8. Johann Valentin Andreae

 

Mijn hele leven heb ik zwaarder moeten torsen dan mijn schouders dragen konden.’ Dat schrijft de theoloog Johann Valentin Andreae (1586-1654) als hij terugblikt op zijn veelbewogen leven. Hij is dan mismoedig en beschouwt zijn leven als mislukt. Vanaf zijn studententijd heeft hij hoge idealen ten aanzien van een werkelijk christelijke samenleving, een gouden tijdperk dat ook zijn vriend en mentor Tobias Hess (1558-1614) verwachtte op basis van de profetie die de Italiaanse abt Joachim de Fiore eeuwen eerder deed.  Zijn hele werkzame leven draagt Andreae die idealen uit in geschriften, preken en gesprekken, maar helaas ziet hij daar niet de vruchten van. Die manifesteren zich pas veel later. 

Aan het einde van zijn leven heeft Andreae blijkbaar nog niet door dat hij gewerkt heeft voor de toekomst, dat zijn jeugdwerk De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis – dat hij zelf kenschetste als een ‘ludibrium’, een scherts of grap – ook nog in de 21ste eeuw wordt gelezen en dan gezien wordt als een belangrijk inwijdingsgeschrift. En hij heeft er ook geen idee van dat hij de geschiedenis in zal gaan als de vermeende initiator van de kleine, maar invloedrijke en wereldwijde beweging van het Rozenkruis, een stroming die hij vanaf 1618 nadrukkelijk de rug toekeert omdat onwetenden en onwaardigen aan de haal gaan met het zuivere gedachtegoed. Voor Andreae is het dan veel veiliger om afstand te nemen van de in diskrediet gekomen beweging van het Rozenkruis, en zijn idealen voor vernieuwing te gaan realiseren binnen de bestaande kerk van Luther. 

Als jongeman is Andreae enthousiast over het Rozenkruis, maar als hij merkt dat de manifesten heel andere reacties oproepen dan hij en zijn vrienden hadden gehoopt, beweegt hij zich steeds meer in de richting van de stroming binnen de Lutherse kerk die bekend staat als het piëtisme, waarbinnen men zich wijdt aan een praktisch en vroom christendom. De vader van het piëtisme, Philip Jakob Spener (1635-1705) roemt Andreae ‘omdat niemand de wonden van de kerk zo scherp heeft waargenomen als hij’. Tegelijkertijd ziet Andreae ook grote perspectieven. In vrije navolging van de klassieker ‘Utopia’ van Thomas More uit 1516, beschrijft hij in 1619 in zijn werk Christianopolis een ideaalbeeld van een werkelijk christelijke samenleving. 

Johann Valentin Andreae wordt in 1586 geboren in een familie van lutherse theologen in de Duitse deelstaat Württemberg. Zijn vader Johannes Andreae (1554-1601) is superintendent – een titel voor hoofdpredikant – in Herrenberg en zijn moeder werkt als apotheker. Zijn grootvader Jakob Andreae (1528-1590) was als theoloog en protestantse hervormer betrokken geweest bij de totstandkoming van de statuten en reglementen van de Lutherse kerk. 

Als Johann Valentin Andreae vijftien jaar is, overlijdt zijn vader, die tot op dat moment abt te Königsbronn was. Als het gezin drie weken later verhuist naar Tübingen en hij op de bok van de wagen wil springen, komt hij met zijn benen tussen de spaken van het wiel, waardoor hij zijn benen verdraait en zijn hele leven mank loopt. In 1602 begint zijn buitengewoon lange studietijd, die steeds weer wordt onderbroken door zelfstandige studie en meerdere lange reizen in met name Duitsland, Frankrijk en Italië. Al vroeg blijkt zijn aanleg voor talen en zijn literaire begaafdheid. De jonge Andreae heeft een brede belangstelling en ontwikkelt uitzonderlijke kennis en vaardigheden op het gebied van moderne talen, wiskunde, natuurwetenschappen, geschiedenis, aardrijkskunde en theologie omdat hij bijna dag en nacht studeert. 

In de periode tussen 1608 en 1612 leert hij aan de universiteit van Tübingen de rechtsgeleerde Christoph Besold kennen, die hem toegang geeft tot zijn bibliotheek van 3870 werken. In die tijd komt hij ook nauwer in contact met Tobias Hess (1558- 1614), die vroeger al samen met zijn vader Johannes Andreae alchemistische proeven deed, die enkele broertjes en zusjes van hem medisch heeft behandeld, en die hem nu uitnodigt deel te nemen aan zijn Kring van Tübingen, de groep van lutherse geleerden waarbinnen de manifesten van de rozenkruisers tot stand komen. 

De manifesten kunnen binnen de kring van Tübingen worden geschreven omdat daar meerdere ontwikkelingslijnen samenkomen, waaronder de tradities van de moderne devotie en de Rijnlandse mystiek (van met name Suso, Eckehart en Tauler), de geschriften van Hermes Trismegistus, het humanisme van de renaissance, de werken van Paracelsus (fakkeldrager van het Rozenkruis 1) en de nog in de kinderschoenen staande natuurwetenschappen, waartoe op dat moment ook de alchemie nog kan worden gerekend. 

In 1614 voltooit Johann Valentin zijn studie en wordt hij diaken te Vaihingen bij Stuttgart. Ongeveer een half jaar later trouwt hij met Agnes Elisabeth Gröniger, bij wie hij negen kinderen krijgt, maar van wie er uiteindelijk maar drie overleven en volwassen worden. In 1620 wordt hij superintendent in Calw. Voor Andreae zijn vrienden heel belangrijk. Van elke ontmoeting en elke bijeenkomst maakt hij aantekeningen, terwijl hij briefwisselingen onderhoudt met in totaal zo’n driehonderd personen. Tijdens de dertigjarige oorlog verliest hij twee keer zijn huis als gevolg van brandstichting door rondtrekkende, plunderende en verwoestende legers: in 1618 en in 1634. Daarbij gaan veel manuscripten en kunstschatten in vlammen op. 

In 1641 promoveert Andreae tot doctor in de theologie. Hij is persoonlijk adviseur van prinses Antonia van Württemberg en geeft haar adviezen voor de vormgeving van haar kabbalistische leertafel, een beroemd drieluik dat nu nog jaarlijks door duizenden mensen uit vele landen wordt bewonderd in de Dreifaltigkeitskirche in Bad Teinach. Zijn laatste twee functies zijn die van abt van de kloosters in Bebenhausen en Adelberg. In 1654 overlijdt hij na een lange en slopende ziekte aan een herseninfarct in Stuttgart. 

Wie heeft de manifesten van de klassieke rozenkruisers geschreven? De meeste boeken vermelden Johann Valentin Andreae als de auteur. In zijn autobiografie geeft Andreae uitdrukkelijk toe dat hij De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis heeft geschreven, maar hij schrijft nergens expliciet wie de auteur van de Fama en de Confessio is. De benaming ‘Rozenkruis’ is Johann Valentin als het ware op het lijf geschreven, want het wapen van zijn familie is samengesteld uit een andreaskruis en vier rozen. 

De Spaanse historicus Carlos Gilly, gespecialiseerd in de geschiedenis van de rozenkruisers, heeft sterke argumenten voor de hypothese dat Andreae ook de auteur is van de Fama en de Confessio, waarin hij het gedachtegoed van zijn oudere vriend Tobias Hess verwerkt. Gilly baseert zijn conclusies niet alleen op de autobiografie van Andreae, maar ook op andere geschriften van hem, met name ‘Turris Babel’ (De Toren van Babel), dat verscheen in 1619 en gaat over de spraakverwarring rondom het fenomeen rozenkruisers, en ‘Theca gladii spiritus’ (De schede van het zwaard van de geest, ontleend aan Efeze 6:17) uit 1616. 

Andreae kwalificeert de Fama weliswaar als ‘een spelletje van de geest’ of ‘een onbeduidende grap’, maar dat betekent niet dat hij afstand neemt van zijn oorspronkelijke boodschap van broederschap in christelijke gezindheid, want in ‘Turris Babel’ schrijft hij: 

‘Hoe meer ik over deze Fraternitas nadenk, des te kunstiger lijkt mij het spel geweest te zijn. Want er kwam hier zo’n hoeveelheid menselijke verwachtingen tot uitdrukking, dat zelfs bij eminente mannen de wens moest ontwaken zich tot de broederschap te wenden om hulp te verwerven voor hun eigen werkzaamheden. En inderdaad zou zo’n broederschap van hoogbegaafde en scherpzinnige mannen volledig in staat geweest zijn, doeleinden te bereiken die wij met ons verstand nog in het geheel niet kunnen bevatten.’ 

Andreae declareert zichzelf impliciet als auteur van de Fama als hij in ‘Turris Babel’ schrijft: ‘Welnu dan, stervelingen, u behoeft geen broederschap meer te verwachten. Het spel is ten einde. De Fama heeft het opgevoerd en ook weer afgevoerd. De Fama zei “ja”, nu zegt zij:”nee”.’ 

Om veiligheidsredenen voelt Andreae zich gedwongen zijn oorspronkelijke plan in een andere vorm te gieten. Dat laat hij in ‘Turris Babel’ als volgt doorschemeren:

‘Weliswaar moet ik deze broederschap nu opgeven, maar nooit de ware christelijke broederschap, die onder het kruis met rozen geurt en die zich vastberaden afkeert van de slechtheid van de wereld, met haar dwalingen, dwaasheden en ijdelheden. Te allen tijde ben ik bereid het besluit te nemen tot zo’n broederschap met alle vrome, verstandige en creatieve mensen.’ 

De ‘Theca gladii spiritus’ verschijnt anoniem in 1616 in Straatsburg, maar Andreae, die de uitgave verzorgt, wekt met opzet de indruk dat de in het boek opgenomen achthonderd zinsneden een door Tobias Hess – die kort tevoren overleden was – samengestelde verzameling uittreksels uit gedrukte en ongedrukte werken vormt. Andreae heeft deze spreuken echter niet ontleend aan teksten van Hess, maar aan zijn eigen geschriften, die evenwel onder sterke beïnvloeding van Hess tot stand zijn gekomen. 

Pas in 1642, in de ‘Indiculus librorum’, geeft Andreae te kennen dat hij de enige auteur van de Theca is. In zijn autobiografie of Vita verklaart hij dit met de woorden: ‘Weliswaar toegeschreven aan Hess, echter afkomstig van mij’. Andreae heeft zich blijkbaar dusdanig geïdentificeerd met de gedachtenwereld van zijn vriend, dat hij niet geheel onwaarheid spreekt als hij in het voorwoord van de Theca schrijft: 

‘Wij hebben deze spreuken ontleend aan concepten van Tobias Hess, de vrome man die uitstekend thuis was in de gehele literatuur en die nu in de hemel bij de heiligen verblijft’. 

Gilly concludeert: 

‘Met deze late bekentenis bestempelt Andreae zichzelf niet alleen als auteur van de Theca, maar indirect eveneens als auteur van de Confessio Fraternitatis R.C. De Theca van 1615 bevat namelijk zoals Martin Brecht reeds in 1977 bewezen heeft niet alleen talrijke citaten uit reeds verschenen of destijds nog niet eens verschenen werken van Andreae, maar ook achtentwintig zinsneden uit de Confessio.’ 

De onderzoeker, auteur en vrijmetselaar Manly P. Hall (1901- 1990, fakkeldrager 18) schrijft in zijn boek ‘An Encyclopedic Outline of Masonic, Hermetic, Cabbalistic and Rosicrucian Symbolic Philosophy’ uit 1928 dat het zeer onwaarschijnlijk is dat Johann Valentin Andreae De Alchemische Bruiloft geschreven heeft, omdat het werk een dusdanige diepgang heeft dat zelfs degenen die het diepzinnigste begrip van de mysteriën van de natuur bezaten diep onder de indruk waren van de inhoud van de Alchemische Bruiloft. Andreae is 28 jaar als De Alchemische Bruiloft wordt gepubliceerd, maar het manuscript is waarschijnlijk ongeveer twaalf jaar eerder geschreven. Als Andreae de auteur zou zijn, zou hij het werk geschreven moeten hebben toen hij vijftien of zestien jaar was. Het is moeilijk aan te nemen dat iemand met die leeftijd een werk kan schrijven met zo’n rijkdom aan symbolische gedachten en filosofische overwegingen. 

In haar boek De verlichting van het Rozenkruis uit 1973 schrijft Frances Yates dat de jonge Johann Valentin wordt beïnvloed door reizende Engelse acteurs die hij ziet optreden in onder andere het slot in Heidelberg met tuinen met een fontein en een poort die bewaakt wordt door een leeuw.  Die omgeving vormt het decor in de eerste versie van het fantasieverhaal dat Andreae schrijft onder de naam De Alchemische Bruiloft. In zijn autobiografie schrijft Andreae dat hij in 1602 en 1603 zijn eerste schrijfpogingen onderneemt ‘om de Engelse acteurs te overtreffen’. Dat doet hij in de vorm van twee komedies op de thema’s Esther en Hyacint en De Alchemische Bruiloft die hij onbeduidend noemt. 

Volgens Frances Yates herschrijft Andreae zijn jeugdwerk grondig voordat het in 1616 in gedrukte vorm wordt gepubliceerd, en waarin zij invloeden van John Dee (fakkeldrager 2) herkent. Manly P. Hall (fakkeldrager 18) ziet in De Alchemische Bruiloft echter de sleutel tot het Rozenkruis van Francis Bacon (fakkeldrager 4), van wie bekend is dat hij eenvoudige verhalen opwaardeert door ze te herschrijven en er mysteriewijsheid in te verwerken. 

Peter Dawkins ziet ook in de Fama en de Confessio de invloed van de vernieuwingsplannen van Bacon. Het zou kunnen dat Francis Bacon aan de Kring van Tübingen in het algemeen en aan Johann Valentin Andreae in het bijzonder de opdracht heeft gegeven om de rozenkruisersmanifesten te schrijven. Een aanwijzing voor die hypothese, die vooralsnog niet bewezen is, zijn gravures van Andreae waarin coderingen voor de naam Francis Bacon zijn opgenomen.

Zeven aforismen van Johann Valentin Andreae 

  1. Wij streven ernaar het licht van de waarheid, de reinheid van het geweten en ons getuigenis onbezoedeld te bewaren en overal en altijd de tegenwoordigheid van God bewust te zijn. 
  2. Laten wij liefhebben zoals Hij, en laten wij elkaar na afwerping van de tooi van titels en de trots van ereambten ‘broeders’ noemen. 
  3. U mag de stad Christianopolis doorkruisen, maar u moet dit doen met een onpartijdig oog, een beheerste tong en een gepaste houding.
  4. Een broederschap van hoogbegaafde en scherpzinnige mannen zou volledig in staat geweest zijn doeleinden te bereiken, die wij met ons verstand nog in het geheel niet kunnen bevatten. 
  5. Bij elke vorm van wetenschapsbeoefening blijft het de mens een plicht om niet te vergeten waarom hij in de wereld is gezet, wat hij aan het nu en weldra aan de eeuwigheid verschuldigd is, wat het voedsel voor zijn ziel is en waar de grens ligt van zijn nauwelijks te verzadigen denkgeest. 
  6. Nooit zal ik opgeven de ware christelijke broederschap, die onder het kruis met rozen geurt en die zich vastberaden afkeert van de slechtheid van de wereld, met haar dwalingen, dwaasheden en ijdelheden. 
  7. Er blijft ons slechts over God te bidden, dat hij met zijn heilige stift in uw hart moge griffen, dat wat volgens zijn wijsheid en goedheid heilzaam voor u zal blijken. 

Bron: Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *