Beschouwing 4

Mysteriën van God, kosmos, mens

Beschouwing 4: Esoterisch onderricht ontvangen (hoofdstuk 4 van het bijbehorende boek

 

Muhammed Ali al-Samman deed een opmerkelijke vondst die visies op de gnosis en het vroege christendom in de oudheid sterk hebben veranderd. Deze Arabische boer begon op 16 december 1945 vroeg in de morgen in de woestijn bij zijn woonplaats Nag Hammadi in Midden-Egypte te graven omdat hij op zoek was naar teelaarde. Daarbij stuitte hij op een oude stenen kruik. Hij werd nieuwsgierig en hoopte dat er iets in zou zitten dat hem rijk zou kunnen maken. Tegelijkertijd was hij ook een beetje bang omdat er in de kruik misschien wel een boze geest zou kunnen wonen. 

Muhammed Ali verzamelde moed en sloeg de kruik kapot om te kijken wat er in zat. Groot was zijn teleurstelling toen deze analfabeet ontdekte dat er alleen maar dertien oude lederen banden met geschriften in zaten, die hij niet kon lezen. Hij wist dat het iets met vroegere christenen te maken had en ging met zijn vondst naar zijn islamitische geestelijke leider. Die verzekerde hem dat hij daar niets mee kon. Toch deed Muhammed Ali zijn best om deze voor hem waardeloze rommel te verkopen. Waarschijnlijk heeft hij er uiteindelijk een heel bescheiden geldbedrag voor gekregen. 

Na vele omzwervingen kwamen de manuscripten die bekend geworden zijn als de Nag Hammadi-geschriften beschikbaar voor historisch wetenschappelijk onderzoek. Het bleek te gaan om 52 teksten uit de derde en vierde eeuw die Koptische vertalingen waren van religieuze en filosofische teksten, die oorspronkelijk in het Grieks waren geschreven. 

Pas in 1977 kwam een integrale Engelse vertaling tot stand onder de supervisie van de Amerikaanse geleerde James M. Robinson: The Nag Hammadi Library in English. Op het eerste gezicht lijkt het een heterogene verzameling met onder andere christelijke teksten, filosofische teksten, gnostische teksten en drie hermetische teksten: Inwijding in de achtste en negende sfeer, Hermetisch dankgebed (zie lofzang 4) en Asclepius (al bekend in Europa in de middeleeuwen). 

Ondanks de grote verscheidenheid in de Nag Hammadi-geschriften is er toch een gemeenschappelijk kenmerk in te ontdekken: gnosis in de meest brede zin van het woord. De grote vraag is waarom juist deze geschriften destijds in het woestijnzand zijn verstopt. Een algemeen aanvaarde verklaring is dat monniken van het door Pachomius gestichte klooster bij Tabennisi aan de oevers van de Nijl deze bibliotheek van manuscripten begraven hebben omdat ze bang waren dat deze anders zou worden vernietigd.  

De kerkvader Athanasius van Alexandrië (295-373) had namelijk in het jaar 367 een waarschuwende brief laten uitgaan naar vele christelijke geloofsgemeenschappen. Daarin gaf deze bisschop een opsomming van geschriften die nu deel uitmaken van het Nieuwe Testament en benadrukte ‘alleen in deze boeken wordt de leer van de goddelijkheid verkondigd’ – een soort white-list dus. In die brief waarschuwde Athanasius voor de zogenaamde apocriefe boeken, die door ketters geschreven zouden zijn om ‘de eenvoudigen van geest op een dwaalspoor te brengen’. 

Verboden boeken 

Bepaalde monniken van het Pachomius-klooster vonden op hun innerlijke weg waarschijnlijk steun in het lezen van manuscripten die niet in de brief werden vermeld en waren misschien bang dat ze als gevolg van het bezit van ‘verboden boeken’ geëxcommuniceerd en uit hun klooster verwijderd zouden worden. Daarom hebben zij die manuscripten wellicht bij elkaar in een kruik gestopt, uit het klooster gesmokkeld en verderop begaven. 

Uit analyses van de Nag Hammadi-bibliotheek in relatie tot de geschiedenis kunnen vele conclusies worden getrokken. We noemen er hier slechts drie omdat die belangrijk zijn voor de thematiek in dit boek.

De gnosis in de oudheid was veel gevarieerder en universeler dan blijkt uit berichten van bestrijders, die er ten onrechte van uitgingen dat de gnosis uitsluitend van christelijk-ketterse oorsprong was. Het jonge christendom was veel pluriformer dan voorheen werd aangenomen. Zowel het christendom als het hermetisme uit de oudheid hadden een esoterisch karakter: het geestelijke inzicht, de gnosis, is niet zomaar toegankelijk voor iedereen, maar alleen voor hen die innerlijk aangeraakt zijn, die zich voor haar openstellen en zich aan haar wijden. 

Lang voordat de Nag Hammadi-geschriften beschikbaar kwamen, waren er enkelingen die de bovengenoemde bevindingen al uitdroegen in woord en geschrift. De Britse historicus, theosoof, gnosticus en auteur George Robert Stow Mead (1863-1933) was één van hen. In 1884 studeerde hij af als classicus en raakte zeer geïnteresseerd in oosterse spiritualiteit. Drie jaar later werd hij lid van de Theosofische Vereniging. In 1890 zegde hij zijn baan als leraar op om de persoonlijke secretaris te worden van Helena Blavatsky (1831-1891), oprichtster en toenmalig presidente van de Theosofische Vereniging. 

Geleidelijk verschoof Meads belangstelling van oosterse spiritualiteit naar westerse esoterie zoals die te vinden is in de Griekse wijsbegeerte, het vroege christendom en het hermetisme. Het is een ontwikkeling die velen doormaken: eerst zich losmaken van het kerkelijke christendom, vervolgens toevlucht zoeken in oosterse spiritualiteit en tenslotte verrijkt met nieuwe inzichten terugkeren naar de christelijke wortels. George Mead was daarin allesbehalve oppervlakkig. Hij deed grondige en wetenschappelijk verantwoorde onderzoekingen en publiceerde veel, met name vertalingen van en beschouwingen over klassieke hermetische en gnostieke geschriften. In zijn boek Zegezangen van Hermes’ Gnosis uit 1906 schrijft hij onder andere:

‘Er is geen christelijke gnosis of hermetische gnosis, er is slechts één gnosis. Als die gnosis voor zekere doeleinden werd verbonden met de naam van de grote leraar Jezus van Nazareth, of doorgegeven door Hermes, is het niet aan ons de twee stromingen in hoofd en hart van elkaar te onderscheiden. De twee overleveringen verklaren elkaar wederkerig en vullen elkaar aan. Zij komen uit één bron en zij zijn onderdeel van hetzelfde geordende weten. Lees de fragmenten van de twee openbaringen van dit vergeten geloof en u zult het zelf zien.
Als ik het goed begrijp is de essentie van het gnostieke gedachtegoed het geloof dat de mens de grenzen van de dualiteit kan overschrijden en een bewust goddelijk wezen kan worden. Hij moet het probleem van zijn tijd oplossen, zijn huidige beperkingen te boven komen.
Het is dwaas tot het verleden terug te keren, en ons opnieuw in die aloude denkwereld te storten. We zouden als het ware een mentale en spirituele reïncarnatie achterwaarts beleven. Dezelfde dwaasheid begaan theologische letterknechten, die dan ook vastlopen in het dode stelsel, terwijl het getij van geestelijk leven juist gekeerd is.’ 

Gnostiek fundament 

George Mead legde een stevig gnostiek fundament waarop anderen konden voortbouwen. J. van Rijckenborgh gebruikte als basis voor zijn boekenserie ‘De Egyptische Oergnosis’ bijvoorbeeld de Engelse vertaling van het Corpus Hermeticum door George Mead uit 1906. Ook maakte Van Rijckenborgh voor toespraken voor zijn leerlingen dankbaar gebruik van de Engelse vertaling van het ‘Evangelie van de Pistis Sophia’, die Mead al in 1896 had gepubliceerd en waarvan de tweede druk was verschenen in 1921. De Pistis Sophia wordt voorgesteld als een vrouw die het gnostieke pad van inwijding gaat en daarbij wordt gesteld voor dertien ziele-omwendingen die zij moet doorstrijden om tot ziele-wedergeboorte te kunnen komen. Die ziele-omwendingen komen tot uitdrukking in de dertien zogeheten boetezangen die zij zingt (en waarvan er drie zijn opgenomen in dit boek ,zie lofzang 5). 

Het manuscript van het gnostieke Evangelie van de Pistis Sophia, dat waarschijnlijk is geschreven in de derde of vierde eeuw, lag al sinds 1785 in de bibliotheek van het British Museum. Op aanraden van Blavatsky vertaalde Mead het uit het Grieks in het Engels en publiceerde het. Blavatsky moest niets hebben van het toenmalige kerkelijke christendom, maar dit gnostieke evangelie vond ze uitermate belangrijk omdat ‘de ziel steeds het ene onderwerp is, en de wetenschap van de ziel het enige doel was van al de oude mysteriën’. 

In deel vier van zijn boek De gnosis in actuele openbaring gaat Van Rijckenborgh dieper in op de betekenis van de woorden Pistis en Sophia voor de mens die de gnostieke weg wil gaan. Hij ziet de Pistis en de Sophia als twee stromen of emanaties die voortvloeien uit het goddelijke rijk (door gnostici aangeduid als het Pleroma) en die tezamen de mensheid kunnen transformeren in overeenstemming met het godsplan. De Pistis is de stroom van kennis zoals die binnen authentieke spirituele tradities op talloze manieren vorm krijgt, en die door de meerderheid veelal verkeerd wordt begrepen en toegepast. 

De Sophia staat voor de stroom van wijsheid, houdt zich afzijdig van de wereld, maar straalt wel op haar in. Die Sophia is in alle authentieke spirituele tradities bekend. In het apocriefe bijbelboek ‘Wijsheid van Salomo’ wordt zij op allerlei manieren bezongen (zie lofzang 6). Van Rijckenborgh schrijft: 

‘In de gang van de tijden zien we hoe in de wereld steeds verschijnt een uiterlijke openbaring van de goddelijke Broederschap, die, al of niet in de persoon van boodschappers, een godsdienst sticht. En wanneer die godsdienst gaat doorwerken en zich verbreiden, spat hij uiteen in een min of meer groot aantal gezindten en sekten. En dat is prachtig, dat is heel goed, hoewel tallozen er tegen fulmineren. En ook dat fulmineren is weer bijzonder goed, want dit alles wijst op de doorwerking, op de uitwerking, van een magnetische kracht; van de primaire emanatie van het Pleroma: de Pistis, die zich onophoudelijk aan de gehele mensheid kenbaar maakt, in duizend en een gedaanten. […] 

Het is logisch dat op de aanraking van de Pistis een puur verstandelijke reactie volgt. Sommige mensen reageren direct spontaan, emotioneel, doch anderen reageren van de aanvang mentaal. En deze mentaal gerichten gaan, wanneer zij de aanraking van de Pistis ondergaan, zich daarop bezinnen. Zo is in de loop van de tijden de theologische wetenschap ontstaan, in de veelheid van haar aanzichten. Een theoloog is een specialist; een specialist met betrekking tot de kennis, die de mensheid onder invloed van de primaire emanatie in de loop van de tijden vergaderd heeft. Hij is daarom een specialist omdat hij uit de veelheid van de verschijnselen een keuze gedaan heeft: hij is een christelijke, een islamitische, een boeddhistische, een brahmaanse of nog een ander soort theoloog. En is hij een christelijke theoloog, dan is daarmee nog lang niet alles gezegd; want dan gaat het er om te bepalen van welke van de duizend en één christelijke gezindten en sekten hij een theoloog is. […] 

Ziet u in dat de worsteling van de theologische partijen en zienswijzen juist het einddoel is van de opdrijvende, stimulerende emanatie van de Pistis? De mens steeds en steeds weer opnieuw op te jagen tot de grens van haar armzalige mentale kunnen! Dienaren van de Pistis en haar kudden kunnen niet anders dan het heil vermoeden en zoeken, maar in hun staat-van-zijn zullen zij dat heil nimmer kunnen vinden. […] 

De Pistis wijst naar de Sophia. Maar wie of wat is de Sophia? Het is de andere goddelijke emanatie, die de Pistis begeleidt, de ware, onaantastbare wijsheid, de wijsheid die, zonder ook maar enige concessie te doen, uit het Pleroma van God voortvloeit. En deze Sophia neemt gestalte aan in wat wij noemen: de Gnosis; in de gnostieke geestesscholen van alle tijden. En in deze scholen van de Gnosis vinden wij dan ook dezelfde Sophia, dezelfde wijsheid: dezelfde weg, dezelfde waarheid en hetzelfde leven. Onverschillig of de zoekers kwamen uit deze of gene gemeenschap, of ze bruin, rood of blank gekleurd waren, of ze kwamen uit het boeddhistische, het islamitische of het christelijke kamp, zij werden door die ene Sophia gereinigd. En in die ene Sophia gingen zij onder tot wedergeboorte.’ 

De benamingen Pistis en Sophia worden ook wel aangeduid als respectievelijk exoterie, bedoeld voor de massa, en esoterie, bedoeld voor ingewijden. Volgens de esoterische leraar George Gurdjieff is deze tweedeling te kort door de bocht. Hij gaat niet uit van exoterie versus esoterie, maar van de driedeling exoterisch, mesoterisch en esoterisch, die kan worden weergegeven in drie concentrische cirkels.

Exoterisch, mesoterisch en esoterisch 

De binnenste of esoterische cirkel wordt volgens Gurdjieff gevormd door de mensen die de hoogste ontwikkeling hebben bereikt die voor de mens mogelijk is, die de volledige controle hebben over hun bewustzijnstoestanden en de beschikking hebben over een vrije en onafhankelijke wil. Zij kunnen niets doen wat in strijd is met hun inzicht, of een inzicht hebben dat geen uitdrukking vindt in hun handelingen. De mensen die behoren tot de middelste of mesoterische cirkel, begrijpen vrijwel hetzelfde als de mensen van de esoterische cirkel, maar dat weten is van een meer theoretische aard en vindt nog niet volledig uitdrukking in hun handelen. Tussen hen kan geen meningsverschil en geen misverstand bestaan. 

De derde cirkel heet de ‘exoterische’ cirkel, omdat het de buitenste cirkel van het binnenste deel van de mensheid is. De mensen die tot deze cirkel behoren, bezitten veel van hetgeen de mensen van de esoterische en de mesoterische cirkels bezitten, maar hun weten is van veel meer filosofische aard en vertaalt zich nog nauwelijks in handelen. De grote meerderheid van de mensen maakt volgens Gurdjieff nog geen deel uit van de exoterische cirkel, maar bevindt zich in de periferie. Zij begrijpen relatief weinig, zijn zich zeer beperkt bewust van zichzelf en laten zich nog voornamelijk leiden door externe invloeden. Gurdjieff vergelijkt de mens met een machine die automatisch functioneert, maar geen bewustzijn heeft. Als hij vandaag zou leven, zou hij misschien de computer gebruiken als metafoor voor de onontwaakte mens. 

De genoemde driedeling van Gurdjieff komt aardig overeen met de visie van Karl von Eckartshausen (1752-1803). Deze Duitse esotericus gaat uit van een drievoudige universele wijsheidsschool van de mensheid die hij baseert op de tabernakel zoals die wordt beschreven in het Oude Testament, met een voorhof, een tempel en een heiligdom. In zijn boekje Enkele woorden uit het binnenste noemt hij ze ook het uiterlijke, het innerlijke en het binnenste.

De mens – de natuur – God – dat zijn de onderwerpen in de wijsheidsscholen: de mens in de voorhof, de natuur in de tempel, God in het heiligdom. Het is altijd de bedoeling van de wijsheidsschool geweest de mens uit de voorhof van zijn eigen zelf naar de tempel van de natuur te leiden, en, door de natuur heen, naar het binnenste heiligdom, naar God.
De werkwijze van de wijsheidsschool is in het binnenste goddelijk, in het innerlijke geestelijk en in het uiterlijke natuurlijk. Haar mysteriën bestaan uit de verbinding van de stoffelijke wereld met de wereld van de geest en uit de verbinding van de geest met die van God.
Zij laat mensen van alle religies in de voorhof toe, omdat het haar bedoeling is mensen met mensen en mensen met God te verbinden. In de voorhoven kan de verscheidenheid van de religies blijven bestaan. De tempel wordt betreden door broeders met hun medebroeders. En in het heiligdom worden zij, als gezalfden, als christenen, één met elkaar.’ 

Hermetisme en christendom 

Von Eckartshausen noemt nergens zijn bronnen, maar zijn geschriften zijn onmiskenbaar christelijk en hermetisch tegelijk. De monniken die de manuscripten in Nag Hammadi begroeven wisten uit ervaring dat christendom en hermetisme prima kunnen samengaan. Lodovico Lazzarelli en Karl von Eckartshausen lieten die idee in hun geschriften doorschemeren. En George Mead en J. van Rijckenborgh droegen die opvatting nadrukkelijk uit. Van Rijckenborgh spande zich zelfs in voor de realisatie van dat wat hij wel aanduidde als de oecumene van Hermes, die gebaseerd is op een innerlijk herkennen en die veel breder, dieper en hoger gaat dan praktische samenwerking tussen religieuze en spirituele organisaties. 

Soms wordt de samenhang tussen hermetisme en christendom op kunstzinnige wijze groot in beeld gebracht. Zo heeft de Walburgiskerk in Zutphen, Nederland een gewelfschildering van Hermes Trismegistus en de kathedraal van Sienna, Italië beschikt over een groot en beroemd vloermozaïek waar Hermes esoterisch onderricht geeft aan Mozes (zie afbeelding 7). 

Dit boek ‘Mysteriën en lofzangen van God, kosmos, mens’, dat vooral gebaseerd is op de hermetische gnosis, behandelt leringen en zienswijzen die velen aanduiden als esoterisch, maar in feite gaat het hier om een communicatiemedium dat het mogelijk maakt dat zoekers in contact komen met dat wat Gurdjieff de exoterische cirkel en Von Eckarthausen de uiterlijke school en de voorhof noemt. Het is gericht op de mens die vanuit innerlijke nood een Tat wil worden, een leerling van Hermes. Hermes is niet de biologische vader van Tat, maar de geestelijke vader: hij heeft het vuur in zijn leerling verwekt. Daarom spreekt Tat zijn leraar aan met vader en beschouwt Hermes zijn leerling als zijn zoon. 

In Tat is het archetype Hermes Trismegistus als innerlijke meester volledig aanwezig, maar heeft zich nog niet gemanifesteerd. Tat beschikt over een ontwikkeld en gecultiveerd persoonlijkheidsbewustzijn, maar nog niet over een zielebewustzijn en dus ook nog niet over een geestzielebewustzijn. De ziel en de geest kunnen zich pas geleidelijk in hem uitdrukken als hij onder begeleiding van Hermes Trismegistus – symbool voor een gezondene en een geestesschool – een innerlijke weg gaat. Die weg van transfiguratie wordt in symbolische vorm schitterend weergegeven in de dialoog tussen Tat en Hermes in het veertiende boek van het Corpus Hermeticum. Daarom is dat veertiende traktaat volledig opgenomen in dit boek, verdeeld over de hoofdstukken 4, 5 en 6. 

Een bonafide geestesschool werkt in spirituele zin voor de gehele mensheid omdat zij haar roep in het wereldveld krachtig laat klinken, hoorbaar en onhoorbaar, zichtbaar en onzichtbaar. In praktische zin werkt zij alleen met hen die tot haar komen en ‘ernaar verlangen onderricht te worden in de wezenlijke dingen, hun aard te begrijpen en God te kennen’. (Corpus Hermeticum 1:6) Zij spreekt niet tot de grote meerderheid omdat ‘zij die in de gnosis wandelen de massa niet behagen en anderzijds de massa haar niet behaagt. Zij worden als dwaas beschouwd, zijn het voorwerp van gelach en spotternij en worden gehaat en veracht en soms zelfs vermoord.’ (Corpus Hermeticum 11:11) 

Ontmaskerend en verbrekend 

Dergelijke furieuze en destructieve reacties op uitingen van de gnosis zijn helaas geen uitzonderingen gebleken, want de gnosis werkt ontmaskerend en verbrekend op vormen die niet met haar in overeenstemming zijn. Mede daarom zegt Jezus in zijn Bergrede tot zijn discipelen ‘Geef het heilige niet aan de honden, en werp uw parels niet voor de zwijnen, opdat die ze niet op enig moment met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren’ (Mattheüs 7:6). En de klassieke rozenkruisers uit de zeventiende eeuw voegen daar aan toe: ‘strooi geen rozen voor de ezels’, want ‘onthulde geheimen worden waardeloos en ontwijd verliezen zij hun kracht’. Daarom is in geestesscholen een bepaalde vorm van geheimhouding altijd noodzakelijk. Zo kunnen we begrijpen waarom Hermes zijn leerling Tat het volgende advies geeft. 

‘Vermijd evenwel de omgang en discussies met de grote massa; voorzeker niet omdat u hun uw rijkdommen zou willen onthouden, maar veeleer omdat de massa u slechts belachelijk zal vinden. Want het gelijke wordt door het gelijke aangetrokken; maar het ongelijke is bij het ongelijke nimmer geliefd.
De woorden welke ik gesproken heb trekken slechts uiterst weinig welwillende toehoorders, of misschien zelfs niet eens die weinigen. Deze woorden hebben bovendien dit bijzondere in zich: dat zij de bozen tot nog meer boosheid prikkelen. Daarom is het nodig zich voor de massa in acht te nemen, omdat zij de bevrijdende kracht en heerlijkheid van het gesprokene niet begrijpt.’
(Corpus Hermeticum 5:65) 

De mens die voor het eerst in zijn hart diep geraakt wordt door de gnosis, ervaart een enorme blijdschap en gunt die vreugde aan allen die hem dierbaar zijn. Maar als hij daarover begint en hen probeert te betrekken bij zijn nieuwe ontdekkingen, blijken zij daar meestal helemaal geen interesse in te hebben. Dan is het doorgaans het beste om gewoon over te gaan tot de orde van de dag en het daarbij te laten, en zeker geen pogingen te doen om de betrokkenen in contact te brengen met een geestesschool. 

Catharose de Petri licht dat als volgt toe in hoofdstuk 6 van Het zegel der vernieuwing.

‘Als u een vis op het droge haalt, dan zult u hem doden omdat u het dier distantieert van zijn natuurwetmatig levenselement. Als u een mens in de levensatmosfeer plaatst van de gnosis, dan hebt u van te voren zeer goed vast te stellen, of u deze mens niet sleurt uit zijn of haar natuurwetmatig levenselement. Hoe kunnen we dat vaststellen? Door de signatuur van deze mens te bepalen. Zulk een signatuur moet beantwoorden aan enkele voorwaarden.
Ten eerste moet de dialectiek als levenssfeer voor zo iemand een benauwenis geworden zijn; ten tweede moet een positief nieuw zoekend element in hem duidelijk spreken; en ten derde moet zo een ‘als van een geheel nieuwe natuur zijnde’ reeds spontaan naar een nieuwe wetmatigheid gaan leven, en misschien strompelend en mogelijk ietwat belachelijk pogingen doen om te wandelen op een nieuw pad.
Als zulk een signatuur niet aanwezig is, is een mens onmogelijk geschikt voor het gnostieke veld, althans nog niet geschikt. Wie deze regel in de wind slaat, doet altijd een signatuurloos mens grote schade.’ 

Hier beschrijft Catharose de Petri de kenmerken van een mens die geschikt is om een Tat te worden, om toe te treden tot de esoterische cirkel, tot de voorhof. Deze signatuur doet denken aan Johannes de Doper in de woestijn en aan arcanum 9 van de hermetische tarot, dat bekend staat als de heremiet of de kluizenaar (zie afbeelding 8). Dat wil niet zeggen dat zo iemand alleen in het leven staat, maar dat hij of zij zich innerlijk heeft losgemaakt van de mensen die volledig opgaan in de zintuiglijke wereld en haar astrale tegenhanger. Zo iemand is als het grootste schaap dat de kudde heeft verlaten in de volgende gelijkenis uit het Evangelie van Thomas. 

‘Het Koninkrijk is gelijk een herder die honderd schapen had. Eén ervan verdwaalde. Dat was de grootste. Hij liet de negenennegentig achter en zocht die ene, totdat hij hem vond. Omdat hij zich veel meer moeite getroost had zei hij tegen het schaap: Ik heb je meer lief dan de negenennegentig.’ (Het Evangelie van Thomas, logion 107) 

Spirituele zoeker 

Wie zich heeft losgeworsteld uit de massa, voelt zich misschien eenzaam, maar wordt onherroepelijk door de universele Broederschap geleid naar plaatsen waar het ontluikende innerlijke licht kan opvlammen. Is de leerling klaar, dan is de meester daar! Die mens is dan als de pelgrim van arcanum 9 van de hermetische tarot, waarop een oude man in een gewaad met capuchon te zien is die in het donker door de woestijn trekt met een staf en een lamp. De hoge ouderdom van deze reiziger wijst op talloze ervaringen die zijn opgedaan gedurende vele levens. Deze spirituele zoeker ervaart het leven dat uitsluitend gericht is op het zintuiglijk waarneembare als een woestijn.

Hij bevindt zich in het donker en is bewust op reis naar het lichtland, het koninkrijk van de ziel, waarvan hij iets in zich draagt en dat zijn weg verlicht: de ontwaakte goddelijke vonk in zijn hart. Die ontvlamde geestvonk wordt gesymboliseerd door zijn lamp. De capuchon zorgt ervoor dat hij niet naar links of rechts kan kijken, dat hij eenpuntig gericht is op wat voor hem ligt en zich daarom niet op zijpaden en dwaalwegen begeeft. 

Deze reiziger is zich bewust geworden van de verticale dimensie, gesymboliseerd door zijn staf. Hij heeft geleerd om zich min of meer onafhankelijk op te stellen en is daardoor in staat om vrij te denken, te oordelen en te handelen. Tat, leerling van Hermes, is zo’n pelgrim. Uit zijn verzoek blijkt dat hij verlangt naar innerlijke vernieuwing en ook dat hij zijn onwetendheid omtrent het gaan van het pad erkent. 

‘Ik heb mij van de wereld losgemaakt en mij innerlijk sterk gemaakt tegen de waan van de wereld. Wilt dan nu hetgeen mij ontbreekt aanvullen, zoals u mij belooft hebt, en mij onderrichten over de wedergeboorte, hetzij mondeling, hetzij als mysterie.’ (Corpus Hermeticum 14:3) 

Hermes Trismegistus, de ingewijde en vertegenwoordiger van de universele Broederschap op aarde, die te herkennen is in arcanum 5 van de hermetische tarot, is verplicht aan dit verzoek te voldoen, want zijn leerling heeft de stroom van de Pistis gewogen en te licht bevonden, en is daardoor rijp om te worden verbonden met de emanatie van de Sophia, in overeenstemming met de volgende woorden van Hermes uit Vermaning van de ziel.

‘Kooplieden stallen hun waren uit, niet om ze aan blinden te tonen, maar aan mensen met gezonde ogen. En de vertellers en zij die toespraken houden op de splitsingen van de wegen, spreken om te worden gehoord. Zij spreken niet voor doven maar voor hen die gezonde oren hebben. Zo zullen wijzen zich niet wenden tot zielen die de weg van de dood bewandelen en hen trachten in te wijden. Zij wenden zich tot zielen die de weg ten leven bewandelen en wensen hen van wijsheid te vervullen. Het zijn de zielen die tot hen komen en vragen onderricht te worden. Maar de zielen die zich op de weg naar de dood bevinden, zoeken geen onderricht, maar wenden er zich van af en verachten alle lering.
Indien u zich met het gemoed verbindt, o ziel, zal uw licht toenemen, zodat u met uw geestesogen de juiste handelswijze zult schouwen, maar indien u zich van het gemoed afwendt en u met de zinnen verbindt, verliest u het licht van de intelligentie en wordt u door duisternis omgeven en verzwakt uw innerlijk gezicht, met het gevolg dat u zich door uw blindheid en duisternis aan de zinnen overgeeft. De geneesheer zegt tegen de zieke geen voedsel te eten dat schadelijk voor hem zou kunnen zijn. Als de zieke zijn raad opvolgt, handelt hij juist en de vrucht van deze handeling is het herwinnen van zijn gezondheid.’
(Vermaning van de ziel, hoofdstuk 9) 

LEES MEER OVER DEZE LEZINGEN

3 gedachten over “Beschouwing 4

  1. Rob

    De gnosis mogen ontvangen is een groot goed. In bezinning en stilte de tocht naar mijn hart afleggen vroeg en vraagt een focus en inspanning die alleen geleerd kan worden van ingewijden. Persoonlijk.

    Reageren
  2. Alida

    Ik voel me vereerd een van de gnosis ontvangenden te mogen zijn. Het heeft mijn leven enorm verrijkt, ondanks de beproevingen die er tegenover staan…….. dank u wel voor deze prachtige teksten, waar ik erg blij mee ben.
    Vriendelijke groet,
    Alida.

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *