Gedicht van Max Heindel aan het begin van zijn boek ‘De wereldbeschouwing der rozenkruisers’

GELOOFSBELIJDENIS OF CHRISTUS

Niet hij bemint zijn God, die fel in haat ontbrandt,
voor wat zijn naaste heilig is en dit met voeten treedt;
hij die door angst voor hel te kluisteren zoekt ’t verstand,
bewijst dat hij niet ’t doeleind van ons streven weet.

Van God is elk geloof en Christus overal
de Weg die tot de Waarheid en het Leven leidt.
Hij schenkt aan alle zwaarbeproefden in de strijd
de rust, de stille vrede zonder onderscheid.

Want op zijn smeken daalde eens de Heil’ge Geest,
voor alle kerken neer en niet één alleen;
ook straalde op Pinkstermorgen ’t godlijk vlammend vuur
om ’t hoofd van elk der twaalven lichtend heen.

Sindsdien, als gieren hunk’rend van vraatzucht,
hebben wij gestreden om niet meer dan een loze naam
en getracht de naaste naar de brandstapel te slepen
uit geloofsbelijdenis en dogmatiek; o wat infaam.

Is Christus dan verdeeld? Of maakt de dood aan ’t kruis,
van Cefas of van Paulus, ’t mensdom vrij?
Zo niet, waarom verdeling en versplitsing dan?
Zijn liefde omvat ons allen, u zowel als mij.

Zijn reine liefde kan toch nooit omsloten zijn
in godsdienstvorm of afgebakend deel.
En hoe verscheiden bij de mensen ook zijn naam
zijn liefde omvat ons saam als één geheel.

Waarom zijn woord dan niet ten volle uitgeleefd?
Waartoe de scheidsmuur die de kern omhult?
Want weet: slechts één ding is van eeuwig nut,
het is, dat naastenliefde ons hart vervult.

Eén ding is ’t wat de wereld slechts behoeft;
één balsem heelt der mensen diepste smart;
één weg slechts is ’t die naar de hemel voert,
Dat is de weg van liefde in ons hart.

Max Heindel, 1909

Bron: De wereldbeschouwing der rozenkruisers van Max Heindel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *