spirituele tekst 8

Mysteriën van het Rozenkruis: De samenleving bewust maken
Spirituele tekst 8: De Fama Fraternitatis, eerste helft
hoofdstuk 8 van Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis

 

Aan de staatshoofden, regeringen en geleerden van Europa.

Wij, broeders van de Broederschap van het Rozenkruis, bieden aan allen die deze onze Fama in christelijke gezindheid lezen, onze groet, onze liefde en ons gebed. Nadat de alleen wijze en genadige God in de laatste tijden zijn genade en goedheid zo rijkelijk over het menselijke geslacht heeft uitgestort dat zowel het inzicht aangaande zijn Zoon als met betrekking tot de natuur zich meer en meer verdiept heeft, mogen wij terecht van een gelukkige tijd gewagen, waarin Hij ons niet alleen bijna de helft van de onbekende en verborgen wereld heeft doen ontdekken en vele wonderbare en tevoren nimmer geziene werken en schepselen van de natuur getoond heeft, doch bovendien zeer verlichte en met wijsheid begiftigde mensen heeft doen opstaan, die de ontaarde, onvolmaakte kunst ten dele in ere hersteld hebben, opdat de mens toch eindelijk zijn adeldom en heerlijkheid zou beseffen, welke de hoedanigheid van de microkosmos is, en hoever zijn kunst zich in de natuur uitstrekt.

De onnadenkende wereld is hiervan echter weinig gediend en laster, gelach en spotternij nemen steeds meer toe. Ook bij de geleerden is de trots en de eerzucht zo groot dat zij zich niet willen verenigen om uit alles waarin God ons in onze eeuw zo rijkelijk heeft doen delen een Boek der Natuur of een richtsnoer voor alle kunsten samen te lezen, maar, integendeel elkaar tegenwerken.

Zo blijft alles bij het oude en moeten de paus, Aristoteles en Galenus, ja, alles wat er maar als een oud handschrift uitziet, wederom voor het klare, geopenbaarde licht doorgaan, ofschoon laatstgenoemden, indien zij nog zouden leven, zich ongetwijfeld met grote vreugde zouden willen verbeteren. Hier echter is men voor zulk een grote arbeid te zwak. Hoewel in de theologie, de fysica en de mathematica de waarheid hier tegenover gesteld wordt, geeft de oude vijand overvloedig blijk van zijn listen en lagen, door – gebruikmakend van tweedracht zaaiende dwepers en landlopers – deze schone ontwikkeling van de dingen te verhinderen en gehaat te maken.

Ook wijlen onze vrome, christelijke en zeer verlichte Vader Broeder C.R., een Duitser, hoofd en stichter van onze Broederschap, heeft zich lange tijd zeer veel moeite getroost zulk een algemene hervorming tot stand te brengen. Nadat hij wegens armoede van zijn ouders – ofschoon dezen van adel waren – op vijfjarige leeftijd in een klooster werd geplaatst, waar hij de beide talen, Grieks en Latijn, naar behoren leerde, werd hij, nog in de bloei van zijn jeugd, op zijn aanhoudend smeken en bidden toevertrouwd aan een broeder P.a.L., die het plan had opgevat een reis naar het heilige graf te ondernemen. Ofschoon deze broeder op Cyprus stierf en Jeruzalem dus niet aanschouwd heeft, keerde onze Broeder C.R. desondanks niet terug, maar zette zijn reis voort en stak over naar Damascus, met de bedoeling van daaruit Jeruzalem te bezoeken.

Toen hij echter wegens lichamelijke moeilijkheden aldaar moest blijven en door zijn medische kennis, waarmee hij enige ervaring had, de gunst van de Turken verwierf, hoorde hij toevallig over de wonderen spreken die verricht werden door de wijzen van Damcar in Arabië, aan wie de ganse natuur ontsluierd zou zijn. Hierdoor werd de verheven en edele geest van Broeder C.R. gewekt, waardoor zijn belangstelling niet meer zozeer naar Jeruzalem getrokken werd als wel naar Damcar. Zo kon hij zijn verlangen niet meer bedwingen en kwam met de Arabieren overeen hem voor een bepaald geldbedrag naar Damcar te brengen.

Toen hij daar aankwam was hij pas zestien jaar, maar had een sterk Duits gestel. De wijzen aldaar ontvingen hem, zoals hij zelf getuigt, niet als een vreemdeling maar als iemand op wie zij reeds lang hadden gewacht. Zij noemden hem bij zijn naam en waren ook van andere geheimen uit zijn klooster op de hoogte, hetgeen hem uitermate verwonderde. Daar leerde hij ook de Arabische taal, zodat hij reeds het volgende jaar het boek M. in goed Latijn vertaalde en het meenam. In deze stad verwierf hij eveneens zijn kennis van de fysica en de mathematica, waarover de wereld zich werkelijk zou kunnen verheugen, indien de liefde groter en de afgunst minder zou zijn.

Na drie jaar keerde hij, na verkregen toestemming, terug en stak de Arabische Golf over naar Egypte. Hij bleef daar niet lang, maar besteedde er wel meer aandacht aan de gewassen en de schepselen.Van daar voer hij over de gehele Middellandse Zee, tot hij aankwam in Fez, waarheen de Arabieren hem verwezen hadden. Het is voor ons werkelijk beschamend te ervaren dat deze wijze mannen, die zo ver van elkaar verwijderd leven, niet alleen eensgezind zijn en wars van alle twistgeschrijf, maar ook bereid zijn elkaar in vertrouwen hun geheimen te onthullen.

Ieder jaar komen de Arabieren en de Afrikanen tezamen om met elkaar te beraadslagen over de kunsten en zich af te vragen of er wellicht iets beters ontdekt was, dan wel of hun denkbeelden afgezwakt waren door de ervaring. Op deze wijze komt er elk jaar wel iets naar voren dat in de mathematica, de fysica en de magie – want daarin zijn de inwoners van Fez het meest bedreven – verbetering brengt. Daar er tegenwoordig ook in Duitsland geen gebrek is aan geleerde magiërs, kabbalisten, geneesheren en filosofen, zouden zij daarbij óf elkaar welgezind moeten zijn, óf zij zouden, als de meesten dat niet zouden willen, ‘de weide’ dan maar alleen moeten afgrazen.

In Fez maakte hij kennis met de bewoners van de elementen – zoals hij ze placht te noemen – die hem veel van hun [kennis] onthulden, zoals ook wij, mensen, veel van de onze bijeen zouden kunnen brengen, indien onder ons dezelfde eenheid zou bestaan en men er in grote ernst naar zou willen zoeken. Over de inwoners van Fez verklaarde hij vaak dat, hoewel hun magie niet zuiver was en hun kabbala aangetast was door hun godsdienst, hij zich desondanks dit alles voortreffelijk ten nutte had weten te maken en er een nog betere grondslag in had gevonden voor zijn geloof, dat volledig met de harmonie van de gehele wereld overeenstemde en ook op wonderbare wijze zijn stempel op alle tijdsperioden had gedrukt.

Hieruit zou men tot de schone vergelijking kunnen komen dat, evenals er in iedere pit een gehele boom of vrucht vervat is, de gehele, grote wereld als het ware aanwezig is in één klein mens, wiens godsdienst, politiek, gezondheid, ledematen, natuur, taal, woorden en werken, alle in één klank en in één melodie harmoniëren met God, hemel en aarde. Alles wat daarmee in strijd is, is dwaling, vervalsing, afkomstig van de duivel, die de eerste, middelste en ook de laatste oorzaak van de disharmonie, verblinding en duisternis van de wereld is. Indien dus iemand alle mensen op maarde eens zou onderzoeken, dan zou hij tot de slotsom komen dat het goede en gewisse altijd met zichzelf in harmonie is, maar dat al het overige door duizenderlei vergissingen en verkeerde meningen bevlekt is.

Na twee jaar verliet Broeder R.C. de stad Fez en reisde met vele kostbare schatten naar Spanje, in de hoop dat – daar zijn reis voor hemzelf zulke goede resultaten had opgeleverd – de geleerden nin Europa zich, mét hem, hogelijk zouden verheugen en van nu af aan al hun studies op dezelfde vaste grondslagen zouden plaatsen. Daarom besprak hij met de geleerden in Spanje wat er aan onze kunsten ontbrak en op welke wijze men ze zou kunnen helpen; waaraan men juiste aanwijzingen voor de komende eeuwen zou kunnen ontlenen en in welk opzicht deze met de voorbijgegane tijden overeen zouden moeten stemmen; en hoe de tekortkomingen van de Kerk en van de gehele moraalfilosofie verbeterd zouden kunnen worden. Hij toonde hun nieuwe gewassen, nieuwe vruchten en dieren, die niet bij de oude wijsbegeerte pasten, en deed hun nieuwe axioma’s aan de hand, die alles volkomen zouden kunnen oplossen.

Maar in hun ogen was dit alles belachelijk en daar het iets nieuws was, vreesden zij dat indien zij opnieuw zouden moeten gaan studeren en hun jarenlange dwaling zouden moeten erkennen – dit afbreuk zou doen aan hun grote naam. Want aan hun dwaling waren zij reeds geheel gewend en deze had hun ook genoeg opgeleverd. Indien echter een ander mocht menen baat te hebben bij onrust, dan mocht deze zich, wat hun betreft, gerust hervormen.
Ditzelfde antwoord werd hem ook bij andere volkeren gegeven, hetgeen hem des te meer trof daar hij dit allerminst verwacht had en bereid was alle geleerden op vrijgevige wijze deelgenoot te maken van zijn opgedane kennis, indien zij zich slechts zouden willen verstouten uit alle faculteiten, wetenschappen, kunsten en de gehele natuur, bepaalde onfeilbare axioma’s vast te stellen.

MEER LEZEN OVER HET SYMPOSION EN AANMELDEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *