Prometheus: achterond van de mythe en een gedicht van Goethe – Zien wat blijft

BESTEL ZIEN WAT BLIJFT, MYTHEN IN WERK EN BEELD

Het is Zeus, die vastbesloten zijn vader Kronos van de troon stoot;
en het is Zeus die de strijd aangaat met de Titanen en overwint… 

Maar niets symboliseert het wonderwerk van het Licht beter voor onze ogen dan de mythe van Prometheus. De twee Titanen Prometheus, wiens naam ‘vooruitziend’ betekent, en Epimetheus, wiens naam ‘terugziend’ betekent, hadden in de strijd met de Titanen vóór Zeus gekozen. Prometheus was bij iedereen geliefd, maar het meest bij Zeus. En juist Prometheus, Zeus’ dierbaarste vriend, wordt hem ongehoorzaam. 

Uit liefde voor de mensheid rooft hij het hemelvuur van de Olympus om ‘een vonk’ van dit vuur aan de mensen te brengen. Die godenvonk die hen de dromen en ’t verlangen zal geven, de moed om te durven en te doen, de nieuwsgierigheid zal doen ontbranden, en hen tot bewustzijn zal voeren van hun goddelijke afkomst. 

Zij zullen met dit godenvuur de kunsten beoefenen, kennis vergaren én vrijheid vinden en diep van binnen ontdekken dat zij opgewassen zullen zijn tegen de goden, dat zij de goden zullen overvleugelen. Eens zullen zij opstaan en zeggen: 

Jou eren, Zeus? Ik? Waarvoor? Heb jij niet alles zelf volbracht, mijn heilig gloeiend hart? 

Prometheus ondergaat een vreselijke straf: geketend aan een bergwand wordt hij elke dag bezocht door een roofvogel die hem zijn lever uitrukt en die voor zijn ogen opeet. Omdat hij onsterfelijk is, groeit zijn lever iedere nacht weer aan. Iedere dag wordt deze kwelling herhaald. Maar Prometheus heeft ook voorzien dat hij ooit verlost zal worden: een sterfelijke menselijke held zal de berg beklimmen en zijn boeien breken. 

In de mythe is het Herakles – in het leven, die onbekende helden die de berg van de geest beklimmen en in hún leven, Prometheus, het goddelijke vuur ontboeien. 

Immers als de wereld de zoon van God is;
dan is de mens de zoon der wereld,
als het ware de kleinzoon van God.

Gedicht ‘Prometheus’ van J.W. Goethe (fakkeldrager van het Rozenkruis 11)

Bedek je hemel, Zeus,
met wolkenfloers,
en oefen je, zoals een knaap
die distels kopt,
op eiken en op heuveltop;
Mijn aarde moet je
echter laten staan
en ook mijn hut
die jij niet bouwde,
en ook mijn haard
waar jij de gloed
zo van benijdt. 

Ik ken niets schamelers
onder de zon dan jullie, goden!
Jullie voeden karig
jullie majesteit
met offergeld,
met adem van gebed,
en zouden armoe kennen, waren
er geen kinderen of bedelaars
die dwazen zijn vol hoop.

Toen ik een kind was,
niet wist waarin of waaruit,
keerde ik mijn verdwaalde blik
naar de zon als was er daarboven
een oor om mijn klagen te horen,
een hart als het mijne
dat wie droef was kon troosten.

Wie hielp mij tegen de overmoed der Titanen?
Wie redde mij van de dood,
van slavernij?
Heb jij niet alles zelf volbracht, mijn
heilig gloeiend hart?
Dat gloeide, jong en goed,
uit dank voor wie je redder leek,
voor hem die slaapt daarboven?

Jou eren? Ik? Waarvoor?
Heb jij de pijnen ooit verzacht
van wie erdoor beladen was?
Heb jij de tranen ooit gestelpt
van wie vol angsten was?
Wie anders smeedde mij tot man
dan de almachtige tijd
en het eeuwige lot
die mijn meesters zijn, en de jouwe?

Wat had jij gedacht,
dat ik het leven zou haten,
vluchten in een woestenij
omdat niet elke jongensdroom
tot volle bloei kon komen?

Hier zit ik nu, vorm mensen
te genieten en verheugd te zijn,
en jou niet te eren,
naar mijn beeld,
een soort die zoals ik zou zijn,
om te lijden, om te wenen,
zoals ik!

Bron: Zien wat blijft – mythen in werk en woord, door Joop Mijsbergen en Ankie Hetteme-Pieterse

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *