5. Michael Maier

 

Mede dankzij de geschriften van de Duitse arts, alchemist en filosoof Michael Maier is de belangstelling voor het gedachtegoed van het klassieke Rozenkruis door de eeuwen heen levend gebleven. Deze erudiete geleerde verdedigt de broederschap van het Rozenkruis aan de hand van uitgebreide betogen, en verklaart waarom de kritieken op de rozenkruisersmanifesten gebaseerd zijn op onwetendheid. Hij stelt vast dat er velen zijn die de broeders van het Rozenkruis belasteren, onheus bejegenen, en zich onder hun dekmantel allerlei bedriegerijen permitteren. Verder benadrukt Maier het grote belang van de mysteriën, van universele benaderingen en van broederschap. 

Maier is de eerste die een heus multimedia-project realiseert met de publicatie van ‘Atalanta Fugiens’ waar niet alleen afbeeldingen, gedichten en toelichtingen zijn opgenomen, maar ook muziek in de vorm van fuga’s. Het is te zien als een meditatieboek waarin vijftig alchemische thema’s worden besproken op een manier die niet eenvoudig te doorgronden is vanwege de overvloedige symboliek en verwijzingen naar mythologie. 

Het gaat hier duidelijk primair om de alchemie van het bewustzijn en niet om praktische alchemie in een laboratorium, hoewel Maier ook praktisch alchemist is. Dit werk en andere geschriften van Maier hebben later een grote invloed op Isaac Newton (1643- 1727), de beroemde Britse natuurkundige die veel meer belangstelling heeft voor alchemie en theologie dan voor natuurkunde. 

Boze tongen beweren wel dat Michael Maier de drie werken waarin hij het opneemt voor de intelligente en ijverige broeders van het Rozenkruis uitsluitend schrijft om naam te maken, en zo zijn andere geschriften te promoten. Het is niet uitgesloten dat Maier één van de velen is die meewerkt aan de realisatie van de vernieuwingsplannen van Francis Bacon (fakkeldrager 4), die slechts deels op schrift zijn gesteld in zijn Instauratio magna. 

In zijn werk ‘Themis Aurea’ schrijft Maier dat de tempel van het Rozenkruis zich bevindt naast de bron van de rivier die ontspingt op de berg Parnassus, de woonplaats van de Griekse god Apollo, de godin Pallas Athena en de muzen. Die symboliek vinden we ook terug bij Francis Bacon, die zelf een Apollo en kanselier van Parnassus wordt genoemd. Het wezen van Pallas Athena is te herkennen in de naam William Shakespeare, een pseudoniem dat Fancis Bacon heeft geïntroduceerd en waaronder hij zelf ook heeft geschreven. 

Michael Maier (1568-1622) wordt in 1568 in Rendsburg, Holstein, geboren. Later studeert hij filosofie en geneeskunde in Rostock, Frankfurt an der Oder en Padua. Daarna gaat hij naar Bazel, waar hij een doctoraat in de medicijnen behaalt. Rond 1599 raakt hij geïnteresseerd in alchemie. In 1608 vertrekt hij naar Praag, waar hij het volgende jaar als arts en raadsman in dienst treedt van keizer Rudolf II, die grote belangstelling heeft voor wetenschappen, cultuur en kunst. Deze ‘hermetische keizer’ benoemt Maier tot graaf. 

Tussen 1611 en 1616 brengt Maier door aan het hof van koning James I in Engeland. De kans is groot dat hij daar ontmoetingen heeft met Francis Bacon en Robert Fludd (fakkeldrager 6).In 1617 keert hij naar Duitsland terug en gaat in Frankfurt am Main wonen. In 1619 wordt hij arts van landgraaf Maurits von Hessen-Kassel. Deze landgraaf heeft grote sympathie voor Engeland en belangstelling voor alchemische mystiek en de rozenkruisersmanifesten. In 1620 verhuist Maier naar Magdeburg en beoefent daar de geneeskunde. Hij sterft op 54-jarige leeftijd in 1622 en laat een schat aan ongepubliceerde werken na. 

Als de commotie rondom de rozenkruisersmanifesten is verdwenen, publiceert Maier in 1617 Silentium post clamores (Stilte na het rumoer). Daarin schrijft hij over de rozenkruisers en hun vervolgers en over de mysteriescholen uit de oudheid. Hij wijst erop dat zijn tijdgenoten de wijsheid uit de oudheid ten onrechte veronachtzamen. Kernbegrippen die steeds terugkomen zijn kennis van de natuur, kunst, wetenschap, chemie, mysteriën, geheimhouding en nut voor de mensheid. 

Maier ziet de rozenkruisers als geleerde ingewijden die behoeders zijn van oeroude mysteriewijsheid die vanaf de mysteriescholen in het Oude Egypte door de eeuwen heen in het geheim is doorgegeven aan degenen die het waardig waren. Die geheimhouding is volgens Maier belangrijk, omdat onwaardigen de kennis van de ingewijden kunnen misbruiken en zo onheil stichten. Hij betoogt dat de verworven kennis allereerst in goede handen moet terechtkomen, daarna verder moet worden ontwikkeld en vervolgens dient te worden toegepast. Over de magie die in de Fama en de Confessio wordt genoemd en waarop veel kritiek is gekomen, schrijft Maier het volgende: 

Wij hoeven niet lang stil te staan bij het lovenswaardige van de magie, want van zichzelf is die al zo eerbiedwaardig. Toch degenereert deze edele wetenschap dikwijls en wordt van natuurlijk duivels, van ware filosofie tot necromantie. Dat komt dan volledig voor rekening van de navolgers ervan die, omdat zij deze hoge en mystieke kennis misbruiken of haar niet beheersen, gehoor geven aan de verleidingen van satan en door hem verleid worden tot de studie van de zwarte kunst. Vandaar dat magie uit de gratie is en door het volk degenen die haar bestuderen als tovenaars beschouwd worden. De broeders van het Rozenkruis daarentegen achtten het niet juist zich naar het beeld van de magiërs te modelleren, maar wel naar dat van de filosofen. Zij zijn geen onwetende charlatans, maar geleerde en ervaren geneesheren. Hun remedies zijn niet alleen effectief maar ook goddelijk.’ 

In ‘Themis Aurea‘ (De Gouden Themis – Themis is in de mythologie een dochter van Uranus en Gaia, een personificatie van orde en recht) beschrijft en becommentarieert Maier de zes orderegels die genoemd worden in de Fama Fraternitatis en waaraan de broeders van het Rozenkruis zich dienen te houden. Hij benoemt de voordelen van het navolgen van deze wetten, en analyseert ze mede in relatie tot hun rol voor de medische praktijk in zijn tijd. Hij houdt het gedrag en de werkwijze van de artsen en apothekers uit zijn tijd tegen het licht en bekritiseert toepassing van de verouderde medische inzichten van onder andere Galenus. 

Maier ziet in de werkwijze van de broeders een ideaal waar alle artsen en wetenschappers naar zouden moeten handelen: zonder ego, winstoogmerk, het wekken van verkeerde verwachtingen, mystificatie rond eigen kunnen of het ongefundeerd voorschrijven van middelen. Regelmatig gebruikt hij analogieën om zijn betoog te ondersteunen, waarbij hij terugvalt op tal van historische personages en godenfiguren uit de oudheid. 

Maier maakt duidelijk dat geheimhouding een belangrijke voorwaarde is om hoge doelstellingen te kunnen realiseren, maar merkt ook op dat openbaring van geheimenissen een functie heeft, op voorwaarde van een goede dosering. De broeders moeten volgens Maier bedacht blijven op de vele aasgieren die door onwil, onkunde en een malicieuze instelling hun werk onmogelijk willen maken. Tegelijkertijd vindt Maier dat zij zich niet langer dienen te verbergen dan strikt noodzakelijk is. In ‘Themis Aurea’ schrijft hij het volgende over de broeders.

‘Velen hebben hun Fama en ongevaarlijke Confessio naar beneden gehaald en verdraaid. Zij rekenen hen tot de ketters, geestenbezweerders, bedriegers en ontwrichters van de staat. O zware tijden, o slechte manieren! Wat is er van de wereld geworden wanneer lasterpraatjes voor waarheden moeten doorgaan, en zij die zich aan God en heiligheid toewijden en de Bijbel tot hun regel maken, ketters genoemd worden; wanneer zij, die de diepten van de natuur doorvorsen oplichters worden genoemd; wanneer zij, die zich erop toeleggen anderen goed te doen, bedriegers worden geacht; en tot slot wanneer zij, die hun uiterste best doen om hun land vooruit te helpen, voor zijn grootste vijanden worden gehouden?’ 

Er zijn grote overeenkomsten tussen de Duitser Michael Maier en de zes jaar jongere Engelsman Robert Fludd. Beiden zijn academisch opgeleid, hermetisch geschoold en beïnvloed door de werken van John Dee (fakkeldrager 2). Verder werken ze allebei als paracelcistisch arts, schrijven meerdere boeken waarin zij de rozenkruisers verdedigen en laten die publiceren bij dezelfde uitgeverij: die van Theodore de Bry in Oppenheim, die blijkbaar zeer sympathiek staat tegenover het gedachtegoed van de rozenkruisers. Zelfs de graveur van de illustraties in hun boeken is dezelfde persoon: Matthieu Merian. Toch is er wel een accentverschil. Waar Maier, hoewel lutheraan, vooral verwijst naar klassieke mythologie, citeert Fludd vrij veel uit de Bijbel. 

Vroeger dacht men dat Maier Fludd had geïntroduceerd in de wereld van de rozenkruisers. De onderzoekster Frances Yates schrijft in De verlichting van het Rozenkruis dat het waarschijnlijk andersom is, dat Fludd Maier nader in contact brengt met het Rozenkruis. Om de achtergrond daarvan te begrijpen is het zinvol om hier iets mee te delen over de politieke situatie in die tijd. 

In de Fama Fraternitatis staat: ‘In politiek opzicht erkennen wij het Roomse Rijk, maar Quarta Monarchia als ons hoofd en dat van de christenen’. In eerste instantie is dit een merkwaardige opmerking omdat de manifesten zich negatief uitlaten over de Rooms-katholieke kerk en over de paus, die zij in navolging van Luther de antichrist noemen. De benaming Quarta Monarchia, het vierde koninkrijk, verwijst hier waarschijnlijk naar de vierde wereld van de kabbalah, die Atziluth en ook wel de geestelijke wereld wordt genoemd. 

Van 1576 tot 1611 wordt het (Habsburgse) Roomse Rijk geregeerd door de zeer liberale, vernieuwende en ook excentrieke keizer Rudolf II. Zijn regeerperiode valt samen met die van Elisabeth I en James I in Engeland, met wie via boodschappers contacten worden onderhouden. Rudolf is bijzonder goed ingevoerd in hermetisme, esoterie en natuurwetenschappen, en doet alles om de ontwikkeling daarvan te bevorderen, hetgeen wel ten koste gaat van zijn bestuurlijke taken. Sommigen zien in hem zelfs een nieuwe Hermes Trismegistus. 

Hij wijst Wenen, de traditionele stad van de Habsburgers, af en vestigt zijn hof in Praag, de hoofdstad van Bohemen, het huidige Tsjechië waar in die tijd veel aanhangers van de hervormer Johannes Hus (1369-1415) leven. In de roerige tijd met talloze, felle godsdienstwisten noemt Rudolf II zich niet katholiek of protestant, maar ‘gewoon’ christen, en hij laat niemand in zijn rijk vervolgen om zijn of haar geloof. Hoewel hij officieel de aardse macht van de Roomse kerk representeert, komt hij steeds vijandiger tegenover het pausdom te staan en zelfs op zijn sterfbed weigert hij zich met Rome te verzoenen. 

De hermetische keizer stelt mensen aan om interessante objecten te verzamelen voor zijn indrukwekkende Kunst- und Wunderkammer die hij beschouwt als zowel een encyclopedie als een samenvatting van het heelal, die zich spiegelt in de mens, de microkosmos. Ook neemt hij kunstenaars en wetenschappers (waaronder de astronomen Tycho Brahe en Johannes Kepler) in dienst, en treedt hij op als beschermheer voor mannen als John Dee, Giordano Bruno en Michael Maier. Daarom wordt hij beschouwd als een grote begunstiger van hermetisten in heel Europa. 

Volgens Frances Yates vragen hermetici zich af wie Rudolf II het beste kan opvolgen om het christelijk-hermetisch mens- en wereldbeeld verder uit te breiden en uit te dragen in de samenleving. De universeel ingestelde Frederik V, keurvorst van de Palz en zijn vrouw – Elizabeth Stuart, de dochter van James I – lijken daarvoor de beste kandidaten. Het vorstelijk stel beleeft in 1613 in Londen een weelderige en sprookjesachtige bruiloft, symbolisch een huwelijk tussen de Rijn en de Theems. Yates betoogt dat Michael Maier naar Engeland gaat om onder andere de randvoorwaarden voor de gewenste troonopvolging te scheppen. Op 4 november 1619 wordt Frederik V inderdaad gekroond tot koning van Bohemen, maar hij regeert slechts één winter omdat zijn bondgenoten hem in de steek laten. Daarom is Frederik V de geschiedenis ingegaan met de bijnaam de ‘Winterkoning’. 

Zeven aforismen van Michael Maier 

  1. God heeft oneindig grote geheimenissen in de natuur gelegd, die de mens door kunst en denkwerk naar zich toe moet trekken en doorgronden. 
  2. Wanneer de vluchtige geesten in de lucht opstijgen, omvatten zij elkaar met liefde.
  3. Wie de filosofische rozentuin tracht binnen te dringen zonder sleutel, lijkt op een mens die wil lopen zonder voeten.
  4. Van het menselijke vernuft en de schilderkunst genieten wij meer in de denkgeest dan in een uiterlijk aanschouwen, samen komen zij stralend bijeen in iets wat het gemoed heet.
  5. Naar de mate waarin de mens zich in zijn tegenwoordige leven afwendt van het aardse en dierlijke en zich tot God wendt, neemt zijn innerlijke begrip meer toe, zodat hij delicate, geheime en onbegrijpelijke kwesties kan doorgronden en onderzoeken.
  6. De geleerde siert zich met deugden en wetenschappen, terwijl de niet-geleerde integendeel aan zwelgen en brassen plezier beleeft.
  7. Hoewel de sterfelijke mens nog iets onvolkomens in zich heeft, begeleiden hem toch steeds het gezonde verstand en Gods trouwe beschermengel, tot hij eindelijk in dit leven in volmaaktheid kan stralen en God van aangezicht tot aangezicht kan aanschouwen en loven.

Bron: Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis