Een rozenkruisweg voor deze eeuw – essay van Peter Huijs in ‘De Rozenkruisers Revolutie, traditie en vernieuwing’

LEES OVER DE TENTOONSTELLING ‘DE ROZENKRUISERS REVOLUTIE’

BESTEL DE ROZENKRUISERS REVOLUTIE, TRADITIE EN VERNIEUWING

De rozenkruisersmanifesten uit de zeventiende eeuw kan men zien als een stoutmoedige poging om het grote menselijke tekort op te heffen. Allereerst door een Fama, een oproep aan de leiders van de samenleving, vervolgens als een Belijdenis van een absoluut christelijk gerichte kring van wetenschappers en religieuzen en ten derde als een uitnodiging tot het verenigen van de wereld van de geest met de wereld van strevende mensen, een Chymische Hochzeit die probeerde het imaginaire vermogen van de mens van die tijd te doen ontvlammen.

Een rozenkruis-revolutie in ónze tijd heeft alleen zin als zij een revolutie naar de geest is. Zij zal allereerst gericht zijn op het geluk van de mens, zij zal van moderne, lichte snit zijn en drievoudig van aard.

Ten eerste herinnert zij hem aan zijn eigen creatieve essentie, verwant aan de sterren en goddelijk van aard; ten tweede wijst zij hem op de mogelijkheid zijn ‘geestelijke, edele deel’ te verbinden met een energiestroom uit een bewustzijnsveld waarin waarheid, wijsheid, schoonheid en regeneratie domineren, waarden annex aan zijn afkomst; waardoor hij ten derde verantwoordelijkheid kan nemen voor de planeet en haar bewoners, zijn medemensen. En het is verwonderlijk, hoezeer deze drie uitgangspunten die als waarheid werden gevoeld, sinds het verschijnen van de Manifesten de idealen van denkers, schrijvers en dichters hebben beïnvloed.

Nu is waarheid een abstracte grootheid die alles omvat. Zij is absoluut en onaantastbaar, zuiver en onbezoedeld, als een bruid, en daardoor aan de godheid gelijk. Zij is altijd groter en omvattender dan het denken. Waarheid overstijgt ook het gevoel – maar elke mensendaad wordt machtig wanneer waarheid zich erin openbaart. Waarheid past in geen categorie, zij is altijd vrij en laat alle kaders ver achter zich. Waarheid is ‘Schoonheids minnares en gehuwd met het Recht’. Zij komt van elders. Verwant aan de godheid omzweeft zij de berg Olympus, zij is de sfeer waarin de goden ademen. En soms ontwaar ik een glimp, sta ik op de boog waaraan zij voorbij waait, en gelukzalige helderheid om zich heen strooit. Maar áls zij zich aandient, sta dan recht en stevig, want zij komt met de kracht van een orkaanstoot. Zij is een openbaring, zij beoogt een revolutie.

BESTEL DE ROZENKRUISERS REVOLUTIE, TRADITIE EN VERNIEUWING

Waarheid – als Vrouwe Venus uit de Chymische Hochzeit van de klassieke rozenkruisers
is zij een idealiteit die er nooit is; alles wat een mens kan doen, is als Faust eeuwig naar haar streven. Schoonheid is een leen. Wie haar tot een innerlijke waarde maakt, kan haar uiteindelijk gerust teruggeven. Recht is er wanneer men diep schouwt in de goddelijk kosmische structuren – en is ons oog reeds zo belangeloos?

Sta ik niet, als kleine mens, altijd in het centrum van een eigen universum? Denk ik, dan neem ik positie in. Die positie is mijn referentiepunt – ik heb geen ander; hoezeer ik me ook inspan waarheid, schoonheid, wijsheid in een wereld vol tegenstellingen te concretiseren. Maar verleent Waarheid aan mijn daad haar gunst, zet ik, als Archimedes, werelden in beweging, start ik een revolutie.

Toen de rozenkruisers in de zeventiende eeuw ongewild in de openbaarheid traden richtten zij zich tot een elite. Dat was heel anders dan hun naamgenoten die zich tegenwoordig tot iedere zoekende ziel wenden. Deze laatsten bieden een keur aan waarden, die voortkomen uit het pansofisch gedachtegoed van deze tijd; afgestemd op ieders eigen vibratie.

De schrijvers van de Fama fraternitatis, de Confessio fraternitatis en de Chymische Hochzeit brachten hun stellingen met onfeilbare zekerheid. Zij waren zich volkomen bewust van het hierboven geschetste dilemma. De eigen positie was in harmonisch evenwicht gebracht met de Waarheid; iedere zin is geladen met ‘het geestelijk vuur der rozenkruisers’ dat zij in de samenleving introduceerden. Zij schreven in paragraaf 7 van hun Confessio:

‘Wij moeten nu, o stervelingen, één ding verklaren, namelijk dat God besloten heeft aan de wereld […] de waarheid, het licht en de waardigheid te hergeven, die hij eertijds met Adam uit het Paradijs deed vertrekken om de menselijke ellende te verzachten.’

En net zoals het christendom, toen het op het wereldtoneel verscheen, de kracht van een openbaring bezat om alle vermeende vaste waarden uit hun baan te stoten – en dat aanvankelijk ook deed – zo bezitten de rozenkruisersmanifesten – die in feite níets dan geestkracht bevatten – ten tijde van hun verschijning dezelfde zeer verontrustende stootkracht van een openbaring, eveneens een revolutie.

De klassieke rozenkruisers richtten hun manifesten – schitterende taalconstructen, imaginaire beelden en idealen voor een nieuwe wetenschap, en een nieuwe, verbindende wereldvisie – aan ‘de hoofden en geleerden’ van de samenleving. En zij formuleerden deze grondig:

‘Er bestaat echter voor ons geen andere wijsbegeerte dan die welke de bekroning is van alle faculteiten, wetenschappen en kunsten. Zij omvat, voor wat onze eeuw betreft, vooral godgeleerdheid en geneeskunde en het minst de rechtswetenschap.
Het is een wijsbegeerte die hemel en aarde met een voortreffelijke ontleedkunde doorvorst, of die om kort te gaan genoegzaam tot uitdrukking brengt dat de enkele mens een microkosmos is. Over dit onderwerp zullen de meer bescheidenen onder de geleerden, zo zij op onze broederlijke uitnodiging zullen ingaan, geheel andere en verbazingwekkender dingen bij ons aantreffen dan zij tot nu toe hebben geloofd, bewonderd en verkondigd.’

Het was niets meer of minder dan het aanbieden van een nieuwe-wereldvisie, een magistrale droom, een idealiteit die er nooit kan zijn omdat zij in een wereld als de onze onbestaanbaar is. Maar wie het peillood van de waarheid diep in zich neerlaat, om vervolgens het kompas voor zijn eigen microkosmische onderzoek op die koers te richten, neemt vanaf dat moment ten opzichte van de Waarheid de enig mogelijke positie in.

Moderne rozenkruisersbewegingen van esoterische of gnostisch-christelijke snit zijn van mening dat de Broederschap van het Rozenkruis, zoals zij zelf stelde, haar Orde stichtte als een onzichtbaar college van wijze mystici. Deze waren afkomstig van over de zeven zeeën en de vier windstreken, uit alle gezindten en religies, om ‘voor de komende tijd een nieuwe fase van de christelijke religie voor te bereiden’ – de religie van het denken – ‘want Europa’, lees: de nieuwe, Aquariaanse mensheid, ‘gaat zwanger en zal een sterk kind baren, dat een groot peetgeschenk zal moeten hebben’ – zoals de wereld en de mens nu evolueert, heeft zij een passende religie van node, en een nieuw bewustzijn.

Zij hadden van de kathaarse broederschap enige eeuwen eerder geleerd dat het verstandig was onzichtbaar te zijn, om goede redenen. Maar ook al waren ze ongrijpbaar, de onzichtbare rozenkruisers zetten niettemin aan tot heel wat reactie. Voor- en tegenstanders tuimelden over elkaar heen, reacties en pamfletten waren aan de orde van de dag.

Tot de opwinding wegebde. Stillere naturen wijdden zich daarna aan nog grondiger studie, sommigen schaarden zich aaneen. In Duitsland vonden serieuze zoekers een toevlucht in het piëtisme, bijvoorbeeld bij Gottfried Arnold en de zijnen. In Engeland en Frankrijk gingen vrijmetselaarsloges en spiritistisch-esoterische bewegingen de geheimen van de Orde onderzoeken, of opnieuw uitvinden, en de idealen van de Broederschap nastreven: de verheffing van de mens en andere nobele gedachten, zoals men dacht dat ze werden uitgedrukt in de rozenkruisersmanifesten.

Aan het eind van de achttiende eeuw zette de mythische diepgang van de Chymische Hochzeit aan tot enkele onvergelijkelijke geschenken aan de mensheid. In mensen als Novalis, Goethe, Herder, brak – tastend en zoekend, of al zeer zelfbewust – zo’n nieuw bewustzijn door. ‘Als je op je weg de blauwe bloem vindt’, zegt Novalis, ‘pluk haar dan en geef je nederig over aan goddelijke leiding.’ En ging Schillers ‘Das verschleierte Bild zu Saïs’ niet over het gelaat van de Waarheid, gehuld in de gesluierde verschijning van Isis? Novalis vult hem aan. Waar bij Schiller de bezoeker als dood ter aarde stort wanneer hij Isis’ sluier optilt om haar Waarheid te aanschouwen, laat Novalis de leerling de waarheid verdragen, omdat Liefde hem de Waarheid toont in het gelaat van de andere mens, die hij liefheeft.

Goethes Faust is al net zo’n mensheidscompendium. Ook al zijn Fausts handelingen het exact tegenovergestelde van Novalis’ aanbeveling, het einde van deel II leest als een rozenkruis-rituaal. ‘Het ‘eed’le deel’ dat Faust met list, geweld en vuur zijn leven lang had trachten te bemachtigen, glorieert in een ander bewustzijnsveld. Zijn bovenzinnelijk element, van goddelijke oorsprong, wordt gered.

‘Gered is het eed’le deel, en zweeft Voorbij het kwaad, dit geestloos lijden;
Wie tot het eind volhardend streeft, Die kunnen wij bevrijden.’

Vaak wordt in hetzelfde verband ook Goethes bijzondere gedicht Die Geheimnisse genoemd, waarin de Rozenkruistempel in een stil woud wordt ontdekt. En ook het gedicht over de Liefde, uit de Vijfde Dag van de Chymische Hochzeit, citeert hij in een brief aan zijn minnares Gertrude von Stein:

Waaruit zijn wij geboren?
Uit liefde
Hoe zouden wij zijn verloren?
Zonder liefde
Wat helpt ons overwinnen?
De liefde
Kan men ook liefde winnen?
Door liefde
Wat laat niet lang wenen?
De liefde
Wat zal ons steeds verenen?
De liefde

De alchemistische diepgang van de Chymische Hochzeit vormde ook de inspiratie voor nog een onvergelijkelijk geschenk aan de mensheid: Mozarts Zauberflöte. Mozart componeerde en creëerde deze opera in zijn verbondenheid als vrijmetselaar, vanuit de Vrijmetselaarsloge ‘Zur Wohltätigkeit’ in Wenen, samen met zijn geestverwant en broeder Emanuel Schikaneder. En zelfs Paolo Nutini, Schots musicus, zingt in 2009: ‘It was in love I was created, and in love I hope to die…’

Een keerpunt in het midden van de negentiende eeuw

Een onderzoek naar de bronnen, de doelen en de betekenis van het esoterische denken van de eenentwintigste eeuw is niet denkbaar zonder enkele gedachten te wijden aan de nieuwe belangstelling voor de mythe, de mystiek en de magie die in het midden van de negentiende eeuw opgeld doet.

Aan het einde van de achttiende eeuw kenschetst de geheimraad Karl von Eckartshausen de ware broeders van de Orde van het Rozenkruis als volgt:

‘Deze wijzen, waarvan het aantal klein is, zijn kinderen van het licht en wars van de duisternis. Ze houden niet van mystificatie en geheimhouding; ze zijn open en eerlijk, hebben niets te maken met geheime genootschappen en met uiterlijke ceremonies. Ze bezitten een geestelijke tempel, waarin God de leiding heeft.’

Het is deze ‘Tempel die in het Midden is’ van waaruit de Orde werkt, en van waaruit de Traditio, ofwel ‘het eeuwig aan zichzelf gelijkblijvende richtsnoer’ altijd weer opnieuw werkelijkheid kan worden. En wie hetzelfde krachtige verlangen kent, en hetzelfde niveau van openheid en eerlijkheid bewijst, vindt zijn opgang naar deze Tempel. Want zonder deze bestaat er geen enkele inwijding, graad of diploma die toegang verleent, en zonder deze zal de ingang ervan nooit gevonden worden. ‘Maar’, voegt Eckartshausen eraan toe:

‘Jeder ist berufen!’– ieder is geroepen! – Wat ik hier zeg, geldt voor iedereen.
In waarheid is iedereen geroepen en, wanneer hij zinsbegoocheling en onwetendheid van zich afschudt, ook in staat bewust te worden van de waarheid. Want in iedereen – ook in u – ligt de bron van alle gelukzaligheid: het goddelijke licht. Het hoeft alleen maar te ontbranden, dan zal het ‘sterfelijke’ zich bewust worden van zijn onsterfelijkheid. […] En ieder wordt in het huidige leven voor een nooit eindigende toekomst voorbereid. Alles is in u aanwezig om een verdere stapsgewijze verwerkelijking van uw geluk te bewerkstelligen.’

In het Frankrijk van 1850 beschouwde Éliphas Lévi (Alphonse-Louis Constant) zichzelf als de laatste van die revolutionaire ketters die vochten voor een oorspronkelijk christendom, een ware, algemene kerk, het christendom van de gnosis. De wortels van de gnosis vond hij, evenals de klassieke rozenkruisers aan het begin van de zeventiende eeuw, in de kabbala en de alchemie. Johannes was door Jezus daarin ingewijd en hij had zijn Openbaringenboek, de Apocalyps, in de ‘hiëroglifische taal’ geschreven – en Johannes was het, die ook de Mysteriën had veiliggesteld en bewaard. De lijn van Johannes – zoals die van alle ‘echte kabbalisten en hoge ingewijden’ aldus Lévi – beoogde de realisatie van het goddelijke ideaal – de Adam Kadmon, het ideaal van de kabbala, de Mens van de Grootheid uit de gnostische codices.

De Engelse impuls

In 1854 ontmoette Éliphas Lévi de Engelse sir Bulwer-Lytton, schrijver van ‘Zanoni: A Rosicrucian Tale’. Bulwer-Lytton maakte hem in Londen deelgenoot in de Orde van het Rozenkruis. Terug in Parijs voltooide Lévi, nog vol van die inspiratie, zijn standaardwerk ‘Dogme et rituel de la Haute Magie’, in eenzaamheid en armoe, op de studentenkamer waarin hij ook het leven zou laten. En ook Max Heindel zou een halve eeuw later, vol van zijn inwijding als rozenkruiser in de buurt van Berlijn, in de bloedhitte van een New-Yorkse zomer al even eenzaam op een appartement zeven hoog zijn Cosmo-conception voltooien, we komen daarop later terug.

En zij zijn niet de enigen. Laat dit een hommage zijn aan die velen die in armoede, vaak in eenzaamheid, maar gegrepen door het ideaal van die schone minnares Waarheid, hun geestelijke preparaten voor de Orde voltooiden.

Laten we Anna Bonus-Kingsford noemen, die in 1882, als uit een ‘herinnering’ aan een hermetische school uit de tweede eeuw na Christus met haar vriend Maitland ‘The Perfect Way’ publiceerde, waarin zij een hele christelijk-gnostieke wereldbeschouwing vastlegden. En leden van de Golden Dawn waren er vele. Denk aan W.B. Yeats, de Ierse dichter/bard wiens geest zich in zijn liederen verplaatste naar een vervlogen gouden Keltische tijd, half mythisch, half goddelijk. In 1923 ontving hij een Nobelprijs voor de Literatuur ‘voor zijn altijd geïnspireerde poëzie, die in een uiterst kunstzinnige vorm uitdrukking geeft aan de geest van een heel volk’. Pas daarná zou Yeats zijn beste werken schrijven, wordt gezegd. Denk ook aan zijn vriend, die hij als zijn meester beschouwde, Arthur Edward Waite, een zeer vruchtbaar schrijver over de zaken die ons in dit essay bezighouden.

Voor al dezen was het alsof door een onzichtbare hand, een atmosfeer, een ideaal hun geest aanraakte, en de Waarheid, die schone bruid, een tip van haar sluier oplichtte, haar gunst verleende en heel hun wezen en daarmee hun bestaan op zijn grondvesten deed schudden. Waarna, op hun beurt, hun boeken insloegen als een bom. Het was inderdaad alsof, naar het woord van de Fama, ‘God met grote wijsheid begiftigde mensen had doen opstaan, die alle kunsten zouden vernieuwen en vervolmaken, zodat de mens zijn adeldom kon begrijpen, waarom hij microkosmos wordt genoemd, en hoe ver zijn kunst in de natuur strekt…’

Was Edward Bulwer-Lytton ook een van hen? Hij was in zijn tijd een immens populair schrijver, en nog in onze jonge dagen was zijn roman ‘Zanoni, A Rosicrucian Tale’ uit 1842 een must-read voor iedereen die geïnteresseerd was in esoterie. In 1870 benoemde de Societas Rosicruciana in Anglia (S.R.I.A.) Bulwer-Lytton als hun ‘Grand Patron’.

Het is de tijd van de geheime genootschappen. De Societas, een vrijmetselaars- christelijke rozenkruisersorde die vijf jaar eerder was begonnen, wierf haar leden onder de meester-metselaars van de Verenigde Grootloge van Engeland. Systeem en structuur van deze orde, schrijft Arthur Waite, waren afgeleid van de achttiende-eeuwse Gold- und Rosenkreuzer; hetzelfde systeem dat Waite later zou toepassen binnen de Inner Order van de Orde van de Gouden Dageraad, the Hermetic Order of the Golden Dawn.

Al in 1850 was Bulwer-Lytton benoemd tot ‘lid bij absentie’ van een Duitse loge, de loge ‘Carl zum aufgehenden Licht’, die in Frankfurt resideerde. Deze oude loge werd in 1816 gesticht. Zij stelden dat de kabbala een hogere vorm van mystiek kende, die je ook terugvindt in het christendom, vooral in zijn ‘verlichte’ of ‘ontwaakte’ vorm, zoals hun stichter Franz Joseph Molitor het stelde. Bulwer-Lytton correspondeerde met deze loge en raakte zo vertrouwd met hun alchemistische leringen (en praktijk!).

Arthur Edward Waite is voornamelijk bekend om zijn Rider Waite Tarot, een versie van de tarotkaarten die Waite en de kunstenares Pamela Colman Smith uitgaven bij de Rider Company. Vandaar de naam Rider Waite Tarot. De basis stamde uit Éliphas Levi’s Dogme et rituel de la Haute Magie, de esoterische bijbel van de negentiende eeuw. Arthur Waite had die vertaald en het boek verkreeg door deze vertaling wereldwijde bekendheid.

Waite was een alles overziende geest, in staat uit de meest onbekende bronnen wijsheid en inzicht te extraheren, een wijsheid en kennis die hij opnieuw aan de wereld van zijn tijd ter beschikking wilde stellen. Een onstuitbare werker, onbaatzuchtig en toegewijd aan de waarheid, en daarom gehaat door degenen die wel persoonlijk gewin zochten in de esoterie.
In de kernbibliotheek van de Bibliotheca Philosophica Hermetica van de Embassy of the Free Mind te Amsterdam bevindt zich een typoscript van een anoniem gebleven intimus van de schrijver.

De schrijver stelt zich op het standpunt dat het enthousiasme voor het occulte dat in de late negentiende eeuw om zich heen greep een diepe invloed had op de schrijvers van die tijd, zoals W.B. Yeats, Arthur Machen en E.A. Poe. Volgens hem kan veel van wat er door deze dichters en schrijvers het licht zag dan ook niet begrepen worden zonder kennis te nemen van de esoterische ideeën die toen opgeld deden. A.E. Waite, zo betuigt deze bron, was degeen die dit gehele spectrum in zijn tijd overzag en mede vorm gaf, en hij was bovendien de enige die het perspectief ervan zowel kon beschrijven als innerlijk duiden.

De al genoemde Hermetische Orde van de Gouden Dageraad wijdde zich in haar Outer Order, haar uiterlijke gedaante, aan ceremoniële magie en mystiek, op basis van een geheimschrift dat aan de stichters Mathers, Westcott en Woodman was toevertrouwd. Hun bron waren de Secret Chiefs, die in Duitsland zouden resideren, maar tevens van bovenzinnelijke aard waren, en van waaruit al het esoterische werk zou zijn gecoördineerd. De Inner Order of binnenste kring van de Gouden Dageraad baseerde zich evenwel op de aanwijzingen die zij in de Fama fraternitatis, meer precies in de beschrijving van de graftempel van Christiaan Rozenkruis hadden aangetroffen. Tot twee keer toe richtte Waite binnen de vereniging een rozenkruis-orde op, om zich te kunnen wijden aan een zuivere, christelijk-mystieke instroming.

Anderen, zoals Franz Hartmann en Theodor Reuss (stichters van de Ordo Templi Orientis (O.T.O.)), en daarna Crowley die met zijn aanhangers die beweging ‘overnam’, zochten naar meer fantastische formules in de magische voorlopers van de manifesten: Trithemius, Agrippa von Nettesheim, Paracelsus, en bij onzichtbare entiteiten, vaak van de duisterste soort – maar de Perennial Wisdom, de Eeuwige Wijsheid met haar vier zuilen, zoals Huxley haar omschreef, is er niet in terug te vinden. Zij is van een andere orde. Ook al doordringt de Waarheid alles en is alles altijd op zoek naar een positie ten opzichte van haar, haar simpele essentie werd niet begrepen. Huxley geeft dat treffend weer:

‘Wanneer een mens geen onderscheidingsvermogen heeft, dwaalt zijn wil af
in alle richtingen, naar ontelbare doelen. Degenen die geen onderscheidingsvermogen hebben, kunnen wel de letter van de Schrift citeren maar haar innerlijke waarheid blijft hen verborgen. Ze zijn vol wereldse verlangens en hongeren naar beloningen in de hemel. Ze gebruiken mooie stijlfiguren; ze leren uitgebreide rituelen, bedoeld om genoegens en kracht te verschaffen aan degenen die ze beoefenen. Maar in feite begrijpen ze niets […]’

Ware magie, de magie van het Licht, is dan ook anders. Om nogmaals Eckartshausen aan te halen:

‘De natuurlijke of witte magie van het Licht heet Theosophia: de kennis Gods, de toenadering tot God, de wijsheid Gods, de werken Gods. De tweede afdeling van de ware magie heet Antroposophia: de wetenschap van menselijke wijsheid. Men kan in die zin Anthroposoof zijn, zonder ooit tot de Theosophia door te dringen, maar wie een ware Theosoof is, is ook in het bezit van de wijsheid van de Antroposophia.’

Woorden geschreven een kleine honderd jaar voordat er van een Theosofische of Antroposofische Vereniging sprake was.

Theosophical Society

‘Er is geen hogere religie dan de Waarheid’, is het motto waarmee H.P. Blavatsky en Henry Steel Olcott in het donkerste tijdvak van de 19e eeuw een rechtstreekse confrontatie aangaan met het materialisme, dat het geestelijke deel van de denkende mensheid verstikte. Hoewel de zakelijke natuurwetenschappen al sinds de Verlichting bezig waren het pantser van de religie voorzichtig te doorbreken, was dit niet om het hart te vertroosten met innerlijke verheffing of in plaats daarvan de verlichting van de zuivere mystiek te bieden. Het was niet de licht scheppende Religie van het Denken die de Verlichting bracht; die dompelde de mens onder in de kilte van een maakbare materiële samenleving. Reductionisme in plaats van transfiguratie. Stenen voor brood, aldus.

Desondanks keert de esoterisch denkende mens zich in die dagen op grote schaal toe naar een direct contact met de wereld van het ongeziene, hopend zo de immer vlietende waarheid op geestelijke wijze op het spoor te komen. Helena Blavatsky heeft ons het ambigue genoegen gedaan door het gordijn tussen de mens en de onzienlijke werelden weer open te schuiven. Haar Geheime Leer geeft een wereldbeeld dat eonen overspant; omdat ook die een eigen positie inneemt, loodrecht op de Waarheid, sloeg ook zij in als een bom. Blavatsky, geïnspireerd door haar geheimzinnige meester K.H., geeft talloze voorbeelden om aan te geven hoe stof, de materie en de wereld van de vorm niet alles zijn, maar altijd doordrongen zijn, en zijn geweest, van geestelijke essentie.

Zo, geestelijk, is de wereld ontstaan. Zij – en de talloos vele miljoenen die haar beweging steunen – willen opnieuw ervaren, dat de wereld en de mens een wonder van samenwerkende geestelijke krachten en hiërarchieën is. Een keerzijde was wel de psychische belasting die velen ondergingen, door zich voor allerhande invloeden open te stellen.

De oprichting van de Theosofische Vereniging vormde wel het nulpunt van de esoterische opleving van de laatste twee eeuwen. Haar impuls begon met de achttien handtekeningen onder het handvest van 1875 waarmee de Theosofische Vereniging in New York een aanvang nam. ‘Haar enige axioma is de almacht van de waarheid, haar enige geloof een belijdenis van onvoorwaardelijke toewijding aan de ontdekking en verspreiding daarvan,’ waren de fraaie woorden in het handvest. Dat het niet altijd zo kon zijn, blijkt wel uit haar woorden uit 1889, na een aantal splitsingen in de vereniging: ‘Persoonlijkheid is de vloek in de Theosophical Society, zoals overal.’

Rosicrucian Fellowship

In de Verenigde Staten was Leadbeater voorzitter van de Theosofische Vereniging,
en Max Heindel, die in eerste instantie onder de indruk was van zijn literatuur, werd aan het begin van de negentiende eeuw al snel vicevoorzitter. Tot hij in de winter van 1907-1908 vijf maanden doorbracht in Berlijn, en daar, naar eigen zeggen, de leringen van Dr. Steiner bestudeerde – die zelf de meeste tijd elders was. Max Heindel vertelde hem evenwel in hun laatste ontmoeting dat hij bezig was met het schrijven van een boek, een compendium van leringen uit Oost en West, hetgeen Steiner deed zeggen dat als er gedachten van hem in werden voortgezet, hij wel genoemd zou willen worden. Daarom droeg Max Heindel zijn Cosmo-conception aan hem op.

We lezen in zijn voorwoord dat in januari, februari en maart 1908 de Oudere Broeder, die Max Heindel sindsdien kende en vereerde als zijn Leraar, soms geestelijk contact met hem zocht en hem meerdere punten verduidelijkte.

Vervolgens werd de schrijver uitgenodigd naar een landgoed te komen waar zich een Tempel van het Rozenkruis bevond. Daar begroette hem de Oudere Broeder, ditmaal in zijn stoflichaam, en ontving hij een samenhangende en veel verder reikende filosofie, die alles omvatte wat er tot dan toe bekend was, en veel bevatte wat nog geheel onbekend was. Dus wierp hij het onaffe manuscript waaraan hij begonnen was weg en zette hij zich aan zijn nieuwe taak, het schrijven van een Wereldbeschouwing van de rozenkruisers. Terug in Amerika bleek, zoals zijn leraar hem had voorspeld, dat de taal waarin het boek was gesteld niet geschikt was voor een Amerika dat zich, als modernste land op aarde, opmaakte om zich volop voorover te storten in de twintigste eeuw. Het verslag van zijn vrouw Augusta Foss geeft ons een goede indruk van de omstandigheden waaronder dit werk tot stand kwam:

‘Op de zevende verdieping van een pension huurde hij een zit-slaapkamer en zat in de warmste maanden van de zomer van 1908 op zijn hete kamer van ’s morgens 7 uur tot 9 of 10 uur ’s avonds op zijn Blickensdefer schrijfmachine te typen, zonder zich de tijd te gunnen voor het nuttigen van zijn maaltijden. De melkboer zette iedere morgen een kwart liter melk aan de deur van zijn kamer en met een paar beschuiten vormde dit zijn voedsel tot 9 uur ’s avonds, wanneer hij gewoonlijk uitging om te dineren, hetgeen slechts bestond in het nuttigen van enige groenten. Na een wandeling door de hete straten van New York ging hij weer tot na middernacht aan zijn manuscript zitten werken. Toen de hitte te erg werd, verhuisde hij naar Buffalo N.Y., waar het manuscript tegen september gereed kwam.’

In 1910 ontving Heindel opnieuw aanwijzingen over hoe hij het werk van de Rosicrucian Fellowship kon organiseren: naast het verstrekken van de leringen zou er een groep dienen te komen die zich, ongehinderd door afstand, zou concentreren op de Tempel die hij nog zou bouwen in Oceanside, Californië. Met de zielekracht die daarmee vrijkwam kon dan langs etherische weg zeer veel goeds gedaan worden voor mensen die door ziekte en gebreken gehinderd werden. Max Heindel schrijft:

‘[…] met een weinig hulp van de oudere broeders brachten zij mij in contact met het vierde ondergebied [van de Sfeer der concrete gedachte], waar de oertypen worden aangetroffen, om daar lering en begrip te krijgen van datgene wat als hoogste ideaal en de hoogste opdracht van het Rozekruisers Genootschap wordt beschouwd. Ik zag ons Hoofdkwartier en hoe een massa mensen van alle oorden van de wereld er heen stroomden, om de leringen te ontvangen. Ik zag hen vandaar weer uitgaan om heinde en verre troost aan de ongelukkigen te brengen. Terwijl wij in deze wereld alles moeten onderzoeken om kennis van de verschillende dingen te krijgen, verschaft het geluid, dat ieder oertype voortbrengt, zodra het ons geestelijk bewustzijn beroert, ons daar een diepe kennis van datgeen wat het oertype voorstelt. Ik geraakte die nacht dan ook tot een begrip van de dingen die niet met woorden zijn weer te geven, omdat de wereld waarin wij leven is gebaseerd op het tijdsbeginsel, terwijl dat hoogste gebied van de oertypen als op een eeuwig Nu berust.’

Deze onbaatzuchtige helderheid vindt weerklank. De nuchtere en begrijpelijke aanpak is een verademing. Zij steunt op een groot ontzag voor een geestelijke leiding. Zij wordt aangejaagd door een groot verlangen naar verheffing. En daarvoor levert ‘het hart, dat onder het kruis naar rozen geurt’, de welriekende brandstof.

Rozekruisers Genootschap

Zoals Max Heindel zijn Cosmo-conception gepubliceerd diende te hebben voor het eerste decennium van de twintigste eeuw was verstreken, deed Jan Leene, die zijn eerste boeken schreef onder de naam John Twine, in Nederland zijn gelofte gestand zijn commentaren op de Fama fraternitatis voor het verstrijken van de eerste helft van het jaar 1939 gereed te hebben. Hij had al op 17 december 1915 een eerdere, innerlijke gelofte afgelegd zich aan geestelijke arbeid te wijden, en hij en zijn broer Wim traden in 1924 toe tot de Fellowship. Met vliegende start togen zij aan een Nederlands werk; er ontstond een publicatiebureau en een genezingsafdeling, een hele organisatie. In 1926 voegde Cor Damme zich bij hen. Anders dan de Fellowship, die vooral een schriftelijk lidmaatschap kende, wilden zij gedrieën vooral ook met elkaar samenkomen, om samen de leringen te bestuderen en deze in de praktijk te brengen. Het grootste kenmerk van hun arbeid zal blijken te zijn, dat zij terugkeren ad fontes.

Daarmee bedoelen zij allereerst: tot die Bron, waarin de Wijsheid-van-Binnen haar zetel heeft. De Bron, die de Geest des Levens is, waaruit de wijsheidsgeschriften stammen; die tegelijk Gnosis, Licht, Liefde en kennisse des harten is. Geholpen door dat Licht, die Gnosis, verdiepen zij zich in de originele geschreven bronnen, voor zover die nog vindbaar zijn.

Het begint in de jaren twintig met esoterische verklaringen van veel bijbelpassages en vertalingen uit publicaties van de Fellowship. Ze schrijven lezingen, geven cursussen in Heindels kosmologie en astrologieverdiepingen en beginnen een Jeugdwerk! Zij vinden de werken van Eckartshausen, die ze vertalen. Ze geven uitleg bij de Fama en de Confessio. En ze brengen leden en proefleerlingen uit geheel Nederland bijeen.

Op zoek naar de bronnen reist het driemanschap naar Frankrijk, naar Berlijn, naar Moskou en andere plaatsen. In de British Library te Londen treffen zij in 1935 de oorspronkelijke rozenkruisersmanifesten aan. Eerst in het Engels, in het sleutelwerk van Waite, ‘The Real History of the Rosicrucian Brotherhood’, en later in de originele publicaties. In Waites uitgave zien ze op de hemelsblauwe omslag een afbeelding waarvan ze later hun zegel zullen maken. Het is een illustratie genomen van de titelpagina van de Chymische Hochzeit, die ook naast de uitnodiging van Vrouwe Alchymia aan Christiaan Rozenkruis te vinden is. Zij voelen: dit is het symbool van de Orde van het Rozenkruis, die alle waarheidszoekers inspireert. Met dit teken hebben zij een sleutel in de hand, waarmee ze verder kunnen.

Zo wordt deze afbeelding uit 1616, de omgekeerde monas hieroglyphica van John Dee, het door mysterie omhulde ‘bloedzegel van Christiaan Rozenkruis’, of CRC. In het bloedzegel van Christiaan Rozenkruis’ herkennen zij hun opdracht.

Waarom noemen ze dat het ‘bloedzegel’, en wijden ze er een hele brochure aan? Het bloed vertegenwoordigt in hun ogen de essentie, het levendragende element, waarin de levenskracht werkzaam is, en Waarheid zich kan uitdrukken. Meer dan aan de Rosicrucian Fellowship, beloven de broers Leene en Cor Damme vanaf die gedenkwaardige dag in Londen aan de Orde van het Rozenkruis hun volledige trouw en arbeidskracht. Zij spreken van ‘een volledig mandaat, ons gegeven door de Orde van het Rozenkruis’.

Met dit nieuwe fundament onder het werk verandert ook hun positie ten opzichte van Oceanside, waar de Fellowship resideert. Minder afhankelijk, nemen zij nu een autonome plaats in; los van de Fellowship weten zij het hun opdracht om, misschien voor het eerst sinds 1615, een Nederlandse vertaling te leveren van de drie klassieke manifesten. Ze waren daarmee al in 1933 begonnen, in afleveringen van hun maandblad Het Rozenkruis; in 1937 publiceren ze het geheel als Het geestelik testament der Orde van het Rozekruis. In het voorwoord van de eerste, gestencilde uitgave lezen we:

‘In de eerste helft van de maand september van het jaar 1936 werd door enkele Vrienden van het Rozekruis het initiatief genomen, alle oude, niet meer in de Boekhandel verkrijgbaar zijnde Geschriften der authentieke Orde van het Rozekruis, te drukken en tegen kostprijs te doen verspreiden. En het is zeker geen toevalligheid, dat als eerste uitgave, deze vier belangrijke geschriften der Orde, bekend geworden als het ‘Boek M’, aan alle Vrienden van het Rozekruis worden aangeboden. De vertaling is naar authentieke afschriften van het origineel gemaakt.

Lectorium Rosicrucianum

De zoektocht naar authentieke bronnen zou niet meer stoppen. In 1946 braken Jan Leene en Hennie Stok-Huizer alle banden met de occulte invalshoeken en astrologie door zich op een geheel nieuwe, gnostiek-hermetische basis te plaatsen. Zij hadden altijd gezegd dat het Rozekruis Genootschap gold als een voorbereidingsschool voor de Mysteriën. Het moge duidelijk zijn: de Mysterieschool behoort niet aan enig gezelschap, of vereniging of enige zich rozenkruis noemende beweging. Zij is niet stoffelijk, maar volledig geestelijk. Zij is uit, en toebehorend aan, de Christusgeest, die universeel is. In die zin kan niemand haar bezitten want zij behoort toe, als een erfdeel, aan de mensheid. Vanaf dat jaar volgt het werk en de scholing van het Lectorium Rosicrucianum een andere, innerlijke weg, onder het schild van een universele broederschap, die zich aan de Christus heeft gewijd.

Alle rozenkruisersgezelschappen tot dan toe waren inwijdingsscholen, en ze verschenen in verschillende kwaliteit. In de jaren 1946-1964 werd de Mysterieschool immanent, in de levende organisatie van de geestesschool, die de stichters ervan als een ‘lichaam’ beschouwden.

‘Ad Fontes’ betekende voor Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri dat zij hun
leerlingen steeds weer confronteerden met de oorspronkelijke geschriften, de wijsheidsgedachten der tijden, zoals de hermetica, de gnosis van de Pistis Sophia, de Chinese gnosis, de Indiase gnosis – de ‘familiedocumenten’ van de gnosis, die zij voor een groeiende groep leerlingen toegankelijk maakten en becommentarieerden. Dat was zoals zíj vorm gaven aan de universele gedachte van bevrijding van ‘het edele deel’ in de mens.

Zo werd het Lectorium Rosicrucianum een geestesschool, geheel autonoom onder het zegel van het Rozenkruis. In geestelijke zin toegewijd aan een hermetische en gnostieke opvatting van de zending van de Christus, die zowel bron als doel is. ‘Wat is Christus?’ vragen zij zich af, om vervolgens te formuleren: ‘Christus is liefde, wijsheid, kracht. Het is die bron van zuivere aantrekking, die het gevoelige hart zegent.’

Zij zien deze als een bouwende, vormgevende en tegelijk troostende levensenergie van bovennatuurlijke aard, die wel in het hart kan worden ervaren, maar die geheel vrij is van de zintuigen. En met betrekking tot hun organisatie formuleren zij in 1964 een beginselverklaring:

‘Het Lectorium Rosicrucianum ontleent zijn naam aan de klassieke aanduiding Rozenkruis of Christiaan Rozenkruis. Zij stelt zich op het standpunt, dat deze naam niet toebehoorde aan enig bestaand hebbend mens als familienaam, maar betrekking heeft op een bepaalde geestelijke gerichtheid.
Wij noemen ons Rozenkruisers om daarmee aan te duiden, dat wij Jezus Christus tot een levende factor in ons leven willen maken, en zijn weg praktisch willen bewandelen.
Daarom de voornaamaanduiding Christiaan.
Het pad van de Christus is een ‘via dolorosa’, dat is een weg, een methode, een levenshouding, een religieuze gezindheid, die alle gericht zijn op het bewerken van de roos.
De roos is een latent beginsel, rustende in iedere mens, op de basis waarvan het Kindschap Gods kan worden gerealiseerd. Dat beginsel is te vinden in het hart van de mens.
Het bewerken van de roos, in de kracht en de genade van de Christus, en volgens de aanwijzingen van de klassieke wijsheid, de universele leer, stelt een ieder die dat wil (naar het woord uit de proloog van het Johannes-evangelie: ‘Allen die Hem aannemen, stelt Hij in staat wederom kinderen Gods te worden’) – in de gelegenheid het grote DOEL, waartoe iedere mens geboren wordt, te bereiken.
Dit gehele streven kan worden begrepen in de naam: Christiaan Rozenkruis.’

In die zin is het Lectorium Rosicrucianum een werkende, autonome cel in de Fraternitas Universalis, de niet in woorden of structuren uit te drukken mensheids-wereldbroederschap. Zij is nu, na praktisch honderd jaar, in zeven wereldregio’s over de hele planeet actief.

In het eerste kwart van de eenentwintigste eeuw blijkt dat veel van de leringen, die voor de wereld eerder vreemd waren en in het verleden op veel weerstand stuitten, mainstream zijn geworden, en opgenomen in de levenssfeer van de bewuste mens. Een grote groep adolescenten en jongvolwassenen is tegenwoordig vegetariër, velen zijn veganist. Velen zijn wars van ego. Zij zijn intelligent en in de elektrische atmosfeer van nu is een holistische visie onder hen geen uitzondering. Zij vernieuwen de wereld met inventieve uitvindingen. Velen van hen denken inclusief, en verenigingen met hun structuren uit de negentiende of begin twintigste eeuw oefenen niet direct een sterke aantrekkingskracht op hen uit.

Daar ligt een uitdaging. Zoals de wereld zich andermaal vernieuwt, zullen deze gemeenschappen eveneens nieuwe wegen ontplooien. Ook in die zin zijn de ontwikkelingen niet te stoppen. Het is een tijd waarin van ieder wordt gevraagd met open vizier de Waarheid tegemoet te treden. Een tijd van vernieuwing inderdaad, en ook de vertrouwde verenigingen als de Orde der Vrijmetselaren, de Theosofische Vereniging, de Antroposofische Vereniging en het Lectorium Rosicrucianum zoeken nieuwe wegen, om hun eigen positie opnieuw vorm te geven – zonder de oude principes vaarwel te zeggen.

Nieuwe resultaten zullen niet uitblijven. Overal en altijd zullen mensen opstaan, om de weg naar het innerlijk te gaan. Want de omwenteling vindt in het binnenste plaats. Zijn zoekende mensen daaraan toe, dan vormen de Verenigingen die de werkelijke wijsheid vertegenwoordigen een trede voor velen. De Rozenkruis Revolutie is een revolutie naar de geest, en zij is voor de gehele aarde begonnen.

Peter Huijs (1951) is redacteur, uitgever, kunsthistoricus. Houdt van mooie en zinvolle boeken. Publiceerde eerder over het rozenkruis in de zeventiende eeuw, over de geschiedenis van het rozenkruis in Nederland en schreef met Mirjam Duivenvoorden een biografie over Antoine Gadal, kenner van de kathaarse beweging in de Sabarthez in Zuid-Frankrijk.

LEES OVER DE TENTOONSTELLING ‘DE ROZENKRUISERS REVOLUTIE’ T/M 31 JULI 2022

BESTEL DE ROZENKRUISERS REVOLUTIE, TRADITIE EN VERNIEUWING

LEES OVER PETER HUIJS EN DE BOEKEN DIE HIJ HEEFT GESCHREVEN