Manifesten van de rozenkruisers en andere rozenkruisersgeschriften in de bibliotheek van het British Museum

Een ochtend, ergens in het begin van de jaren dertig, ergens in Londen. Over straat lopen enkele mannen op weg naar de bibliotheek van het British Museum. Drie vrienden uit Nederland. Hun stap is rustig, maar niet aarzelend of langzaam, hun kleding is verzorgd maar niet opvallend. Zij zijn op weg naar het gerenommeerde instituut en de verzamelplaats van kennis en wijsheid, die de British Museum Library immers is. Een dagelijks tafereel in een grote wereldstad.

We volgen één van de drie wat nader. Een toeschouwer zou aan de buitenkant van hem niet meer zien dan een gemiddelde burger van een gemiddeld land, op een typisch Engelse ochtend wandelend door de stad. Een paar dingen zijn echter niet gemiddeld te noemen. Dat zijn vooral eigenschappen die je aan de buitenkant niet kan zien. De ogen nog wel: helder en nadenkend, met een lichte twinkeling van ironie. Wie het zou kunnen zien zou vooral een opvallend andere hartwerkzaamheid vaststellen, anders dan die van zijn tijdgenoten. Een lichte, weldadige plek, welhaast een ruimte, tussen de vele benauwde en benepen harten van de mensen van de wereldstad. Wat werkt er niet allemaal in dit hart: het is moeilijk te beschrijven. Omdat men dit soort harten niet vaak tegenkomt, zijn de eigenschappen ervan ook niet zo bekend. Wat er niet in te vinden is: afgunst, zelfzucht, angst of zorg. Men vindt er ook geen kilheid in, of, en dat vooral niet, onverschilligheid.

Deze man is begaan. Hij ziet de zorgen en de zware lasten van veel van zijn tijdgenoten, hun fundamentele onwetendheid, en hij zoekt. Af en toe denkt hij aan wat voor hem ligt, aan de toekomst. Heel de wereld, heel de samenleving ligt nog stevig verankerd in wat men het Vissentijdperk noemt. Hier en daar zijn er wel wat tekenen geweest dat er een nieuwe periode op til is: de Franse Revolutie, en de Oktober-revolutie in Rusland. Uiteindelijk gesmoord in bloed en onderdrukking. 

Af en toe klinkt er een roep tot vrijheid en tot gelijkheid van ieder mens door in de wereldgebeurtenissen. Klaarblijkelijk is de mens er nog niet aan toe, maar het ligt in de lijn der ontwikkeling dat over enkele tientallen jaren het Aquarius-tijdperk zijn intrede zal doen. Wat moet er nog veel gebeuren, denkt hij, wat moet er nog veel veranderen! Toch zijn de wielen der verandering ingezet; het grote zonnewiel zal onweerstaanbaar een nieuwe tijd, een nieuwe periode ‘aan het licht’ tillen… Een donkere schaduw glijdt over zijn gezicht als hij aan Europa denkt. Er zal een zware oorlog komen … het is niet meer tegen te houden… Hij heeft ervoor gewaarschuwd, hij heeft veel over de oorzaken gesproken en geschreven, maar er zijn er maar zo weinig die werkelijk begrijpen… 

Maar dan denkt hij weer aan het doel van zijn zoeken. Geld trekt hem niet, hij weet veel te goed wat daaraan allemaal kleeft. Macht, roem of eer oefenen op hem geen enkele aantrekkingskracht uit. Hij zoekt niet voor zichzelf. Hij kent sinds lang een innerlijk evenwicht, en de schatten die hij kent, doen al het andere op lege conservenblikken lijken. Het is een heel andere Kracht die hem drijft, die zijn handelen bepaalt, brandende op een bijzondere energie, die hem ook op dit moment in Londen de weg wijst. 

Nu denkt de man, die zich op dat moment John Twine noemt, aan zijn geestverwanten, zoals hij zijn vriendenkring graag aanduidt. Daar, op het vlak van zijn vriendenkring, ligt de oorzaak voor zijn zoektocht. Hij zoekt een nieuwe manier om zijn geestverwanten te ondersteunen in hun zoeken naar nieuwe levenswaarden. Als er iets in de komende periode nodig zal zijn, is het dat wel. Want wie levenswaarden heeft, kan zijn leven veranderen. Wie een perspectief voor zich heeft, kan zijn plan trekken. Wie daarbij gestuwd wordt door de preherinnering, een oeroud weten in de microkosmos van een geheel ander bestaan, heeft in de tijden die komen gaan mogelijkheden. Vooropgesteld dat die levenswaarden zuiver en oprecht zijn. 

In de kleine groepering waarvan hij een van de leiders is, kennen ze de belangrijke werken uit de wereldliteratuur terdege. Ze kennen deze in hun oorspronkelijke bedoeling, ze kennen de enorme potentiële kracht die erin besloten ligt. Ze weten zeker ook hoe er door de jaren heen mee is omgesprongen. Hoe ze van tijd tot tijd verkeerd vertaald zijn, soms te goeder trouw, maar even vaak moedwillig verminkt. Ze weten dat ze vaak verdraaid zijn, zoals de oorspronkelijke christelijke levenswaarden net zo lang verdraaid en opnieuw uitgelegd zijn, tot ze precies het tegenovergestelde lijken te betekenen. In hun werk gaat geen dag voorbij of er is gelegenheid om deze verdraaiingen aan te wijzen en de eigenlijke bedoelingen te verduidelijken. 

Vandaar dat hun groep zo blij was de geschriften van Johann Valentin Andreae te ontdekken. De taal van de rozenkruisgeschriften, de Fama en de Confessio, is zo dynamisch, helder en vol vuur dat de buitenwereld tot dan toe ze niet heeft durven gebruiken voor zijn eigen oogmerken. De Chymische Hochzeit Christiani Rosencreutz was al helemaal niet te begrijpen. ‘Een warrige hersenschim’, zo luidde de officiële kritiek in het begin van de zeventiende eeuw, ‘het product van een overspannen geest.’ Niets was en is minder waar. 

Maar een geschrift, of een boek, of een hele bibliotheek is één ding; het zoekende leven te veranderen in het zelf-vrijmakende leven is nog iets anders. Niemand die dat beter weet dan deze man in Londen. Het zoeken naar geschriften van soortgelijke groeperingen in vroeger dagen, zo beseft hij, is zinloos en tijdverspilling. Te weten te komen hoe deze groeperingen vroeger gewerkt hebben kan bijzonder mooi en inspirerend zijn. Doch hun spoor is verdwenen, achter de sluier van de andere natuur, en wat ervan over is, we zeiden het reeds, is vaak verminkt. Het komt op het nu aan, hoe en vooral dat men het nu doet. 

Later heeft hij het zelf als volgt uitgedrukt: ‘We hebben deze dialectische natuur onderzocht in al haar verschijningen. Dat konden we, omdat wij in deze natuur zijn. Vanuit het lagere zelf konden wij alles wat deze wereld te bieden heeft, doortasten en doorproeven. En alles was… moeite en verdriet. […]. We concludeerden na jarenlange steekproeven dat dit de zin van het ware leven niet kon zijn, en dat het niet goed was, nog langer mee te doen met hen, die de mensen in deze natuur-des-doods begoochelen, voor de gek houden.’

En dus kom je voor een keus; onherroepelijk moet je een besluit nemen. Hij vertelt verder: ‘Men moet op een gegeven moment over het bestaan van het heden kunnen regeren. Dus waren we verplicht, objectief en niet aan de hand van autoriteiten, het Tao van de oudheid te doorgronden. Wij ontdekten daarbij al spoedig dat van alle zijden van alles werd gedaan om dergelijke ontdekkingen tegen te houden. Vele bronnen waren vernield, andere bronnen niet te bereiken. De rest was zwaar verminkt. We vingen aan met brokstukken uit de heilige Taal, die waren overgebleven. Uit het onderzoek bleek duidelijk dat er, behalve deze natuurorde, een oorspronkelijk rijk is, een rijk ver en ver buiten het hoogste nirwanische gebied, een rijk dat zich zeer nadrukkelijk distantieert van deze natuur-des- doods met haar beide sferen.’ 

‘Toen we dit gevonden hadden, gingen we op onderzoek uit, om na te gaan of er mensen, of groepen van mensen waren, die naar dat andere rijk gestreefd hadden, welke levensloop zij hadden en welke kenmerken deze levensloop vertoonde. Wij onderzochten of mensen van die aard, hoewel zeer van elkaar verwijderd en door eeuwen gescheiden, toch dezelfde wegen gingen. En wij ontdekten dat al deze groepen georganiseerd streefden, in volkomen gelijke zin. Toen gingen we over tot zelf-vrijmetselarij.’ Want wie het begin weet van het oorspronkelijke, heeft de draad van Tao, van Ariadne, in handen.’

En wat is het begin ? Dat is een kernvraag. Hoe je begint is bepalend voor alles wat erop volgt. Keren we terug naar het moment dat John Twine op het punt staat om de bibliotheek binnen te gaan. Hij wacht nog even terwijl hij omhoog kijkt naar de indrukwekkende ingangpartij. Nog even haalt hij diep adem, alsof hij voor langere tijd verstoken zal zijn van frisse lucht, en loopt dan vastbesloten naar binnen. In een later verslag schrijft hij: 

‘Bij een onderzoekingstocht in de wereldberoemde bibliotheek van het Brits Museum te Londen ontdekten wij enige jaren geleden het weinig bekende werk Christianopolis van Johann Valentin Andreae, de auteur van de Fama Fraternitatis. Dit document der rozenkruisers broederschap uit1619 dat mogelijk reeds een paar honderd jaar in deze boekerij verblijf had gehouden, zonder dat iemand er naar omkeek, konden wij in een Engelse vertaling mee naar Nederland nemen, innerlijk gevoelend dat wij de inhoud daarvan aan het daglicht moesten brengen en van commentaar voorzien, opdat iedere leerling zijn arbeid daarop zou kunnen afstemmen en aldus beter dienstbaar zou kunnen zijn in het Grote Werk.’

John Twine, die later de geestelijke naam J. van Rijckenborgh aannam, hield woord en het boek Christianopolis ligt nu in de boekhandel te koop. Het ‘visioen’ dat Andreae ontvouwt in zijn ‘Reipublicae Christianopolitanae Descriptio’ is een van de peilers waarop het moderne rozenkruis zijn arbeid fundeert. Ook de lezer van dit boek is op een zoektocht. Net als de hoofdpersoon uit het bovenstaande boek stapt hij aan boord van het goede schip Fantasia – op reis naar, ja waarnaar? Op reis naar een opwindend leven? Op reis naar een leven vol beweeg, vol bewondering en aanzien? Een leven met veel geld en zo weinig mogelijk rust en, als het eenmaal zover is, een stormachtig einde ? 

Of … moet de mens eindelijk eens op weg naar het begin ? Overal zie je pogingen om een eind te maken aan de uitgebluste herhalingen, de tv-quizen en een menselijk gedrag dat je tenen doet krommen van plaatsvervangende schaamte. De muziek? Vaak heruitvoering van heruitvoering. De kunst? Laten we weer iets sprankelend nieuws creëren, dat ons van de stoel krijgt van enthousiasme. Literatuur? Vaak mooi, maar ook vaak somber, of oppervlakkig leuk, maar dan weer zo banaal… We willen weer brille, glans, esprit! 

In de jaren veertig noemde J. van Rijckenborgh het beetje cultuur dat het westen rest een verwelkte ruiker op een mesthoop. Hij zei: ‘Als de jeugd van het rozenkruis deze cultuur aantast met een bijl, dan … wij zeggen het eerlijk … dan glimmen we van genoegen’ (er waren ouderen die vonden dat de jeugd te fel van leer trok in het toenmalige blad van de School van het Rozenkruis). Voor hem was de jeugd allerbelangrijkst. ‘Als het jonge geslacht in de komende jaren geen eind maakt aan de volksverdomming en gros,’ zo schreef hij, ‘is het leed der mensheid niet te overzien. Daarom, nieuwe jeugd, zet de bijl gerust in die heilige huisjes – en daarom gaat het: in de strijd om goedheid, waarheid, gerechtigheid…’

Want daar gaat het natuurlijk om. Afbraak zonder meer, dat doen er al genoeg. Dat kan heel begrijpelijk zijn. Want welke waarden biedt de oudere generatie in het algemeen aan de jeugd ? Een opleiding voor de economische race die je altijd uitgeput achterlaat, meedoen aan een of andere oorlog (er zijn er genoeg). Toch, afbraak zonder meer, uit agressie kan het perspectief niet zijn. Het gaat erom een eind te maken aan de grote volksvervlakking. Laten er weer heldere, denkende mensen komen! Maar dan moet je wel een begin gezocht en gevonden hebben!

Bron: Gnosis – Stromen van Licht in Europa door Peter Huijs

BESTEL GNOSIS – STROMEN VAN LICHT IN EUROPA

1 thought on “Manifesten van de rozenkruisers en andere rozenkruisersgeschriften in de bibliotheek van het British Museum

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *