De opgang tot vrijheid – hoofdstuk 13 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het dertiende hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

In het voorgaande vestigden wij uw aandacht op de aard van het stralingsveld van de Universele Broederschap, zoals het zich in de donkere, dialectische, tijdruimtelijke orde kenbaar maakt. Wij zagen dat dit stralingsveld in het geheel niet elektromagnetisch werkzaam is, omdat dit nutteloos en bovendien hoogst gevaarlijk zou zijn en aanleiding zou geven tot de grootste rampen. Immers, aangetrokken te worden door een levensveld, waaraan men fundamenteel en structureel niet kan beantwoorden, waarin een geschonden microkosmos niet zou kunnen ademen, zou het volstrekte einde betekenen van alle bestaan.

Daarom kenmerkt het stralingsveld van de Universele Broederschap zich slechts door het vermogen dat wij als ‘roepend’ hebben aangeduid. Beoogd wordt slechts dat zij die vatbaar zijn voor deze interkosmische roep, haar invloed zullen bemerken en ondergaan. Deze elementaire binding is voorwaarde voor alle arbeid welke door de Universele Broederschap wordt verricht en zij wordt verzekerd door de aanwezigheid van het geestvonkatoom.

Het geestvonkatoom, gelegen aan de top van het hartheiligdom, is krachtens zijn wezen, krachtens zijn structuur, geheel afgestemd op dit goddelijke stralingsveld, daar zijn atoomkern waterstof van gelijke aard bevat. Aldus is er, van den beginne, een natuurwetmatige verbondenheid van de gevallen microkosmos met de Logos. De gevallen microkosmos blijft daardoor een kind Gods, en de mystieke zegswijze dat God al zijn kinderen bij name kent, verkrijgt zo een diepe wetenschappelijke zin. Het woord ‘kennen’ dient u hier te verstaan als ‘in een voortdurende verbondenheid beïnvloeden’, als ‘bekennen’ dus.

De geestvonkatoomentiteit ervaart deze binding in de aanvang door alle wonderlijke, geheimzinnige en smartelijke ondervindingen in dit aardse tranendal, ondervindingen van lichamelijke, morele, zedelijke en stoffelijke aard. Hij wordt voortdurend verontrust, hij kan krachtens zijn dubbele natuur geen rust vinden en is bij voortduring aan het zoeken, speuren en experimenteren. Het is een toestand die vele, vele incarnaties lang kan duren, en het feit dat alle mensen hier in het dialectische levensveld ronddolen in de toestand waarin zij zijn, is een bewijs dat zij allen, tijdruimtelijk beschouwd, zulk een periode van wellicht miljoenen jaren achter de rug hebben.

De moeilijkheid waarvoor de geestvonkatoomentiteit in deze onafzienbare periode staat, is het geheimenis van zijn twee naturen, de complicaties die daardoor tot ontwikkeling komen, de verwarring die daardoor in eindeloze mate in hem ontstaat.

Als de mensen met elkaar spreken, met elkaar werken, als zij denken, willen, voelen en handelen, verrichten zij al deze functies door middel van het gewone ikbewustzijn. Dit ikbewustzijn, of dialectische bewustzijn, heeft in het geheel niets met het geestvonkatoom uit te staan. Toch moet u, in zelfbeschuldiging, in zelfverguizing, er niet laag op neerzien, want u bent thans op dit aardse ik aangewezen. Het is een levensbrandpunt dat uw huidige microkosmos dringend nodig heeft om te kunnen bestaan. Als u het op dit moment zou kunnen tenietdoen, zou de nieuwe natuur in u nog niet in staat zijn de leiding van uw microkosmische existentie over te nemen.

Het dialectische bewustzijn heeft eveneens een atomisch brandpunt, dat te vinden is in het hoofdheiligdom. Zoals het Luciferische vuur oorspronkelijk de projectie was van het Christusvuur in het oersubstantiële scheppingsveld, zo was oorspronkelijk het bewuste atoom in het hoofdheiligdom een weerspiegelingsatoom van het geestvonkatoom in het hart. Het hoofdatoom brandde in het licht van het hartatoom.

Reeds sedert eonen heeft echter het Luciferische atoom in het hoofdheiligdom zijn gehoorzaamheid aan het Christus-atoom laten varen, de leiding van het gehele stelsel in handen genomen, dit in alle opzichten structureel gedesorganiseerd en zich door duizenden en duizenden jaren heen onderworpen aan cultuur. Aldus zal nu wellicht het beeld van uw werkelijkheid u klaar voor ogen staan en zult u ook begrijpen waarom transfiguratie nodig is.

Het Christus-atoom werkt krachtens zijn wezen verontrustend in op het ikbewustzijn en ontneemt het zijn zekerheid, doch de geestlicht-weerspiegelende werking van het Luciferische atoom, waardoor de ziel, het ik, uit de werken Gods zou kunnen leven en zijn, is verdwenen, omdat het stelsel, zowel naar de ziel als structureel, onherstelbaar geschonden is. Daarom is er een nieuwe ziel nodig, een nieuw Luciferisch beginsel, een nieuwe weerspiegelingsfactor, en eerst als die verkregen is, kan de gehele microkosmos overeenkomstig haar oorspronkelijke wezen worden getransfigureerd.

U zult inzien dat dit een proces is: zulk een wedergeboorte, zulk een ontzaglijk ingrijpend gebeuren, voltrekt zich niet in veertien dagen. Waar het echter op aankomt is dat met het proces een begin wordt gemaakt, een begin op het pad van heiligmaking, het pad van genezing, heelwording, weer oorspronkelijk worden, in goddelijke zin. De School van het Rozenkruis houdt niet op het hoe en waarom van dit machtige proces uiteen te zetten en te verklaren, de noodzakelijkheid ervan aan te tonen, alle factoren in het juiste licht te plaatsen, de oorzaken van uw verontrusting aan te wijzen.

Waarom komt u tot deze School? Waarom bezoekt u onze tempeldiensten? Waarom getroost u zich als leerling de opofferingen die een arbeid als de onze verlangt? Omdat u een geestvonkatoom bezit! Uw eeuwenoude verontrusting, uw mateloos lange zoeken, heeft u hierheen geleid, en het Christus-atoom in u straalt nu in een persoonlijkheid die op die roep niet bevrijdend kan reageren. En deze brand jaagt u op.

Van over de Jordaan, de stroom van uw kleine bloedsomloop, ziet u de radiaties van het Christus-atoom tot u komen. Spreekt u nu ook, als Johannes: ‘Voorwaar, Hij is groter dan ik; ik ben niet waard de schoenriem van zijn voeten te ontbinden’? Gaat u nu ook, als Johannes, in het endura onder, om dit van het Christus-atoom uitgaande levensvernieuwende lichtvermogen in staat te stellen zijn omwandeling in uw verzonken stelsel, in uw kleine duistere wereld, te volbrengen? Opdat in het reeds besproken proces het beeld van de onsterfelijke mens zal worden gevormd, zoals deze eenmaal, na de Christus-atomische kruisgang, onverderfelijk in uw wezen zal opstaan? Begrijpt u nu, dat ook de doop van Jezus in de Jordaan een gebeurtenis is die lijfelijk in u zal moeten plaatsvinden?

De verontruste ik-mens, de eeuwige zoeker naar licht in de duisternis, schreeuwt het uit, zodat het als een smartekreet door de landen davert: ‘Maak recht de paden des Heren, maak recht de paden voor onze God!’ Hij zoekt naar recht en hij staat, als Johannes, in zijn boetekleed, in de woestijn van deze wereld.

Nu kan het zijn dat u nog ten prooi bent aan de fundamentele waan dat u, als natuurwezen, het goddelijke recht, de goddelijke werkelijkheid, deelachtig zou kunnen worden. Maar het kan ook zijn – en dat wordt van leerlingen van het Rozenkruis verwacht – dat u, als de profeet in zijn kemelsharen mantel, zegt: ‘Niet ik, maar de Andere!’ U kent die Andere, want u bent bij dag en bij nacht, jaar in jaar uit, leven in leven uit, door Hem verontrust. Door het Christus-atoom-in-u werd u geroepen. En nu ziet u in uw levenscrisis die Andere tot u komen. De radiaties van het Christus-atoom-in-uw-hart branden door middel van de thymus in uw bloed; het bloed wordt door middel van uw levensjordaan opwaarts gestuwd en vervult het heiligdom van het hoofd, en verspreidt zich door het gehele wezen. En nu moet u erop letten of uw reacties precies zo zijn als al die vele vorige malen, dan wel of u, voor de eerste maal, op een absoluut nieuwe wijze reageert.

Uw oude reactie is dat u de bloedsbrand van de verontrusting en teistering waarneemt, ervaart, hem zo goed mogelijk opvangt en verwerkt, en voor de rest dezelfde blijft. U kunt zich daarin zeer goed oefenen. Men kan u dientengevolge moedig vinden en respectabel, doch uw natuur blijft er dezelfde door. Met samengeknepen lippen ondergaat u alles, of met een aangeleerde lach bedriegt u zichzelf en anderen door met de goedkope en satanische psychologie van onze dagen te zeggen: ‘En het is toch zó goed!’

Maar het is in het geheel niet goed! Het is uiterst dramatisch! Nieuw en goed is uw reactie eerst dan, als u de andere bloedskracht, die door uw levensjordaan stroomt, niet langer op de oude wijze afreageert en wegliegt, doch als u haar met de diepste beginselen van uw ikbewustzijn aanvaardt, met een volkomen bereidheid, in absolute vrede en innerlijke vreugde. Dan wordt de bode van het Christus-atoom, die in het bloed nadert, door uw innigste ik gedoopt. Dan wordt uw innigste ik der natuur definitief met het Christus-atoom verbonden.

Dit is het grote wonder van de doop aan de Jordaan, aan het begin van het Evangelie. Het is de slotfase van het eerste proces van heiligmaking, de eerste vrijwillige Christus- atomische weerspiegeling in het Luciferische hoofdatoom. Het is het moment waarop Lucifer uit zijn hemelburcht stort. De nieuwe morgenster is nog niet gerezen, doch haar heldere licht heeft zich aangekondigd. Het endura is begonnen.

Dit begin tracht de Geestesschool in u tot een feit te maken. Als dit glorieuze begin van het heiligmakingsproces zich in u heeft geopenbaard, bent u een gepredisponeerde van de vrijheid geworden, een uitverkorene.

Toen wij u hierover in het vorige hoofdstuk spraken, hebben wij uw aandacht gevestigd op Openbaring 17, waarin het begin van de overwinning van het Lam in drie stadia wordt aangeduid: ‘Gelovigen, geroepenen en uitverkorenen hebben deel aan deze overwinning’, zegt de Apocalyps, hetgeen betekent dat er in een kosmische revolte drie groepen geestvonkatoomentiteiten kunnen worden uitgeleid in de vrijheid.

Om dit te verstaan, moet u deze uitspraak vergelijken met het wezen van het Evangelie. Bij het begin van het eerste evangelische heiligmakingsproces wordt Johannes geboren; vervolgens wordt hij een profeet; tenslotte wordt hij een doper. Daarop verdwijnt hij en treedt Jezus op. De Apocalyps noemt het eerste stadium dat van de gelovige, het tweede dat van de geroepene, het derde dat van de uitverkorene.

Indien u tot de Geestesschool komt uit werkelijke innerlijke behoefte, in de overtuiging dat u deze natuur moet verlaten om als microkosmos de andere natuur in te gaan; indien u deze overtuiging bezit op grond van de eindeloze brand van de ervaring, dan staat u in het eerste stadium. Dan bent u als Johannes geboren, dan heeft het Evangelie zijn eerste karakters in u geschreven. Dan zal het Luciferische atoom van het ik-wezen zijn eerste enduristische blijken geven, en het is logisch dat van stonde aan de microkosmos geheel anders in het krachtveld van de Universele Broederschap komt te staan. De zegening van het geloof, de voorsmaak van de vrijheid, wordt zijn deel. Dat is de geboorte!

Op deze basis kan de kandidaat het tweede stadium ingaan, dat van het profeetschap. Met zijn leven getuigt hij: ‘Ik moet ondergaan en hij, de Andere, moet wassen.’ Hij is niet meer de humanist, die deze woorden napraat in gerichtheid op een aards rijk, doch hij roept: ‘Maak recht de paden voor onze God.’ Hij is een roepende in de woestijn. Hij is een geroepene, die steeds meer zijn ik-wezen, zijn Luciferische vuur, dat hij onwaardig weet, ondergeschikt maakt aan het Christus-atoom. Zo wordt de voorsmaak van de vrijheid een zekerheid. Deze mens wordt een onwankelbare. Hij zegt: ‘Niet dat ik het reeds gegrepen hebt maar het komt.’

En de andere dag ziet Johannes Jezus komen van over de Jordaan. Nu wordt de kandidaat de doper, de definitief verbondene. Hij wordt dat in de tempel van het diepste innerlijk, en hij kan, als Simeon, spreken: ‘Nu kan ik Heer in vrede gaan, want mijn ogen hebben uw zaligheid aanschouwd.’

Zoals wij in onze tempels met drie treden de plaats van dienst bestijgen en reeds bij de eerste trede met de plaats van dienst verbonden zijn, zo is de evangelische opgang van de vrijheid in drie fasen te onderscheiden. Reeds de geboorte tot Johannes brengt de binding met de vrijheid tot stand. En het behoeft van niemand een bovenmenselijke inspanning te vergen dit bevrijdende geloof in zijn hart vrij te maken, omdat daar ‘het kostbaar juweel in de lotus’ is, het Christus-atoom. Dit atoom, gelegen aan de top van het hartheiligdom, is krachtens zijn wezen en structuur geheel afgestemd op het goddelijke stralingsveld. Het juweel wordt bij dag en bij nacht door de Gnosis verlicht en u behoeft slechts in dat licht te wandelen.

Het heeft geen zin, en het is een bewijs van zenuwoverspanning of innerlijke onwil, wanneer u, staande aan het begin, blijft praten over het einde van het pad dat voor u nog geheel in nevelen ligt verscholen.

Grijp de glorie en het licht van het bereikbare begin. Dan zal eenmaal uw gehele microkosmos in het licht wandelen, gelijk het kostbare juweel in de lotus in het licht is. Houd op met voortdurend praten en theoretiseren. Grijp als een ware vrije metselaar uw werktuigen en leg uw eerste steen.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *