onder andere over de toen pas overleden filosoof Friedrich Nietzsche die door een groep theosofen met interesse worden gevolgd. In 1902 wordt hij lid van de Theosofische Vereniging en kort daarna wordt hij gevraagd om voorzitter te worden van de Duitse afdeling. Daar stemt hij mee in, op voorwaarde dat hij de vrijheid krijgt om zelfstandig te kunnen werken en spreken. Hij wordt voorzitter en schrijft, spreekt en publiceert heel veel. Als de Britse theosofen Charles Leadbeater en Annie Besant (fakkeldrager 14) in 1912 De orde van de ster van het oosten oprichten om de jonge Jiddu Krishnamurti uit India als de nieuwe Christus op aarde aan de mensheid te kunnen presenteren, kan hij zich daar niet mee verenigen. Hij scheidt zich af van de Theosofische Vereniging en richt in 1913 de Antroposofische Vereniging op. 

Steiner benadrukt steeds dat antroposofie geen nieuwe religie is, maar een weg naar inzicht die het geestelijke in de mens met het geestelijke in de kosmos wil verbinden. Wel geeft hij op verzoek de lutherse predikant Friedrich Rittelmeyer adviezen voor het stichten van een nieuw kerkgenootschap in 1922: Beweging voor religieuze vernieuwing, die later bekend wordt als de Christengemeenschap, en die voor een belangrijk deel gebaseerd is op de christelijke esoterie die door Steiner wordt uitgedragen. 

In 1913 begint in Dornach bij Bazel in Zwitserland de bouw van een indrukwekkend onderkomen van de Antroposofische Vereniging dat door Steiner is ontworpen: het Goetheanum, uiteraard genoemd naar Johann Wolfgang von Goethe. Het is een koepelvormig auditorium dat wordt opgetrokken in hout, plaats biedt aan zo’n duizend mensen en bedoeld is voor uitvoeringen van met name mysteriedrama’s, concerten en de door Steiner ontwikkelde bewegingskunst euritmie. In 1914 treedt Steiner in het huwelijk met zijn naaste medewerkster Maria von Sivers. Het is een enorme slag voor Steiner als het Goetheanum in de oudejaarsnacht van 1922 op 1923 in vlammen opgaat, vrijwel zeker door brandstichting. 

Tijdens de kerstconferentie van 1923, de Weihnachtstagung, legt Rudolf Steiner de basis voor consolidatie van de Antroposofische Vereniging, onder andere door de door hem opgestelde grondsteenmeditatie bekend te maken. Dat is dan hard nodig omdat er binnen die vereniging allerlei problemen spelen. Het betreft moeilijkheden waarmee iedere esoterische stroming te kampen heeft en die dus inherent zijn aan het werk. 

Er zijn mensen die ernstig esoterisch streven, maar niet open staan voor nieuwe denkbeelden en voor de wereld. Dan dreigt sektarisme. Ook zijn er mensen die wel open staan voor de wereld en nieuwe denkbeelden, maar het esoterische gedachtegoed onjuist hanteren. Dan dreigt vervlakking. Bovendien gooien menselijke gedragingen vanuit eerzucht, machtsdrift en afgunst natuurlijk heel vaak roet in het eten. In de grondsteenspreuk verwerkt Steiner het drievoudige motto van de klassieke rozenkruisers dat genoemd wordt in de Fama Fraternitatis R.C. uit 1614: 

Ex Deo Nascimur
In Christo Morimur
Per Spiritum Sanctum Revivicimus

Uit God zijn wij geboren
In Christus sterven wij
Door de Heilige Geest herleven wij

Hieruit blijkt duidelijk dat Rudolf Steiner zijn werk in dienst wil stellen van Christian Rosenkreutz. Vanaf een bepaald moment draagt hij tijdens zijn hele verdere leven een ketting met daaraan een symbool van het rozenkruis; een klein kruis in een cirkel met aan de voorzijde om het kruispunt zeven robijntjes, in rozen gevat, en aan de achterzijde de initialen van het genoemde motto (edn, icm en pssr). Aan het einde van zijn leven schenkt hij het sierraad aan zijn naaste medewerkster die hem tijdens zijn ziekbed verzorgt: de Nederlandse arts Ita Wegman. De opening van het tweede, in beton gegoten, Goetheanum in 1928 maakt Steiner niet meer mee, want hij sluit zijn ogen definitief op 30 maart 1925. 

Zeven aforismen van Rudolf Steiner 

  1. Geest is werkzaam tot in het kleinste deeltje materie, tot in het atoom.
  2. Dat mijn ziel moge bloeien in liefde voor alles wat bestaat.
  3. De zintuiglijke wereld is de school zonder welke het menselijke wezen nooit tot de geest zou kunnen komen.
  4. De behoefte aan verbeeldingskracht, een gevoel voor waarheid en een besef van verantwoordelijkheid – deze drie vormen de zenuw van de opvoeding.
  5. Werkelijke kennis over de mens opent de innerlijke verbinding met de ziel en veroorzaakt een glimlach op het gezicht. 
  6. Als er in ons niet een diep geworteld geloof is dat er iets hogers is dan wijzelf, zullen we nooit de kracht vinden om ons te ontwikkelen tot iets hogers.
  7. De geesteswetenschap zal zich steeds meer onder de mensen verbreiden, ze zal alle religieuze en praktische levensgebieden steeds meer doordringen – ze is een factor in de ontwikkeling van de mensheid.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *