Kennis van de natuur des doods – hoofdstuk 15 uit ‘De komende nieuwe mens’ van Jan van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt het vijftiende hoofdstuk uit De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

U zult zich herinneren dat wij reeds eerder spraken over de oorsprong van de vaste stoffen, vloeistoffen en gassen van de scheikundige sfeer der stoffelijke wereld en uiteenzetten dat al deze stoffen, gassen en fluïden ontstaan zijn uit ethers, die in bepaalde toestanden in de spiegelsfeer voorkomen.

Deze fundamentele ethertoestanden worden bepaald door het magnetische veld van deze natuurorde, terwijl de geaardheid van dit magnetische veld weer het gevolg is van de natuurkrachten uit een van de aardkringen, die nauwgezet reageren op de aard en het gedrag van de mens. Men moet dus klaar inzien dat de mens zelf dit desolate levensveld heeft geschapen en zelf zijn gevangenismuren in stand houdt, want buiten de stofsfeer en haar spiegelsfeer zijn de etherische toestanden geheel anders, daar de interkosmische ethers direct en harmonisch uit de oorspronkelijke oersubstantie ontstaan zijn.

Het is evenwel goed steeds rekening te houden met de mogelijkheid dat u dit klare inzicht nog niet bezit. Het kan zijn dat u wel de dialectische verschijnselen constateert en volledig instemt met wat de Geestesschool daarover zegt, maar dat het u toch ontbreekt aan inzicht met betrekking tot de oorzaken van de dialectische verschijnselen. Het gemis van deze kennis betekent een gevaar, een funeste vertragingsfactor in uw ontwikkeling als leerling. Zou het inzicht aangaande de oorzaken van ons dialectische bestaansveld werkelijk aanwezig zijn, dan zouden velen in de Geestesschool op spontane wijze geheel anders reageren.

Er is bij de leerlingen, verzameld in de voorhof, nog te veel reactie op de horizontale lijn. Dit verraadt steeds gebrek aan klaar inzicht. In zulke reacties strijdt men, hoewel alle strijd verspilling van energie betekent, en is men daadloos terzake van absoluut noodzakelijke handelingen. Zo vullen vele mensen hun dag met beuzelingen en zijn koortsachtig bezig met overbodigheden, hoewel er, als gevolg van de pijn en de teisteringen der dialectiek en het heimwee dat door het geestvonkatoom wordt gewekt, bij hen toch bereidheid is het pad te gaan.

Er is in deze toestand maar één uitweg: u moet eerst de oorzaken van de menselijke gevallenheid leren kennen. Wij zijn ervan overtuigd dat velen menen op dit punt een aardig woordje te kunnen meespreken. U komt misschien met armen vol boeken aandragen, of u hebt ze wellicht niet eens nodig, omdat de goed getrainde kamers van uw rechter hersenhelft flink gevuld zijn met parate kennis.

Eerst komt de Bijbel voor de dag en andere heilige taal. Wij horen weer van Adam en Eva, van het Paradijs en de slang; van ‘in het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten’ en ‘met smart zult u kinderen baren’; van de toren van Babel en de spraakverwarring; van de grote vloed en de dronken Noach. En vervolgens komen de oneindige reeksen mystieke en occulte commentaren: ‘Zo staat het er’ en: ‘Zo is het bedoeld.’ ‘Toen is het begonnen en zo ging het. En nu zitten wij er mee, en nu zijn wij zoals wij zijn.’ En u hebt pijn in de nek van het terugkijken in het pre-verleden. En u krijgt verschil van mening, want het veld der uiterlijke historie zit vol speculaties. Zo ook het veld van het geheugen der natuur, want geen twee mensen die in het geheugen der natuur kunnen lezen, lezen daarin hetzelfde. En vanwege de misverstanden worden weer nieuwe boeken geschreven en u volgt weer nieuwe autoriteiten, tot ook die tenslotte, verguisd en verworpen, weer vervangen worden door andere.

Stel, dat u alle wereldliteratuur over de oorzaken van de Val had bestudeerd en terzake zou beschikken over een fomidabele parate kennis, zou u dan wéten? Zou u dan weten in eensgezindheid? Geen sprake van!

Schrijver dezes kan op dit terrein uit eigen ervaring putten. Vanaf het moment dat wij konden lezen tot aan een zeker psychologisch tijdstip hebben wij bibliotheken verslonden, tot wanhoop van alle opvoeders. Wij hebben gereageerd op een onmetelijke intellectuele honger, doch wij verdronken in de vruchteloze moeiten van duizend talen.

Velen zijn in zulk een storm, in zulk een mateloze verstandsdrift, ten onder gegaan. Alleen zij die dit stormgeweld induiken, die aan deze drift gehoor geven omdat zij ‘vissers van mensen’ willen zijn, worden door het net der Universele Broederschap uit deze academische zee gered en op het land van een concrete werkelijkheid geworpen, de werkelijkheid van het nu en van het hier.

U kunt, ja, u moet uit de werkelijkheid van het nu en het hier de oorzaken van onze Val bepalen. U moet voor deze oorzaken niet teruggaan tot onbekende voorouders. U moet ze vinden in u zelf!

Velen liggen, in doodsnood, te spartelen in de academische zee van hun intellectuele en mystieke zoekersdrang. In deze zee werpt de Broederschap haar net, een net dat niet is geweven uit woordenreeksen, doch dat uit een methode tot fundamentele zelfkennis bestaan. Wie zichzelf waarlijk kent, bezit klaar inzicht en opent dientengevolge zijn gehele stelsel. In dit proces van uitredding wordt u zelf een van de draden van het visnet, wordt u, met de andere drenkelingen, een visser van mensen. Daarom stond er boven de poort van de oude mysterietempels: ‘Ken u zelf’. Wie zichzelf kende, kon de poort van de tempel binnengaan, doordringen tot het heiligdom en zich heiligen, zich heel maken.

Wie in de academische zee dreigt te verdrinken, is in die vloed der wateren terechtgekomen vanwege de onmetelijke drang van het geestvonkatoom, vanwege de duizend-en-een bestaansproblemen. Al dezulken zijn bezig uit die zee de steen der wijzen op te vissen. Tot hen zegt Jezus de Heer: ‘Wees mijn navolgers en ik zal u vissers van mensen maken.’ De navolging Christi wil primair zeggen: klaar inzien, dat de mens zelf zijn desolate levensveld heeft geschapen en zelf zijn gevangenismuren in stand houdt. Wie deze eerste trede bestijgt, ziet zonder enige twijfel de tweede trede voor zich.

Uw microkosmos is als een atoomzuil. Deze atoomzuil wordt gevoed:

  • door weerspiegelende ether, voor een deel in de vorm van waterstof;
  • door lichtether, voor een deel in de vorm van zuurstof;
  • door levensether, voor een deel in de vorm van stikstof;
  • en door scheikundige ether, voor een deel in de vorm van koolstof;

Dit zijn de vier spijzen van de menselijke atoomzuilen. Waarom ontvangt u deze spijzen, waarom vinden er tengevolge daarvan in de atoomzuil verbrandingen plaats? Om levensprocessen mogelijk te maken. Levensprocessen zijn productieprocessen: de vier ethers, in de toestanden waarin u ze ter verwerking in uw stelsel ontvangt, zijn oorzaak dat in uw levenszuil verschillende stoffen en krachten worden geproduceerd.

Nemen wij als voorbeeld de ademhaling. De substantie die u inademt, is geheel anders dan die u uitademt. U ademt onder andere koolzuur uit, en dit koolzuur is een koolstofoxide, een verbrandingsproduct, een omzetting van scheikundige ether.

U zult waarschijnlijk diverse eigenschappen van koolzuur kennen. De atmosfeer bevat natuurlijk koolzuur; immers, het vormt zich bij de ademhaling van mens en dier en bij verbranding of verrotting van organisch materiaal. Zonder verdere voorzieningen zou de atmosfeer dan ook steeds meer koolzuur gaan bevatten, hetgeen funest zou zijn. Een vlam die in koolzuur gebracht wordt gaat direct uit. Bij een te veel aan koolzuur in de atmosfeer zou dus ieder verbrandingsproces onmogelijk worden en ieder leven zou letterlijk verstikken.

Als hulp in deze nood treedt nu het plantenrijk op. De bladeren van de plant nemen het koolzuur op en geven weer zuurstof terug. Het plantenrijk voorkomt aldus dat de mensheid op een gegeven moment zou stikken door een product van haar eigen levenszuilen. Onderzoekers hebben nagegaan in welke mate er koolzuur in de atmosfeer kan voorkomen zonder dat dit de dood van een mens ten gevolge heeft. Naar men zegt kan een mens vijf procent verdragen. Doch let erop, het is, zij het in een veel lager percentage, altijd in de atmosfeer aanwezig. Denk aan uw huis, aan uw huiskamer en aan uw tuin. Een zeer groot deel van uw leven brengt u in uw huis door. U ademt daar en u produceert dus koolzuur. En al die planten in uw huis, in uw kamer en in uw tuin ademen naar hartelust uw koolzuurproduct in.

Voor u een zegen, alsmede voor de planten. Want ware er geen koolzuur, dan waren er geen planten, en zonder planten zou u stikken. Het plantenrijk en de zorg ervoor is dus voor alle dialectische mensen een levensnoodzakelijkheid. Hoe meer er rot en verteert, hoe meer koolzuur. Hoe meer koolzuur, des te meer planten. En hoe meer planten, des te meer levensmogelijkheden voor de mens.

Voor de koolzuur die de planten van u krijgen, geven ze zuurstof terug. Dit is evenwel geen volwaardige zuurstof, doch een bijproduct ervan. Men kan zeggen dat het enigszins op lichtether lijkt, maar het is een beetje donker en veel trager van vibratie. Deze onvolwaardige plantaardige zuurstof vermengt zich met de andere zuurstof in de atmosfeer, waarop u haar weer inademt en weer nieuw koolzuur produceert.

Wellicht ziet u de levensketen nu voor u en begrijpt u dat u leeft bij de gratie van het plantenrijk. En misschien ontdekt u ook dat dit alles, goed bezien, een ontstellend, zeer bedenkelijk degeneratief proces is. Doch voor wij u dit nader uiteenzetten eerst nog wat anders.

Koolzuur is een product van scheikundige ether; doch ook de drie andere ethers worden in onze levenszuilen omgezet. En zoals koolzuur dodelijk voor de mens is, zo zijn dit in gelijke of in nog meerdere mate de andere bijproducten. Het bijproduct van koolstof maakt, tot behoud van de mens, het plantenrijk noodzakelijk. De bijproducten van levensether (stikstof), van lichtether (zuurstof), en van weerspiegelende ether (waterstof) maken, behalve het plantenrijk, ook het insecten- en microbenrijk, het dierenrijk en het elementalenrijk noodzakelijk. Alweer: ter wille van de mens, want deze rijken assimileren alles waaraan de mens direct zou sterven. Zij leven, zij bestaan letterlijk op de doodsradiaties van de mens en geven hem het ontledingsproduct van deze doodsradiaties weer terug.

Is het nu een wonder dat deze rijken – die leven en bestaan uit de doodswalmen van het godverbroken menselijke bestaan-in-zelfhandhavingsdrift – elkaar belagen, verteren, opvreten, verminken en vervuilen? Hoe is het mogelijk daarin schoonheid te zien? Hoe is het mogelijk daarvan iets te verwachten? Ziet u deze natuurwetmatige gruwel duidelijk voor u? Wie kan waarlijk in deze hel léven, gezondheidsjagers?

Is het u nu duidelijk dat u leeft in een staat van gevallenheid? Dat u alleen reeds door uw huidige mens-zijn nog voortdurend aan de Val meewerkt? Dat de mensheid bezig is met razende snelheid neer te storten in een van alle rede losgeslagen atomische verschrikking? Natuurwetenschappelijk kan haarfijn worden bewezen dat de mens iedere seconde deel heeft en meewerkt aan een kosmische ramp; dat, terwijl de pre-mens eenmaal van de Gnosis de adem des levens ontving, in deze bestaansorde gestadig de adem des doods van de mens uitgaat. Zelfs een kind kan begrijpen dat de natuurrijken, die noodzakelijk zijn om de mens voor de eigen adem des doods te beschermen, in die taak tekort moeten schieten.

De mens gaat steeds meer synthetisch voedsel gebruiken, steeds uitgestrekter gebieden worden ontbost en ontgonnen, het microbengevaar en insectenvenijn voortdurend massaler bestreden, ziekten onderdrukt, kadavers verbrand, dieren vervangen door machines, ja, wat doet de mens in zijn zelfhandhavend bestaan al niet meer? Hij bestrijdt gevaren, maar hij ontketent daardoor andere. Het is onbegonnen werk! De door de menselijke levenszuilen voortgebrachte doodverspreidende krachten, die niet meer geheel door beschermende natuurrijken kunnen worden geabsorbeerd, worden steeds talrijker en omvangrijker. De adem des doods wint voortdurend meer terrein en het gevolg kan niet anders zijn dan een atomische explosie, die wij aanduiden als ‘kosmische revolte.’

Wist u dat alle ziekten die de mensheid teisteren, worden veroorzaakt door een van de ondermenselijke natuurrijken, door rijken dus die noodzakelijk zijn om sommige voor de mens gevaarlijke producten van zijn levenszuil te verwerken?

Denk aan een mug, een stekend stuk venijn, veroorzaker van vele ziekten. Het insect leeft op atomische producten van uw levenszuil. Het bezoekt u en steekt u in blinde reactie, want ieder schepsel richt zich voor zijn handhaving tot zijn schepper en instandhouder. Wat is het gevolg? De muggen worden uitgeroeid, hetgeen begrijpelijk is. Andere insecten, die hun taak overnemen, worden eveneens in hun bestaan aangetast. Microben en diverse virussoorten, die om dezelfde redenen uw lichaam belagen, worden bestreden. U doet dit alles, u moet dit alles doen, omdat u niet anders kunt! Maar wanneer de mens erin zou slagen deze ziekteverwekkers uit te roeien, zou hij daardoor volledig ten offer vallen aan het topvenijn dat hij zelf produceert en waarvan hij, dankzij de biologische functies van de ondermenselijke rijken, tot dan, in de vorm van ziekten, slechts een vertraagde, dus sterk verzwakte reactie ondervond.

Kunt u zich een intensere tragiek indenken? Ziekten bestrijden, jagen naar gezondheid, en daardoor de eigen walm des doods met volle teugen inademen! Wie dit alles helder inziet en doorleeft, wie deze natuurkennis aangaande de menselijke staat van-binnen-uit bezit, die heeft zelfkennis. Zo iemand laat niet meer zijn boeken spreken en staakt zijn verwoede pogingen om in de academische zee zijn hoofd boven water te houden. Er is in hem slechts één besluit, slechts één hunkering: het besluit zijn atomische onheilsstaat te beëindigen, en het hartsverlangen naar uitredding door de Adem des Levens.

‘Gelijk een hert dorst naar de waterstromen,
zo dorst mijn ziel naar u, o God.
Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God.
Wanneer zal ik ingaan en voor uw aangezicht verschijnen?’

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *