23-12 Beschouwing 2

Spirituele Kerst 2: De innerlijke mens in je herkennen

Beschouwing voor 23 december (ochtend) 

 

BESCHOUWING BIJ spirituele tekst 1

Spirituele ontwikkeling wordt vaak gezien als het gaan van een lange en moeizame reis. Op een bepaalde manier is dat juist, maar wie zich gaat wijden aan werkelijke spirituele ontwikkeling, ervaart dat in de praktijk bijna alles anders is dan hij of zij zich had voorgesteld.

Het daadwerkelijk gaan van een spiritueel pad vraagt dat iemand zijn bezieling in het leven ontdekt en dat deze zich kan bewegen tussen hemel en aarde en op basis daarvan door een drang van binnenuit ernaar streeft zijn innerlijke hemelse mens tot uitdrukking te laten komen in het dagelijkse uiterlijke leven. Hoewel de reis lang en bij tijden zwaar kan zijn, is het een reis die iedereen eens moet beginnen, in dit leven of in een volgend.

Komen tot een grens

Het pad van de ziel tussen hemel en aarde, tussen persoonlijkheid en innerlijke mens, komt op een zeker moment tot een grens. De mens op die grens overziet dat hij zich nog op enorm veel manieren zou kunnen ontwikkelen: de maatschappelijke, sociale, culturele, wetenschappelijke horizonten zijn nog lang niet bereikt…..

Maar wat ligt er achter die horizonten? Wat dragen die ontwikkelingsmogelijkheden echt bij aan het vinden van de waarheid ? Is dat bereiken wel wat hij écht wil? Achter die grens gaan twee wegen verder: het uiterlijke pad waarop we ons al zo lang bevinden en een innerlijk pad.

De mens die op de levensgrens vanuit onweerstaanbare drang bewust dit innerlijke pad verkiest, gaat letterlijk gestalte geven aan de innerlijke mens. Op dat pad kan de uiterlijke mens stapje voor stapje leren hoe hij het beste zijn taak en roeping als gestaltegever kan vervullen en plaats kan maken voor de Andere-in-hem: hij maakt de paden recht voor degene die na hem komt. Zo gesteld is een spirituele weg een proces waartoe twee mensen, een uiterlijke en een innerlijke, beiden worden geboren en zelfs samen op weg zijn.

Om het pad te begrijpen, is het goed voor ogen te houden dat de mens een tweevoudig wezen is. Hermes Trismegistus stelt dat van alle schepselen alleen de mens tweevoudig is: alleen de mens heeft een sterfelijk lichaam maar een onsterfelijke ziel. De mens is de bewoner van twee werelden: van de uiterlijke wereld van materie en zintuigen en van een innerlijke wereld van bewustzijn.

Daarom is ook het menselijk bewustzijn verbonden met beide werelden. Eén deel van het bewustzijn is verbonden met de persoonlijkheid en bestrijkt alle mogelijke snaren van menselijke gewaarwordingen, hartstochten en gedachten, van de allerhoogste tot de allerlaagste.

Met dit persoonlijke bewustzijn (dat ook het onderbewustzijn omvat) zijn we redelijk vertrouwd: het maakt ons tot wie we zijn en we hebben het nodig om ons te kunnen handhaven in ons leven. We maken ons ermee kenbaar aan anderen. Het uit zich in onze voorkeuren en afkeren, in onze talenten en tekortkomingen en het bepaalt hoe we reageren op de materiële wereld. Via de vijf zintuigen, onze bewustzijnsopeningen naar de materiële wereld, bepaalt de materiële wereld op zijn beurt weer ons bewustzijn.

Het andere deel van ons bewustzijn is verbonden met ons ‘ware Zelf’. Deze ‘innerlijke mens’ is niet zichtbaar en manifesteert zich niet zo krachtig als het ‘ik’, maar het doorstraalt ons leven als een fragmentarische gewaarwording die je zou kunnen kenschetsen als een niet aflatende stille roep: ‘zoek mij…’. Heel af en toe lijkt het geluid even weg te vallen.

Leerling van de ziel

De eerste stap op het gnostiek-spirituele pad is de herkenning van de innerlijke stem en een bewuste erkenning van de eigen dualiteit. Pas dan kan worden besloten die Andere-in-ons te zoeken.

Het gaan van het pad kan worden beschouwd als het gaan door een innerlijke poort, als een reis in jezelf van het uiterlijke naar het innerlijke leven. Een diep gevoeld verlangen om de Andere te vinden is voorwaarde om de ingang van de doorgang, die poort te vinden. En dát verlangen leidt de mens onherroepelijk tot de plaats waar de gevoelde maar nog niet gekende ziel zich bevindt: tot het hart van de mens.

De ‘Andere’ is een wezen dat als nog niet ontkiemd zaad in ons hart verborgen is en dat stamt uit een hogere orde van mens-zijn, verbonden met liefde, wijsheid, compassie, vriendschap, eenheid. In ons hart dragen we de kiem van die Ander met ons mee en zijn beeld laat ons niet los. Het wekt onophoudelijk gevoelens van heimwee en onrust en de sensatie ergens anders thuis te horen. Het is het teken dat het zaad ontkiemt, dat de ‘Innerlijke mens’ op het punt staat geboren te worden en dat de uiterlijke mens geroepen wordt aan die geboorte mee te werken.

Door alle tijden heen zijn liefde en mededogen gezien als de kern van alle spiritualiteit, en werd ervaren dat de weg naar God via het hart loopt. Maar naast liefde zijn ook hoge rede en geïnspireerde daadkracht belangrijk.

Een gezuiverd denkvermogen is onmisbaar op het pad naar hoger zieleleven omdat alleen een zuiver denken Wijsheid kan omvatten. Liefde verzekert het bewustzijn van de eenheid van al wat bestaat. Bewustzijn van de eenheid is het voertuig van Liefde. Wijsheid brengt ons de kennis en behoedt de beweging van de ziel tot haar oorsprong. Daadkracht stuwt de ziel tot die beweging voort.

Daarom verbindt het ervaren van eenheid ons direct met de verantwoordelijkheid voor die eenheid. Een bijzondere verantwoordelijkheid die zich via onze geïndividualiseerde persoonlijkheden kan uitdrukken zodra wij bereid zijn  ‘leerlingen van de ziel’ te worden en ons te richten naar de hoge lessen van de ziel.

Dienstbaar zijn    

Dienst, dienstbaar zijn, is daarom een vanzelfsprekend aanzicht van de ziel en van de leerling op het pad. Waar voorheen ‘dienst’ werd vereenzelvigd met lijden en opoffering, kan de leerling van de ziel ‘dienstbaar zijn’ begrijpen in zijn hoogste vorm: met vreugde jezelf overgeven aan de nieuwe orde van het innerlijke leven, onder alle omstandigheden en binnen alle sociale, politieke, culturele, wetenschappelijke structuren.

Het ervaren van de eigen dualiteit, het ervaren ‘niet te zijn wie je in diepste wezen bent’ en het verlangen je hogere Zelf tot uitdrukking te brengen in je hele leven, zijn de beginpunten voor een spiritueel pad.

Vanuit dat ervaren ga je onmiddellijk een andere relatie met jezelf aan en komt er een nieuw richtpunt in je leven: de zuivere en hogere levensstaat waarvan je zeker weet dat die bestaat. De gerichtheid op gebruikelijke zaken als maatschappelijk succes, individuele rijkdom en welvaart verdwijnt geleidelijk en als vanzelf naar de achtergrond en maakt plaats voor een nieuwe gerichtheid.

Een nieuwe zekerheid

De weg naar je ware identiteit begint dus met een geboorte, de geboorte van een nieuwe innerlijke zekerheid. Het leven dat daarop volgt, is een leven vol streven om het hoogste in jezelf tot uitdrukking te brengen, van levenskracht te voorzien en tot volwassenheid te brengen. En daarom begint het kerstverhaal in het Aquarius Evangelie met de geboorte van……. Maria, de moeder van Jezus.

Maria wordt geboren uit Joachim, een joods schriftgeleerde en een rijk man, en uit Anna uit de stam van Juda. Ter ere van de geboorte geeft Joachim een feest waarbij de armen, de kreupelen, de verlamden en de blinden worden uitgenodigd.

‘…en hij schonk hen allen kledij, voedsel of andere dingen die zij nodig hadden. Hij zei : ‘God heeft mij deze overvloed gegeven. Ik ben slechts rentmeester bij zijn Genade, en wanneer ik niet aan zijn kinderen in nood geef, dan zal hij deze weelde voor mij tot een vloek maken’.

Iemand die tracht te beantwoorden aan de fluisteringen van de Ziel, zal altijd spontaan vanuit de eenheid denken en handelen. Het kan dus niet anders of Maria, de geboortegeefster aan Jezus, wordt geboren bij zulke ouders. Wie zijn die ouders?

Joachim (betekenis: doet Jehova opstaan) en Anna (betekenis: genade) zijn aspecten in ons zelf! Het zijn die krachten van onze persoonlijkheid die zich hebben vrijgemaakt door de louteringen van het dagelijkse leven en door onze gerichtheid op het goede in deze materiële wereld. Deze louteringen hebben hart en hoofd tot een grens gevoerd en op een hogere vorm van leven voorbereid.

Maria (betekenis: bitter/bedroefd en ook: zee, het levensveld van de ziel), de onwrikbare innerlijke zekerheid, is voorbestemd tot een bijzonder levensdoel en wordt op driejarige leeftijd, ‘opgenomen in de tempel’:  de nog zo prille innerlijke staat wordt beschermd en voorbereid op haar hoge taak.

Eenmaal volwassen wordt Maria uitgehuwelijkt aan Jozef, timmerman en toegewijd lid van de Essenen. De Essenen waren voornamelijk gericht op innerlijke ontwikkeling en Jozef is die bouwende kracht in ons die de opdracht samen met Maria kan gaan uitvoeren.

Zo wordt de weg naar het nieuwe leven voorbereid door een nieuwe zekerheid en een nieuwe innerlijke kracht.

BOEK SPIRITUELE KERST

EBOOK SPIRITUELE KERST

 

3 thoughts on “23-12 Beschouwing 2

  1. Jes Jespers

    De persoonlijkheid en de innerlijke mens worden terecht onderscheiden. We worden als sterfelijk mensdier geboren maar moeten nog de kennis opdoen om tot wasdom te kunnen opgroeien. Als klein kind ‘ont-dekken’ we spontaan de eigenschappen van de ruimtijdelijke wereld in relatie met onze eigen sterfelijke ruimtijdelijkheid. Er komt van lieverlee een eind aan deze ontdekkingsreis als onze geest en geheugen gevoed gaat worden met (paplepel-) kennis.

    Het reilen en zeilen van de wereld wordt ons tot in steeds verdere details uit-EEN- gezet, het Ene wordt het vele, we verworden van al-EEN tot een-zaam (een tezamen) met al die denkende en voelende lawaaige bewoners in de geest. Het mentale bewustzijn maakt dat we toekijken vanachter de denkmuur van onze geest, de niet langer spontane persoonlijkheid. Onze geleerdheid maakt ons rijk met spullen en bezit. Elk item dat je meent te bezitten vergt echter een bezitter in de geest doe er over waakt. Al die bezitters zijn bewustzijnsvormen in de geest, je ego. Je kunt echter alleen maar iets bezitten als je ook toestaat er ook door bezeten te worden, het kan dus maken en verklaren waarom je soms reageert als een bezetene.

    De geest is het beloofde land als tempel van stilte en aandacht (=verleden tijd van denken) voor onze ontmoeting met het innerlijke Zelf. Dit Zelf hoeft niet geboren te worden het is immers tijd-en ruimteloos, eeuwig. Het innerlijke zelf moet enkel worden her-ontdekt (=ontdaan worden van waardoor het bedekt werd). Her ont-dekken is je ont-wikkelen, je ontdoen van de wikkels, je verkrijgt er geen geleerdheid mee dit je kunt bezitten, maar je wordt er ontvankelijker voor wijsheid van, ontvankelijker voor noodzakelijke spontane inzichten.

    De slotzin: ‘Zo wordt de weg naar het nieuwe leven voorbereid door een nieuwe zekerheid en een nieuwe innerlijke kracht’, kan waarlijk ervaren worden.

    Reageren
    1. André de Boer

      Dank je wel voor je mooie reactie Jes. Even een opmerking over het Zelf (met een hoofdletter). Dat is er inderdaad altijd en het is nodig dat het ontsluierd wordt. Op het pad dat hier wordt voorgesteld is er echter meer nodig. Het is de bedoeling dat het Zelf als het ware incarneert in het lichaam en het transformeert of zelfs transfigureert. Dat begint met de geboorte van de de nieuwe ziel als gevolg van de ontwaakte geestvonk. Die nieuwe ziel gaat zich, als het goed is, tijdens het gaan van het pad steeds sterker uitdrukken in met name het bloed, het zenuwfluïde, de interne secretie, het slangenvuur en het brein, die tezamen de bewustzijnsstaat en dus ook de levensstaat bepalen.

      Reageren
  2. Jes Jespers

    André,

    Het eeuwige Zelf is niet van deze wereld en daarmee heeft het geen ruimtelijke vorm en is het tjdloos. Het Nu behoort niet tot de tijd zoals het verleden en de toekomst, het Nu is in feite het einde der tijden. Als we helder (door niets afgeleid) tegenwoordig zijn, bevinden we ons in het Nu, in de poort naar de eeuwigheid en in die stilte kunnen we ons verbonden weten het met het eeuwige Zelf.

    Het ruimte en tijdloze Zelf doordringt de hele schepping en is zelfs de bewustzijnsbouwsteen ervan. Daglicht is van zichzelf niet zichtbaar, we weten pas dat er licht is doordat we het waarnemen als het door een object wordt gereflecteerd. De ware aard van dat object krijgen we door de reflectie niet te zien doordat het object alleen het licht van zijn niet ware aard reflecteerd en dat van zijn ware aard absorbeert en die dus voor ons verborgen houdt. Met het licht van bewustzijn gaat het precies zo, ‘de duistenis neemt het niet aan’, pas als het in de geest ergens op valt, b.v. een gedachte dan wordt die gedachte waarneembaar voor ons. Als de geest schoon en stil is, dan wordt het licht van bewustzijn als aandacht transparant doorgeschonken waar de aandacht op wordt gericht, dat kan aan de stilte van de geest zelf zijn.

    Meister Eckhart zegt hierover: “Een bewust mens is hij die in stilte verblijft”. Als we in een staat van aandacht zijn schenken we bewustzijn, zijn we dat Zelf, zijn we bewust Zijn. Aandacht schenken aan een object verlicht dat object en kunnen het beter waarnemen en er ons bewuster van worden. Met aandacht schenken aan iets in de geest krijgen we er ook meer kennis van, doch als we ons met gedachtegoed identificeren, schenken we het een eigen leven en wordt het een identiteit in ons ego, worden het een van onze eigen geesteskinderen.

    Wat ik hier beschrijf is wat jij misschien de geboorte van een nieuwe ziel zou noemen (?). Bewustzijn kan zich uitkristaliseren zoals dat in de egovorming gebeurt. De hele schepping is in feite een uitkristalisatie in ruimte en tijd van het absolute, of zoals men in TAO zegt: het Absolute bekleedde zich met de Geest en de Geest bekleedde zich met de schepping. De vraag waar ik me voor gesteld zie is of het Absolute, het Zelf dus, dat nu al ook mijn wezen met het licht van bewustzijn doorstraalt, zich ook via het fysiek lichaam als het resultaat van een reconfiguratieproces zich als het Goddelijke Zelf zal kunnen gaan uitdrukken.

    In de staat van heldere tegenwoordigheid die als guna (kwaliteit van bewustzijn) als Sattva wordt aangeduid, weet ik mij verlicht. Zodra er beweging komt wordt ik weer ‘tijdelijk’ en verschijnen er vormen in de geest, de guna wordt radjas of als ik de helderheid verlies en duf wordt verandert de guna in tamas, in een staat van radjas en tamas weet ik mij niet langer verlicht.

    Lichamen bezitten geen bewustzijn, bewust zijn bezit lichamen. Aangezien bewust zijn (besef) komt en gaat is het dus een kwestie of je zelfs in je fysieke slaap de heldere tegenwoordigheid kunt vasthouden. Dat lijkt me niet onmogelijk aangezien ik wel eens waargenomen heb dat mijn lichaam in slaap viel.

    Dat zelfs Christus aan het kruis pas tot de volledige overgave kwam met de woorden:” Heer niet mijn wil doch uw wil geschiedde, geeft mij weinig hoop ‘zijn’ bewustzijnsniveau in dit leven nog te bereiken.

    Troost is voor mij dat ik weet hoe te ontwaken en hoe dus in die heldere staat van tegenwoordigheid te komen die je als ‘tijdelijk verlicht’ kan aanduiden. De fysieke aspecten ken ik niet uit waarneming en ‘iets geloven’ is leven schenken aan gedachtegoed, in mijn begrip een nieuwe identiteit in je ego, daar begin ik niet meer aan.

    Groet, Jes

    Reageren

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *