Rumi gedichten – redactie en vertaling door Wim van der Zwan – serie Kleine klassiekers

BESTEL RUMI GEDICHTEN

In ‘Gedichten’ zijn beroemde gedichten van Rumi verzameld, grondlegger van de soefi-orde der Mevlevi en een van de belangrijkste vertolkers van mystiek getinte poëzie.

De Perzische dichter Rumi (1207-1273) is een van de belangrijkste vertolkers van mystiek getinte poëzie. Zijn gedichten zijn opmerkelijk actueel en overbruggen met gemak de zeven eeuwen die ons van hem scheiden. Rumi is de initiator van de soefi-orde der Mevlevi die ook in Nederland bekend staat als de ‘orde van de dansende derwisjen’. De levensweg die door deze mystieke traditie wordt aangereikt, kenmerkt zich door een groot respect voor de waarde van elk afzonderlijk individu, elke cultuur, volk en religie.

Deze uitgave bevat een selectie van Rumi’s mooiste gedichten en is ten opzichte van de eerste druk met een aantal gedichten uitgebreid. Hieronder volgen achtereenvolgens de inleiding van  Wim van der Zwan, die de redactie en de veraling verzorgde, de eerste acht gedichten en de inhoudsopgave.

INLEIDING

Wie zich in het soefisme verdiept, komt vroeg of laat Rumi tegen, en zo ontmoette ook ik deze Perzische dichter. Ik las de beroemde klaagzang van het riet, gescheiden van zijn oorsprong en ik las dat ‘wie alles doet, maar dat ene vergeet, niets heeft gedaan’, de inleidingen en – op een ander niveau – ook samenvattingen van zijn Mathnavi en Fihi ma Fihi (Het is wat het is). Hier sprak iemand die het leven kende en zijn weten zo wist te vertalen, dat de zeven eeuwen die ons scheidden nietszeggend werden. 

Rumi’s kennis vanuit het hart sluit nauw aan bij de gnosis, zoals bekend geworden vanuit de Nag Hammadi-geschriften. Dat is niet verwonderlijk, want gnosis (letterlijk: weten) in brede zin is de bron waaruit alle mystiek uit het Midden-Oosten putte. Als soefisme kwam deze mystiek bovengronds binnen de islam en ontwikkelde een eigen vocabulaire en beeldspraak. Dit leidde in het Perzië van de dertiende eeuw tot een ongekende culturele bloei met dichters als Atar, Sa’adi, Hafiz, Omar Khayyam en Rumi. 

FitzGerald vertaalde Omar Khayyam tot wereldroem, al deed hij de soefimystiek van dronkenschap als de mystieke vereniging niet altijd recht. Rumi wordt – hoe ook gemeten – eveneens tot de wereldliteratuur gerekend. Daarnaast neemt Rumi een voorname plaats in binnen het selectieve gezelschap schrijvers van wijsheidsliteratuur. 

Ook Rumi bezingt de taveerne en ook hier is wijn de goddelijke essentie die de wijnschenker (de leraar) in de beker (de leerling) schenkt tot dronkenschap erop volgt. Maar Rumi gaat verder en als volmaakt leraar houdt hij zijn lezers een spiegel voor die als een lachspiegel vertekent, maar altijd direct aanspreekt.

Het geheim van zijn recept? De vertekening zit niet in de spiegel, maar in ons kijken. Wij zijn als de blinden die een olifant betasten en elk tot hun eigen beschrijving van de olifant komen: Allen voelen een deel en denken aan het geheel.

Rumi bewoog zich vrijelijk in de wereld van wetenschap en poëzie en vond zijn beeldspraak soms dicht bij het alledaagse. In het Midden-Oosten werd Rumi’s Mathnavi ‘de kleine Koran’ genoemd en gold het als gids naast de moeilijke Koran. Niet dat Rumi zo makkelijk is, want de zijwegen die hij zo graag inslaat, worden ook wel eens tot hoofdwegen die niet naar het oorspronkelijke onderwerp terugvoeren. Zelf zegt hij in de Mathnavi: ‘Denk je dit boek te kunnen begrijpen zonder er veel aandacht aan te besteden? Het lijkt een verzameling verhalen, maar dat is de oppervlakte en niet de kern.’ (boek IV 3459 e.v.) 

Enkele van zijn gedichten (vanwege de lengte hier niet opgenomen) hebben de relatie tussen man en vrouw in zijn meest horizontale vorm tot onderwerp. Schijnbaar, want ook de meest aardse liefde is een afspiegeling van de goddelijke liefde, maar we slapen en dreigen onze afkomst te vergeten. Zijn beroemde klaagzang van het riet is een prachtig voorbeeld van de pijn van scheiding, het volgende korte lied op hetzelfde thema drukt onze vergetelheid uit: 

Een man trok een rietstengel uit zijn bedding,
boorde er gaten in en noemde het een mens.
Het werk van een vakman.
Sinds die tijd zingt het riet in zoete tonen
zijn klagend lied van scheiding,
zonder stil te staan bij het vakmanschap

dat hem zijn leven schonk als fluit.

Leven

Mevlana Djelal al-din Rumi werd geboren op 30 september 1207 in het huidige Afghanistan, toen onderdeel van het Perzische rijk. De tijden waren onrustig, want de horden van Djengis Khan trokken hun vernietigend spoor door dit wereldrijk. In deze donkere tijden kwam de Perzische dichtkunst tot grote bloei. Op de vlucht voor de moordende Aziatische horden vestigde Rumi zich na omzwervingen in Konya in Anatolië in het huidige Turkije.

Het verhaal gaat dat Rumi zijn leraar, de derwisj Shams Tabriz, tegenkwam bij een waterput. Shams gooide Rumi’s boeken in de put en stelde een ultimatum: de boeken terug of verlichting. Rumi liet de boeken (een fortuin, want de boekdrukkunst was nog niet uitgevonden) waar ze waren en wijdde zich aan de studie van de mystiek. Waar of niet, het verhaal stelt de kennis van het hoofd duidelijk tegenover de kennis van het hart. In Rumi’s eigen woorden: Vroeger zocht ik kopers voor mijn woorden, kon nu iemand me maar wegkopen van woorden. In veel gedichten wordt Shams letterlijk genoemd, vaak ook is hij symbolisch aanwezig als het actieve, stralende principe van de zon.

Shams betekent in het Arabisch ‘zon’ en hij droeg zijn naam met ere. Zo sterk was Shams dat menig aspirant-leerling terugdeinsde voor zijn kracht. Maar, zoals Rumi na zijn ontmoeting met Shams zou dichten (in ‘De kikker en de haver’): Alleen de zon, pal boven je, doet je schaduw verdwijnen.

Ook de maan is een terugkerend symbool. De natuursymboliek volgend, is de leerling de maan die het licht van de zon ontvangt en doorgeeft. Eeuwen na Rumi zou een soefi uit de twintigste eeuw, Hazrat Inayat Khan, deze symboliek verder uitwerken.

De spiegel is eveneens een geliefd soefi-symbool. De metalen spiegels die men in het Midden- Oosten kende, gaven hun spiegelende kwaliteit pas bloot na voortdurend polijsten. Ook aan het hart moet ‘gewerkt’ worden voor het kan dienen als spiegel van de ziel.

‘Die before you die’ 

Ieder die de betekenis van deze woorden vindt, zal de dood niet smaken, luidt het bekende eerste logion uit het Thomas-evangelie. Ook het Evangelie van Filippus borduurt in zijn eerste verzen voort op het thema ‘dood’. De mystieke bron waaruit de schrijvers van deze apocriefen tapten, is dezelfde waar ook Rumi het water haalde om de woestijn vruchtbaar te maken. 

In het soefisme is het principe van loslaten, het aardse voorbijgaan, bekend onder de Engelse noemer die before you die, ‘sterven voor je doodgaat’. Dit beginsel draagt elke dansende derwisj op het hoofd, want de hoofddeksels van de Mevlevi-orde (genoemd naar Rumi) verwijzen naar een grafzerk. Het ‘sterven’ komt soms letterlijk naar voren in Rumi’s poëzie:

Gaarne zou ik je kussen
De prijs van kussen is je leven.
Nu loopt mijn liefde mijn leven tegemoet en schreeuwt het uit:
Wat een koopje, laten we het doen!

Soms liggen de woorden als een sluier over dit principe heen, of werkt onze eigen interpretatie versluierend. Wie denkt bij het lezen van de bekende woorden uit Rumi’s Mathnavi over de verschillende stadia van ‘evolutie’ niet aan reïncarnatie?

Ik stierf als mineraal en werd een plant.
Ik stierf als plant en werd een dier.
Ik stierf ook als plant om een mens te worden.
Waarom zou ik bang zijn voor de dood,
als ik er nooit iets door verloor,
doch enkel erdoor won?
Mijn volgende stap zal zijn dat ik mij verhef
naar de staat van engel.
Ook als engel zal ik sterven,
om te ontwaken in een staat die alle bevatting te boven gaat.

Reïncarnatie? Rumi was kind van zijn tijd. Zijn wetenschap is de wetenschap van de islam en daarin past geen reïncarnatie van lichaam naar lichaam. Liever lees ik deze regels als ontwikkelingsstadia om te beseffen hoeveel tijd wij verslapen (als plant) en hoezeer wij ons laten leiden door onze (dierlijke) driften. We verslapen ons leven en Rumi’s poëzie schudt ons wakker: De gids is allang op en maakte de kamelen klaar. Het is niet zijn schuld dat we nog slapen. Word wakker!

Ook Rumi moest worden wakker geschud. Shams verliet hem, liet hem ‘sterven’ in de wetenschap dat pas hierdoor Rumi als persoon zou rijpen. Het bracht Rumi verdriet, het bracht hem ook het inzicht dat de tocht van het zelf naar het Zelf een goudmijn kan maken van de wereld. Het vertrek van Shams opende ook Rumi’s dichtader. Elke parel heeft het lijden van de oester als kern. Een gedicht als ‘Mijn slechtste eigenschap’ lijkt te verwijzen naar deze periode.

Uiteindelijk liet Shams zich toch overhalen weer te keren naar zijn geliefde Rumi. Die terugkeer werd hem fataal. Jaloerse leerlingen van Rumi wilden hun leraar niet weer afstaan aan die derwisj en hielpen Shams naar de andere wereld. Deze scheiding bracht Rumi tot poëzie die naar eigen zeggen door Shams was ingegeven: zo sterk was de onderlinge band dat de dood deze niet kon verbreken. Door helemaal in elkaar op te gaan hadden Rumi en Shams, maan en zon, de dualiteit doorbroken en waren ze één geworden.

Hoewel het ‘die before you die’-beginsel verwijst naar verzaking en loslaten, is het soefisme steeds ook een filosofie van de praktijk en het ‘doen’ geweest: Minnaars zijn vreemde wezens. Hoe meer ze gedood worden, des te meer komen ze tot leven! Soefimeesters stonden in het leven en hielden er meestal een gezinsleven op na. De wereld is geen begoocheling of maya, maar pure werkelijkheid. Alleen verstaan we de tekenen niet altijd even goed.

Een stroming binnen het Perzisch soefisme zocht de extase, gevoed door muziek, zang, poëzie en dans. De verwijzingen naar muziek zijn bij Rumi te veel om op te noemen. Nu nog leeft Rumi voort in de Mevlevi-orde der dansende derwisjen. Het verhaal gaat dat het kloppen van een goudsmid Rumi zo in extase bracht dat hij begon te wervelen. De orde der dansende derwisjen was geboren. Rumi’s oorspronkelijke leerlingen hadden een volgende klap te verwerken, want deze bepaald niet intellectuele goudsmid werd Rumi’s volgende leraar.

Rumi stierf op 17 december 1273. Zijn tombe in Konya is tot de dag van heden een bedevaarts- oord voor velen binnen en buiten de islam.

Verantwoording

In het Engelse taalgebied wordt Rumi gewoonlijk vertaald vanuit eerdere vertalingen, soms letterlijke woord-voor-woord vertalingen uit het Perzisch, soms gedichten, gekleurd door de poë- tische smaak van de tijd, vaak beide.

Essentieel bij dit vertaalproces naar onze tijd en cultuur is begrip voor het gedachtegoed dat Rumi wil overbrengen en inspiratie. Ik volgde deze traditie en vertaalde vanuit diverse Engelse vertalingen (zie bibliografie) die elk weer hun eigen kleuring aan Rumi geven. Sommige vertalingen zijn een combinatie van diverse Engelse vertalingen. Soms bleef ik dicht bij één versie, maar steeds was het vertaalwerk een poging onder woorden te brengen van wat ik zelf denk en voel bij Rumi’s woorden.

Soms vertaalde ik gedichten, soms delen uit de Mathnavi. In navolging van mijn Engelstalige voorgangers en voor het gemak van verwijzing, voorzag ik de meeste gedichten van een titel. Het resultaat is uiteraard niet Rumi, maar mijn visie op Rumi.

In het vertaalproces waren mijn leraren Neil Douglas-Klotz en James Burgess me tot gids en openden de Engelstalige herdichters van Rumi’s verzen – met name Coleman Barks en Nicholson – de deur naar Rumi voor me. Hoewel praktische randvoorwaarden, zoals lengte van de gedichten en directe begrijpelijkheid, meespeelden, kwam de selectie van op te nemen gedichten vooral intuïtief tot stand.

Wim van der Zwan

BESTEL RUMI GEDICHTEN

LIED VAN DE KARAVAAN

Kom, kom, wie je ook bent.
Schande is hier onbekend.
Al zwoer je duizend eden
die je keer op keer weer brak.
Kom, blijf komen, kom.

Dolende, ootmoedige,
onthechte vreemdeling,
kom.
Dolende, ootmoedige,
onthechte vreemdeling, kom.

VRAGEN

De hele dag kan ik aan
niets anders denken,
elke nacht vraag ik mezelf af:
waar kom ik vandaan en
wat moet ik doen?
Ik zou het echt niet weten.
Mijn ziel komt van een andere wereld,
dat weet ik zeker.
Even zeker als ik voel,
dat ik daar ook eindigen zal.

Ik werd dronken in de
een of andere kroeg,
maar als ik weer ben teruggekeerd,
zal ik helemaal nuchter zijn.
Ondertussen ben ik als een vogel
van verre oorden,
gekooid in den vreemde.
De dag breekt aan dat ik uitvlieg,
maar met wiens oren hoor ik mijn
eigen stem?
Wie spreekt met mijn mond?
Wie ziet met mijn ogen?
Wat is de ziel?

Het zijn vragen die blijven komen.
Zelfs de schim van een antwoord
zou me al verlossen
uit deze kerker vol dronkaards.
Ik kwam hier niet uit vrije wil;
zomaar weggaan lukt me niet.
Degene die me hier heeft gebracht,
zal me ook thuis moeten brengen.

Deze gedichten.
Nooit weet ik wat ik ga zeggen.
Een schema of plan heb ik niet
en als ik ze niet voordraag,
kan ik heel stil worden
en nauwelijks mijn mond opendoen.

KUNST

In uw licht leer ik hoe te minnen.
In uw schoonheid hoe te dichten.
U danst binnen in mijn hart,
waar niemand u kan zien.

Maar soms vang ik een glimp op.
Uit die glimp ontstaat mijn kunst.

ALLES NAAR IEDERS WENS?

Zie hoe alles beweegt.
Zie hoe iedereen net terugkomt
van een reis.
Zie hoe iedereen iets anders wil eten.
Zie hoe de sterren verdwijnen
als de zon opkomt.
Zie hoe alle rivieren naar de zee
stromen.
Kijk naar de koks die
het eten bereiden,
voor iedereen iets anders,
alles naar ieders wens.
Kijk naar deze beker
waar de hele oceaan in past.
Kijk naar hen die het gezicht zien.
Kijk door de ogen van Shams
naar het water,
en al wat je ziet is juwelen.

DORST

Vorig jaar was ik dol op wijn.
Dit jaar dool ik in een wereld,
rood als wijn.

Vorig jaar staarde ik in het vuur.
Dit jaar ben ik verbrande kebab.

Dorst dreef me naar het water.
De weerschijn van de maan
dronk ik er in.

DENK JE NOU ECHT

Denk je nou echt dat ik weet
wat ik doe?
Dat ik ook maar voor een halve
ademtocht van mezelf ben?
Net zomin als een pen weet
wat hij schrijft,
of een bal waarheen hij rolt.

HET LIED VAN HET RIET

Luister naar het lied van het riet
over zijn scheiding:
‘Sinds ik uit mijn bed van riet
werd losgesneden,

kwam een klaag’lijke klank in me.
Iedereen die gescheiden is van zijn geliefde,
weet wat ik bedoel.
Heimwee is het lot van ieder
die uit zijn oorsprong wordt weggerukt.
Waar mensen samenkomen ben ik,
en meng ik me in hun blijdschap
en verdriet.
Een vriend ben ik voor allen,
al hoort slechts een enkeling
achter de noten die ik zing
het geheim dat ik met me draag.
Daar lenen oren zich niet voor.
Lichaam en ziel zijn niet van
elkaar gescheiden,
maar wie heeft de ogen om dit te zien?
Wie heeft de oren om dit te horen?
De adem van de rietfluit is vuur,
niet zomaar wat blazen.’

Het vuur van liefde maakt de rietfluit,
hetzelfde verlangen gist de wijn.

WAAR IS DE ZEE?

Ik word jou niet moe.
Wees geduldig,
en stuur je mededogen mijn kant op,
keer op keer.

Al die dingen om dorst te lessen,
zullen wel moe van me worden.
De waterzak, de veldfles.

In me zit een vis, zo dorstig,
dat geen water zijn dorst kan lessen.
Wijs me de weg naar de zee!
Weg met die halve maatregelen,
die kleine flessen.

Dat is slechts verbeelding
en leidt maar tot verdriet.

Laat mijn huis verdrinken
in de golf die gister ontstond,
daar op de binnenhof,
midden in mijn borst.

Jozef viel als de maan in mijn
waterbron.
De oogst die ik verwachtte werd
weggespoeld.
Het deert me niet.

Een vuur is ontstoken boven
mijn grafsteenhoed.
Ik zoek geleerdheid, aanzien,
noch gezag.

Wat ik wil is deze muziek
en deze morgenstond,
de warmte van je wang tegen de
mijne.
De legers van verdriet rukken op,
maar ik doe er niet aan mee.

Zo is het altijd als ik klaar ben met
een gedicht.

Een stilte overvalt me
en ik vraag me af,
hoe ik ooit op het idee kwam,
taal te gebruiken.

BESTEL RUMI GEDICHTEN

INHOUDSOPGAVE

Inleiding
Voorwoord bij de tweede druk

Lied van de karavaan
Vragen
Kunst
Alles naar ieders wens
Dorst
Denk je nou echt
Het lied van het riet
Waar is de zee?
Slechts Een
Olifant
De kikker en de haver
Leeg
De knapzak
Ik ben niet
Alles is muziek
Knielen en kussen
Val niet weer in slaap
Uitgedroogde knoflook
Mijn slechtste eigenschap
Bismillah
Je rent je rot
De parel en de oester
De minnaar drinkt
Ga voorbij de vormen
Spiegel
Vraag je niet af
De robijn in het ochtendrood
Twee vleugels
Een afspraak met jezelf
Denkers
Kijkwinkelen
Teleurstelling
Naar huis
Uitlachen
Het kind in je
Zing uit volle borst
Nieuw onderwijs
Spelers
Het huis van mijn hart
Vlot
Zoek de nacht
De kat en het vlees
Slechte wijn
Steunberen en Genade
Slapeloos
Zoeken
Geduld
Niets
De hemelse molen
Parels
De ware koning
Dronken dromen
Liefde
Verdriet
Bedrog
Niets
Kikkererwt
Reizen
Sterf nu
Laat je wassen
Blijf lopen
Wie is daar?
Mozes en de herder
Loop niet weg

Bibliografie

Bron: Rumi Gedichten, redactie en vertaling door Wim van der Zwam

BESTEL RUMI GEDICHTEN

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *