Ken uzelf – hoofdstuk 10 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het tiende hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

Zo is dan voor uw bezinning komen vast te staan dat er in het menselijke bestaansveld een onheilig vuur ontstoken is en in stand wordt gehouden. U draagt het met u als de vurige, vlammende fakkel van de ziel. Dit vuur in u wordt steeds weer gevoed door het centrale onheilige vuur, dat in een bepaalde perfide kern van uw levensdomein brandt.

Dit centrale vuur der onheiligheid werd van de vroegste tijden af in de Universele Leer aangeduid als ‘Lucifer.’ Het is een centrum van waterstofgas, dat niet in overeenstemming met een goddelijk oertype vibreert, en daarom nimmer aanleiding kan geven tot werkelijk goddelijk leven. Het ontsteekt slechts onheil, dood en vernietiging.

Waterstofgas is zielesubstantie. Daarom is een concentratie van waterstof in de materia magica steeds geïndividualiseerd; zijn is vol bewustzijn, ineigen natuurbewustzijn. Dit maakt u duidelijk waarom er steeds wordt gezegd dat Lucifer een machtige, tegen God opponerende entiteit is.

In diepste wezen echter is het bewustzijn van Lucifer onwerkelijk, schijn, want Lucifer is geen entiteit, doch een natuurverschijnsel, in deze wereld werkzaam in onheiligheid, omdat de idee, die de waterstofconcentratie tot aanzijn riep, ongoddelijk is, niet in overeenstemming met het Godsplan. Bewustzijn is er eerst, een entiteit is men eerst, wanneer het zielebrandpunt verbonden is met de absolute geest. Zonder de geestbinding is er slechts een brandpunt, een onredelijk, loeiend vuur, een gevaarlijke begoocheling.

De menselijke zielevuurbeginselen, ontstoken in Lucifer, zijn even onwerkelijk als dit centrale onheilige vuur zelf. En het is volkomen duidelijk dat, wanneer alle onheilige zielevuurbeginselen, die in Lucifer branden, hun onwerkelijkheid, hun fundamentele begoocheling inzien en gaan weigeren nog langer in het vuur der onheiligheid te bestaan, ook het centrale Luciferische vuur zal worden gedoofd.

Het is voor u misschien moeilijk te verstaan en bezwaarlijk te aanvaarden dat u in werkelijkheid niet leeft, doch een natuurverschijnsel bent. De som van uw bestaan is het gevolg van de zo uiteenlopende mogelijkheden in de materia magica. De fakkel van uw ziel brandt vanwege de samenvoeging van een aantal natuurvuurgeesten, die men wel aanduidt als ‘salamanders.’ De samenwerking of ineenvloeiing van een aantal salamanders – de vurige slangbeginselen van het element waterstof, het fundamentele vuurelement – veroorzaakt het verschijnsel, dat u kent als bewustzijn, de sensatie van ‘ik ben.’

U bent als dialectische ziel fundamenteel doelloos. Uw bestaan is een wielwarreling: u leeft om te sterven en u sterft om te leven. Alles hier gaat op en onder. Niets is blijvend, niets is essentieel.

Dit alles moet u leren dat u zelf en uw wereld slechts het resultaat zijn van een doelloze motorische vuuractiviteit, van een kettingreactie. Uw gehele bestaan berust op een onheilige alchemische formule:

  • uw ziele-waterstoffakkel brandt in zuurstof;
  • het proces wordt bestuurd door de twee factoren van het element stikstof;
  • het resultaat openbaart zich in en door koolstof;
  • en het geheel gaat uit van een brandkern: Lucifer.

Als u deze fundamenteel-dialectische toestand niet met ons inziet of niet aanvaarden wilt, als u zich tegen deze conclusie verzet, wat zou u dan kunnen doen? Dan kunt u doen wat ontelbaren vóór u deden: dan kunt u de weg gaan van de natuurmagie, de weg van het natuuroccultisme. Waarheen voert die weg u? Tot de kern van het Luciferische veld! Wij zullen u dat bewijzen.

Allereerst een vraag: Is het mogelijk buiten het dialectische bestaansveld te treden? Kan een mens van deze natuur, een zielevuurbeginsel, ontstoken door en brandend in de Luciferische kern, buiten dit vuurveld treden?

Hij kan het niet, omdat het geheel buiten zijn natuurlijke vermogens ligt. Hij kan slechts zijn in het veld van zijn geboorte, in het veld van zijn natuurlijke wezensgrond. Hij kan slechts blijven wat hij is en waar hij is. Hij kan dolen en de omtrekken van zijn bestaanscirkel aftasten. En hij kan het ondernemen tot de kern van zijn bestaansveld door te breken. Dat nu doet de natuuroccultist. Hij dringt door tot de grondslagen, tot de sleutelbasis van zijn existentie, en wenst deze te beheersen, mede te besturen. Hij wil aldus terzake geen dienaar, geen slachtoffer, doch een meester zijn.

Deze weg kan inderdaad bewandeld worden, doch wat doet de betrokken mens aldus in werkelijkheid?

Door zijn activiteit en de resultaten daarvan versterkt hij de Luciferische kern van het onheilige bestaansveld. Hij doet dit vuur feller dan ooit branden of hij stookt het, als het dreigt te verflauwen, opnieuw op, met andere woorden: hij is lijfelijk en letterlijk het Inferno binnengegaan, hij is wezenseen geworden met de kern van het onheilige vuur. Zoals een orgaan door een veranderd aantal cellen en een gewijzigde celstructuur een nieuw karakter vertoont, zo gaat de occultist der Luciferische natuur in die natuur op en kan zich daarvan niet meer bevrijden. Hij is mede die natuur zelf geworden.

Het is die toestand waarvan alle verhalen, mythen en legenden uit de heilige taal gewagen als zij over de hel en het helse vuur spreken. Alleen zij gaan het helse Luciferische vuur binnen die zichzelf daarin werpen.

Wie werpt zich in dat vuur? Hij die zich in bestaansdrift bewust, elementair, daarmee associeert.

Wellicht verschijnt u nu de onmetelijke doem der samengestelde kracht die wij kennen als ‘de dialectische hiërarchie’ in al haar dramatiek. Deze hiërarchie is de samengestelde kracht van allen die de Luciferische kern van het menselijke bestaansveld in stand houden, uit zelfhandhavingsnood in stand móéten houden. Doch let erop dit dramatische element in het juiste perspectief te schouwen: het gaat hier niet om werkelijk ‘leven’, doch om een natuurverschijnsel dat van de Gnosis is losgeslagen.

Laten wij dus de natuuroccultist niet hard vallen, want is het niet zo dat hij, in zijn bestaansdrift, langs zeer natuurlijke wegen tot het hart van zijn bestaansbron is gevlucht? En wij ontdekken tevens dat alles wat in deze natuur religieus is en op de grote en bekende natuurreligieuze systemen steunt, in wezen eveneens gegrond is op de kern van het Luciferische waterstofveld. Of men een mysticus, een occultist, een materialist, of een primitief biologisch wezen is, wordt bepaald door het aantal salamanderse of vuurbeginselen in het zielevuur. Al deze verschijningsvormen zijn, als de schakels van een keten, met elkaar verbonden en hun aller staat-van-zijn is een staat in en door het helse vuur. Sommigen van hen hebben zich geheel met de kern van dit vuur geassocieerd, anderen nog niet. Nog niet! En tot die anderen behoort u.

Dit alles behoeft u echter niet met vrees voor het helse vuur te vervullen. In wezen keert alle dialectische natuurbeweeg na een lange omloop weer tot haar kern, dus tot het Luciferische vuur, terug. De natuuroccultist doet dat snel en radicaal, de anderen gaan een weg die meer spiraalsgewijze verloopt. Zijn zij eenmaal tot de kern gekomen en daarmee wezenseen geworden, dan spatten uit die vuurkern weer nieuwe bestaansvonken. Deze worden eerst opgenomen in een eonenlang proces van openbaring, van dialectische mensverschijning, en keren dan ten slotte weer tot de bron terug. Het iets wordt weer niets. Het schijnbewustzijn, dat zo lang in de gebondenheid aan het wiel bestond, wordt weer opgeheven. Aldus is er de bekende wielwenteling en een Luciferische cirkelgang.

Op een bepaald punt van deze tweevoudige weg staand, als mysticus, als occultist, als materialist, of hoe dan ook, wordt u thans door de Geestesschool aangesproken. Er wordt tegen u gezegd: ‘U hebt een bewustzijn, doch u bent totaal zonder leven, want leven bestaat alleen in en door de geest. Dit bewustzijn raketteert door een bepaalde reeks toestanden, tot het uitloopt in de kern van uw bestaansveld en wordt opgeheven. Dit opgaan in, dit zich associëren met de Luciferische kern van uw bestaansveld, wordt het Inferno genoemd, het ingaan in het helse vuur. Kortom: wij doen een poging u een reeks natuurverschijnselen, waarin u zelf partij bent, te verklaren. En wij vragen u: Moet dit zo voortduren? Wilt u hierin geen verandering brengen?’

Het kan zijn dat deze uiteenzetting en deze vragen u op een bijzondere wijze aanspreken, dat u erdoor bewogen wordt, want door middel van deze vragen, en de kracht die erachter staat, wordt er een beroep gedaan op het geestvonkatoom in uw hartheiligdom. Wie zulk een geestvonkatoom bezit, kan op dit appèl niet onbewogen blijven.

Het is met dit geestvonkatoom een wonderlijke zaak. In het vorige hoofdstuk hebben wij dit mysterie benaderd door te spreken van waterstofatoom. Immers, het vurige waterstofatoom is het begin van het wordingsproces der persoonlijkheid. Het waterstofatoom, door de geest Gods ontvlamd, schonk het bestaan aan de oorspronkelijke persoonlijkheid. Deze oorspronkelijke persoonlijkheid is echter verdwenen en slechts het oude waterstofbeginsel is overgebleven: het ligt latent verborgen in het hartheiligdom. Dit oude waterstofbeginsel, dit geestvonkatoom, doet in geen enkel opzicht mee aan het instandhoudingsproces van de huidige, dialectische schijnwerkelijkheid.

Er doet zich hierbij voor uw begrip wellicht een moeilijkheid voor. U kunt zich misschien voorstellen dat het oude levensbeginsel een degeneratieve lijn heeft gevolgd, een lijn van neergang. Nu lijkt het logisch aan te nemen dat op een gegeven moment deze lijn een wending zal vertonen, een nieuwe opgang, en dat er zich een evolutieproces zal inzetten. Wij moeten u evenwel verklaren dat een dergelijke voorstelling geheel bezijden de waarheid is. Zoals een motor onmiddellijk stagneert als er geen brandstof meer is, zo valt het oorspronkelijke levensbeginsel onmiddellijk uit als de binding met de voedende geest wordt verbroken; alles wat eerst door de geest mogelijk was, zal dan verdwijnen.

Zo ligt de vraag voor de hand: ‘Zijn er dan twee levensbeginselen, twee waterstofprincipes, twee slangenvuurbeginselen: een oorspronkelijk beginsel dat, bij gebrek aan voedende kracht, nu latent is, en een tweede, zeer actief?’ Inderdaad, dat is het geval! Dit feit is een der onwankelbare fundamenten van de transfiguristische wijsbegeerte. Daarom is het goed hierop even nader in te gaan, teneinde de volle waarheid bekend te maken.

In de Universele Leer werd altijd over deze twee beginselen gesproken. Daardoor weten wij dat Christus tegenover Lucifer staat. Christus is de goddelijke mandataris. Lucifer de met grote macht beklede dienaar. Lucifer wordt vanwege zijn glorie ‘de Morgenster’ genoemd, ‘de Zoon van de Dageraad’, de schitterende afvallige, de machtige oproerling, de lichtbrenger. Er wordt gezegd dat hij de hoogste titel draagt buiten de hemel, want in de hemel kan hij niet zijn. Maar buiten de hemel is hij alles. En in de heilige legenden wordt Michaël, de onoverwinnelijke, hemelse energie, tegen hem in het strijdperk gevoerd. Wat moeten wij van dit alles denken?

Als de onkenbare geest in de oersubstantie straalt, in de materia magica, en daarin het vuur ontstoken wordt en de elementen hun kettingreacties aanvangen, ontstaat er tegelijkertijd een weerspiegelingswerkzaamheid. Men zou kunnen spreken van een schaduwwerking. Het werk des Heren in de materia magica wordt weerkaatst, zoals een beeltenis in een spiegel.

U zult misschien wel eens hebben ontdekt dat zulk een weerspiegeling kracht bezit, dat er een magische werking van uitgaat. Deze werking is niet zonder zin, want hoewel existentieel niets, doet ze volstrekt iets. Hoewel begoocheling, vormt zij niettemin een brandpunt. Dit brandpunt werkt met het wezen zelf samen, ten dienste van het grote doel. Daarom is dit brandpunt werkelijk met ‘macht’ bekleed.

Wanneer nu de geest in de oersubstantie slaat, teneinde een goddelijk plan aan te vangen en uit te voeren – welk geheel van goddelijke activiteit aangeduid wordt met de naam Christus, de Gezalfde, de met het goddelijke plan geassocieerde – dan is er tegelijkertijd in de materia magica de directe weerspiegeling daarvan, Lucifer. Naast de goddelijke zon, in de oersubstantie ontstoken, rijst de morgenster omhoog. Lucifer, de morgenster, is dus een directe projectie van een hoge werkelijkheid. Doch slechts projectie en niet die werkelijkheid zelf. Daarom wordt er in de heilige mythen gezegd dat hij de hoogste titel draagt buiten de hemel, maar in de hemel zelf niet kan zijn.

Aldus constateren wij dat er met betrekking tot iedere openbaring in de materia magica twee brandende vuren zijn, een concentrisch en een excentrisch vuur, een goddelijk en een natuurprocesmatig vuur. Als in de oersubstantie het goddelijke proces stagneert, staakt het natuurprocesmatige niet eveneens de dienst. Integendeel, als eenmaal dit tweevoudige proces in gang is gezet en het kernproces stagneert, zal het natuurwetmatige dubbel als een blinde kracht, met al zijn gevolgen, blijven voortrazen.

Als u in uw brein een gedachte doet ontstaan, dan projecteert zich onmiddellijk in uw openbaringsveld een beeld daarvan, dat het oog geheel op u gevestigd houdt. U hebt dan een ster doen opgaan in uw microkosmos. Als u de gedachte loslaat, blijft het gedachtenbeeld toch stralen en doet zijn werk.

Zo kunt u zich voorstellen dat er eenmaal een tijd was, waarvan de oude, heilige dichters verklaarden: ‘dat de morgensterren te zamen vrolijk zongen en alle kinderen Gods juichten…'(Job 38:7).

Zo kunt u ook begrijpen dat de oude ziener sprak: «Hoe zijt ge uit de hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads… In een vurige brand zijt ge neergestort’ (Jesaja 14:12).

En u zult het nu verstaan dat de auteur van de Apocalyps profeteerde: ‘Die overwint, ik zal hem de morgenster geven’ (Openbaring 2:28).

Allen die waarlijk leerlingen van de School van het Gouden Rozenkruis willen zijn, hebben een pinksteropdracht te vervullen. Door een enduristisch leven, in ootmoed, deemoed en zelfverlorenheid, dienen zij hun geestvonkatoom, het oorspronkelijke waterstofatoom, aan te bieden aan de Universele Geest, in die ene bede, welke uit een vernieuwde levenshouding wordt geboren: ‘Heilige Geest, kom over ons!’

Dan zal Christus, de Gezalfde, de oorspronkelijke goddelijke fakkeldrager, woning maken in uw hart, hetgeen wil zeggen dat dan het oeratoom in u weer in binding zal treden met zijn oertype. Het zal beginnen te werken en te stralen, zoals wij dat reeds eerder uitvoerig hebben besproken. En o wonder, buiten u, in uw openbaringsveld, zal het beeld van de onsterfelijke mens voor u oprijzen. De Morgenster zal dan herrezen zijn, de aloude Lucifer, de volheerlijke, en in binding met dit brandpunt zal het bouwwerk Gods volvoerd worden, het bouwwerk van transfiguratie.

En als dan het beeld van die onsterfelijke lijfelijk in het uitspansel van uw microkosmos staat, gaat letterlijk het woord van Openbaring 22 in vervulling:

‘Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om u deze dingen ten behoeve der gemeenten te betuigen. Ik ben de wortel en de telg van David, de lichtende, blinkende morgenster. En de geest en de bruid zeggen: Kom! En hij die het hoort zegge: Kom! En wie dorst heeft kome en drinke van het water des levens om niet.’

Wie oren heeft om te horen die hore. En hij die hoort zegt: ‘Waarlijk, ik kom spoedig, Amen.’ De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *